afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002224-24
datum uitspraak: 12 oktober 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 20 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-221570-23 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 3 september 2023 te Alkmaar opzettelijk aanwezig heeft gehad 7 flessen (van 2 kg elk) distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.hij op of omstreeks 3 september 2023 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig, ([merk], [kleur] van kleur, voorzien van kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten distikstofmonoxide (lachgas), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft – kort gezegd – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van het hof. Wat betreft feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit en – kort gezegd – aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te stellen dat de verdachte zodanig onder invloed van lachgas verkeerde, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Het enkele aantreffen van lachgas in de auto en een verklaring over het gebruik ervan is
onvoldoende voor een bewezenverklaring van onbehoorlijk bestuur. Uit het dossier blijkt niet dat sprake was van afwijkend of gevaarlijk rijgedrag. De bijrijder heeft verklaard dat hij zich veilig voelde en volgens de verdachte heeft lachgas weinig effect op hem. Nu niet vaststaat hoeveel lachgas de verdachte heeft ingenomen en zijn rijgedrag geen enkele aanwijzing bevatte dat hij onder invloed was, kan niet worden vastgesteld dat hij onder zodanige invloed van lachgas was dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Oordeel van het hof ten aanzien van feit 2
Het hof stelt op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 3 september 2023 te Alkmaar een personenauto ([merk] met kenteken [kenteken]) heeft bestuurd. Om 18.49 uur is op een foto, bijgevoegd bij een ANPR-melding in Spaarndam op de A9, te zien dat de verdachte een ballon in zijn mond had. Vervolgens kwam om 18.58 uur wederom een ANPR-melding ter hoogte van Akersloot op de A9 binnen waarbij een foto is gevoegd waarop de verdachte (weer) een ballon in zijn mond had. Even later zagen verbalisanten de verdachte om 19.04 uur rijden en zagen zij dat hij een ballon in zijn hand had en dat deze groter en kleiner werd. Daarop hebben zij de verdachte op de Kooimeerlaan (het hof begrijpt: te Alkmaar) stilgehouden.
Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te komen moet het hof vaststellen dat (1) de verdachte de personenauto heeft bestuurd terwijl hij onder zodanige invloed van lachgas verkeerde, (2) dat hij niet tot behoorlijk bersturen van die auto in staat moest worden geacht en (3) dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid kon verminderen. Niet noodzakelijk is dat sprake was van feitelijk gevaar of niet aan de verkeerssituatie aangepast rijgedrag van de verdachte. Evenmin is noodzakelijk dat sprake was van afwijkend rijgedrag en/of uiterlijke kenmerken waaruit de conclusie mag worden getrokken dat er onvermogen tot besturen was.
ad 1. Besturen onder invloed van lachgas
Op grond van het dossier en de verklaring van de verdachte staat vast dat de verdachte lachgas heeft gebruikt terwijl hij de auto bestuurde. Dit wordt door de verdediging ook niet betwist.
ad 2. Niet tot behoorlijk besturen in staat
Uit het dossier blijkt dat de verbalisanten de verdachte hebben stilgehouden kort nadat zij hadden gezien dat de verdachte met een ballon achter het stuur zat en dat deze ballon groter en kleiner werd. Uit de foto’s die waren bijgevoegd bij twee eerdere ANPR-meldingen, blijkt dat de verdachte op twee momenten kort daarvoor twee keer een ballon in zijn mond had. Nadat zij het voertuig van de verdachte hadden stilgehouden zagen de verbalisanten dat de verdachte een versufte indruk maakte en hoorden zij dat hij onsamenhangend praatte. Dat niet vaststaat hoeveel lachgas de verdachte heeft gebruikt en dat hij geen afwijkend of gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond (zoals aangevoerd door de raadsvrouw) is, gelet op het hiervoor geschetste juridische kader, niet relevant.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte zodanig onder invloed van lachgas verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen van de auto in staat moest worden geacht.
ad 3. Wetenschap vermindering rijvaardigheid
Tot slot moet het hof vaststellen of de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van lachgas zijn rijvaardigheid kon verminderen. Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat hij vaker lachgas heeft gebruikt; eens in de twee weken, soms eens in de drie of vier weken. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte bekend was met lachgas en dus wist wat de gevolgen van dit middel (kunnen) zijn. Daarbij is uit algemeen toegankelijke bronnen – zoals de website van het Trimbos-instituut – zonder noemenswaardige moeite te achterhalen dat gebruik van lachgas de rijvaardigheid kan verminderen. Op het internet is meer dan voldoende informatie te vinden over de negatieve gevolgen van het inhaleren van lachgas, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de negatieve effecten van het gebruik van lachgas voor het autorijden.
Bovendien heeft de verdachte op de vraag of men met lachgas op mag rijden verklaard “nee” en op de vraag of hij denkt een betere bestuurder te zijn met lachgas op: “nee, haha. Ik kan wel rijden maar wil het eigenlijk niet.”
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de verdachte wist dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid kon verminderen.
Al met al is het hof van oordeel dat het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Bewijsmiddelen feit 1
De verdachte heeft het aan hem onder feit 1 tenlastegelegde bekend en door of namens hem is voor dit feit geen vrijspraak bepleit. Het hof zal ten aanzien van feit 1 dan ook volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen (overeenkomstig artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
20 september 2024;
- een proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier doorgenummerde pagina’s 6-9.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij op 3 september 2023 te Alkmaar opzettelijk aanwezig heeft gehad 7 flessen (van 2 kg elk) lachgas;
2. hij op 3 september 2023 te Alkmaar als bestuurder van een voertuig, ([merk], [kleur] van kleur, voorzien van kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten lachgas, waarvan hij wist dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze voor feit 2 in de voetnoten zijn opgenomen en voor feit 1 hiervoor zijn opgesomd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren. Voor feit 2 is de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om oplegging van een geldboete en subsidiair om overeenkomstig de politierechter een taakstraf voor de duur van dertig uren op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van enig tijdsverloop, dat de verdachte sinds het tenlastegelegde geen lachgas meer heeft gebruikt en dat hij na dit incident een (kostbare) CBR-cursus heeft moeten volgen en zijn rijbewijs vijf maanden kwijt is geweest. Bovendien is hij niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen. Ook is gelet op voornoemde omstandigheden en het feit dat de verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, verzocht om geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van zeven flessen lachgas en het rijden onder invloed van lachgas. Het gebruik van lachgas brengt gezondheidsrisico’s met zich en door onder invloed van lachgas te rijden heeft hij niet alleen zichzelf, maar ook andere weggebruikers blootgesteld aan gevaar.
Blijkens het strafblad van de verdachte van 22 september 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende en mede gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, een taakstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis, passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. De redelijke termijn is in hoger beroep namelijk aangevangen op de dag dat hoger beroep is ingesteld; 3 oktober 2024. Het hof wijst arrest op 12 oktober 2026. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep met negen dagen is overschreden. Gelet op de hoogte van de op te leggen straf zal het hof echter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 9, 22c, 22d en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 17 november 2023 onder CJIB nummer [nummer].
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.J.M. Goldschmeding, mr. L.M.G. de Weerd en mr. R.A.J. Hübel, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 oktober 2026.
mr. V.J.M. Goldschmeding en mr. L.M. van Leeuwen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002224-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 12 oktober 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. J.L. Bruinsma, raadsheer,
mr. E.J. Firma, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. B.C.C. van Roessel, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is wel / niet aanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft wel / geen afstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak. (indien VTE in deze zaak is gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.