ECLI:NL:GHAMS:2026:2906

ECLI:NL:GHAMS:2026:2906

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 200.376.062/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Incidenteel verzoek tot schorsing van executie art 360 lid 2 Rv: afgewezen (misbruik van procesrecht)

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.372.062/01

zaak-/rekestnummer rechtbank Noord-Holland : 12121267 \ AO VERZ 26-20

Beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats],

appellante in de hoofdzaak,

verzoekster in het incident,

advocaat: mr. M. Botha te Montfoort,

tegen

[geïntimeerde],

wonend in [plaats],

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. M. Hoefs te Alkmaar.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift van 23 juli 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 april 2026 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als verzoekster en [geïntimeerde] als verweerster (hierna: de bestreden eindbeschikking).

Bij het beroepschrift in hoger beroep heeft [appellant] een incidenteel verzoek ex artikel 360 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. Hierin is verzocht dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van de eindbeschikking zal schorsen totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van het incident, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente, en uitvoerbaar bij voorraad.

[geïntimeerde] heeft daarop bij verweerschrift in het incident geconcludeerd dat het hof het incidentele verzoek zal afwijzen, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het incident, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

Partijen hebben desgevraagd ingestemd met afdoening van de zaak zonder mondelinge behandeling. Vervolgens is uitspraak in het incident gevraagd.

2. Beoordeling

Bij de bestreden eindbeschikking heeft de kantonrechter – voor zover in dit incident van belang – [appellant] veroordeeld om [geïntimeerde] toe te laten tot haar werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst en tot haar cateringwerkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [appellant] niet aan (elk van) de veroordelingen voldoet. Deze veroordelingen zijn (niet gemotiveerd) uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

[appellant] heeft bij dagvaarding van 2 juli 2026 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een executiegeschil ex artikel 438 lid 2 Rv aanhangig gemaakt en, onder meer, gevorderd de executie van de bestreden eindbeschikking te schorsen tot het hof op het ingestelde beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 23 juli 2026 de vordering tot schorsing van de executie afgewezen met dien verstande dat het [geïntimeerde] is verboden de volgens haar verbeurde dwangsommen te executeren met uitzondering van een (eenmalig) verbeurde dwangsom van € 500,00.

Het hof stelt voorop dat een geëxecuteerde, naast het recht om in kort geding een vordering tot schorsing van de executie in te stellen op grond van artikel 438 lid 2 Rv, in beginsel ook het recht toekomt een soortgelijke vordering door middel van een incident op grond van artikel 360 lid 2 Rv in te stellen in hoger beroep. Indien echter voordat in het incident in hoger beroep uitspraak is gedaan, de vordering tot schorsing krachtens artikel 438 lid 2 Rv is afgewezen en door de geëxecuteerde geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of anderszins zijn gebleken die een hernieuwde beoordeling van een dergelijke vordering rechtvaardigen, dan kan zulks meebrengen, afhankelijk van de aangevoerde grond voor de schorsing van de executie, dat het hof wegens strijd met de goede procesorde aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek niet meer toekomt.

De voorzieningenrechter heeft de in kort geding door [appellant] ingestelde vordering tot schorsing afgewezen. [appellant] heeft in de onderhavige procedure geen feiten en omstandigheden aangevoerd die een hernieuwde beoordeling van een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid rechtvaardigen. Het enkele feit dat [appellant] een herstel van het dienstverband inmiddels niet meer als mogelijkheid ziet, is daarvoor onvoldoende. Het hof zal daarom het incidentele verzoek van [appellant] afwijzen wegens strijd met de goede procesorde.

Het hof zal de beslissing over de proceskosten in dit incident aanhouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak. In de hoofdzaak wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

3. Beslissing

in het incident:

wijst het verzoek af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de eindbeschikking in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

bepaalt dat uiterlijk op 22 januari 2027 een verweerschrift door [geïntimeerde] zal kunnen worden ingediend;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Alwin, M.L.D. Akkaya en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand