GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.337.207/01
zaaknummer Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) : 4735
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
[eiser] , voorheen gemeente Muiden,
gevestigd te [plaats 1] , gemeente Gooise Meren,
eiseres,
advocaat: mr. S. Derksen te Amsterdam,
tegen
1. [gedaagde 1] .,
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3], in haar hoedanigheid van enig beherend vennoot van de commanditaire vennootschap [gedaagde 3] .,
allen gevestigd te [plaats 2] , gemeente Gooise Meren,
gedaagden,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen te Amsterdam,
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd.
1. De zaak in het kort
Partijen vragen (in twee samenhangende zaken waar dit er één van is) over en weer om partiële vernietiging van de door het Nederlands Arbitrage Instituut tussen hen gewezen arbitrale vonnissen, wegens een ontbrekende motivering, althans een motivering die met het ontbreken van een motivering op één lijn moet worden gesteld, en wegens schending van de openbare orde. Het hof wijst alle vorderingen af.
2. Het procesverloop
[eiser] heeft bij dagvaarding van 18 september 2023 een procedure aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin zij heeft geconcludeerd tot partiële vernietiging van de door het Scheidsgerecht gewezen arbitrale vonnissen in de door [gedaagden] op 8 mei 2019 tegen [eiser] aanhangig gemaakte arbitrage bij NAI (zaaknummer 4735).
Haar wederpartij, [gedaagden] , had hiervoor, op 31 augustus 2023, bij dagvaarding een procedure aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, strekkende tot partiële vernietiging van dezelfde arbitrale vonnissen, maar op andere gronden. Die zaak is thans bij dit hof in behandeling onder zaaknummer 200.337.201/01. In die zaak wordt ook heden arrest gewezen.
Vervolgens heeft het [gedaagden] bij incidentele conclusie strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van 10 oktober 2023 geconcludeerd dat [eiser] haar vernietigingsvordering niet binnen de hiervoor gestelde termijn heeft ingesteld en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft beide zaken ter vermijding van de schijn van partijdigheid bij arrest van 16 januari 2024 verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Het gerechtshof Amsterdam heeft voormelde incidentele vordering bij arrest van 25 juni 2024 afgewezen.
Partijen hebben in de hoofdzaak de volgende stukken ingediend:
- dagvaarding met producties;
- conclusie van antwoord met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 16 april 2025 laten toelichten. [eiser] door mrs. L.A. de Vries en S. Derksen, advocaten te Amsterdam en [gedaagden] door mrs. B. Rumora-Scheltema, D. den Blaauwen en M. Klaassen, advocaten te Amsterdam, allen aan de hand van overlegde spreekaantekeningen. Partijen hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt.
Ten slotte is arrest gevraagd
[eiser] heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [eiser] afwijst en [eiser] veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding met nakosten en rente.
Door geen van partijen is op voldoende concrete wijze bewijs aangeboden.
3. Feiten
Het Scheidsgerecht heeft in de door haar gewezen vonnissen de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.
[gedaagden] is sinds de jaren negentig van de vorige eeuw bezig de voormalige [bedrijf] in [plaats 2] te transformeren tot een hoogwaardig woon- en werkgebied. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken was samenwerking tussen [gedaagden] en [eiser] vereist.
Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 11 augustus 2010 geoordeeld dat [eiser] schadeplichtig is jegens [gedaagden] . Ter beslechting van langlopende juridische procedures hebben partijen in 2014 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VOK) gesloten. In de VOK lagen verscheidene compensatie-elementen ten bate van [gedaagden] besloten.
[eiser] heeft zich volgens [gedaagden] onvoldoende ingespannen om de verplichtingen van [eiser] voortvloeiende uit de VOK na te komen, waardoor [gedaagden] schade zou hebben geleden. Hierop is [gedaagden] een arbitrageprocedure bij het NAI gestart.
Het door het NAI aangewezen Scheidsgerecht heeft op 21 augustus 2020, op 24 maart 2021, op 24 januari 2022, op 6 april 2022 en op 15 december 2022 tussenvonnissen en op 2 juni 2023 eindvonnis gewezen. Hierin zijn de vorderingen van [gedaagden] grotendeels afgewezen. In de kwestie Ruilgronden heeft het Scheidsgerecht een schadevergoeding van
€ 1,8 miljoen toegewezen, waar € 37,8 miljoen was gevorderd. In de kwestie Hypotheken heeft het Scheidsgerecht geoordeeld dat [gedaagden] onvoldoende bewijs heeft geleverd van enig geleden financieel nadeel. Het Scheidsgerecht heeft [gedaagden] globaal in 3/4e deel van de in totaal gemaakte kosten veroordeeld en [eiser] in 1/4e deel.
4. Beoordeling
[eiser] heeft in de onderhavige procedure diverse gronden voor vernietiging aangevoerd. Volgens [eiser] zijn de vonnissen niet met redenen omkleed (artikel 1065 lid 1 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv.), heeft het Scheidsgerecht de opdracht geschonden (artikel 1065 lid 1 onder c Rv.) en zijn de vonnissen in strijd met de openbare orde wegens de wijze waarop de vonnissen tot stand zijn gekomen (artikel 1065 lid 1 onder e Rv.). [gedaagden] heeft alle aangevoerde gronden betwist.
Alvorens op basis van het partijdebat de aangevoerde gronden te beoordelen stelt het hof eerst vast dat de op motiveringsklachten gebaseerde vernietigingsgrond door het hof in beginsel terughoudend wordt getoetst; de vernietigingsprocedure is er niet voor bedoeld om elke motivering van het Scheidsgerecht te heroverwegen als ware het een (verkapte) beroepsprocedure. Het hof zal daarom de aangevoerde vernietigingsgronden voor zover gericht op de motivering door het Scheidsgerecht, terughoudend toetsen en wel aan het geheel ontbreken van enige motivering dan wel de aanwezigheid van een zo gebrekkige motivering dat deze in feite gelijk staat aan het ontbreken van een motivering , dan wel dat het Scheidsgerecht heeft nagelaten in te gaan op essentiële stellingen. Dezelfde, althans een vergelijkbare terughoudendheid zal het hof in acht nemen bij de beoordeling van de stellingen die de vernietigingsgrond zouden moeten opleveren, dat het Scheidsgerecht zich niet aan de opdracht zou hebben gehouden.
Deze terughoudendheid zal het hof niet als uitgangspunt hanteren bij de toetsing van de stellingen aan de opgevoerde vernietigingsgrond ‘strijd met de openbare orde’, welke grond van een zodanig fundamentele betekenis is dat deze ‘vol’ zal worden getoetst.
De klachten van [eiser] over de motivering van de vonnissen van het Scheidsgerecht (inclusief het beweerdelijk ontbreken van enige dan wel begrijpelijke motivering) hebben in hoofdzaak betrekking op het volgende:
- een feitelijk onjuiste weergave van de stellingen van [eiser] ;
- een onjuiste weergave van het partijdebat;
- een onjuiste interpretatie van de tussen partijen gesloten VOK;
- een gebrekkige, althans onduidelijke motivering van hetgeen [eiser] als schadeclaim moest verwachten;
- een ontoereikende motivering door het Scheidsgerecht van zijn oordeel ten aanzien van het compensatie-element in de VOK en de gevolgen daarvan, alsmede van de (‘onbegrijpelijke’) uitleg van artikel 13.2 van de VOK (‘een vangnetartikel’) en het daarbij gemist hebben van het verweer van [eiser] ;
- een ontoereikende of niet steekhoudende motivering van het oordeel dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende inspanningsverplichting, alsmede van de diverse beslissingen van het Scheidsgerecht met betrekking tot de schadeberekening en/of schadebegroting.
[eiser] heeft in de inleidende dagvaarding de drie aangevoerde vernietigingsgronden als volgt behandeld:
- hoofdstuk 1.4.1: schending openbare orde, in de dagvaarding uitgewerkt onder randnummers 37 tot en met 43;
- hoofdstuk 1.4.2: ontbreken motivering/motivering die daarmee op één lijn moet worden gesteld, kort en kennelijk als inleiding geduid in randnummers 44 en 45 en later verder uitgewerkt in de randnummers 59 tot en met 94 van de inleidende dagvaarding.
Het hof zal eerst de klachten over de motiveringen van het Scheidsgerecht beoordelen.
Blijkens randnummer 45 noemt [eiser] vijf concrete gevallen van een zo gebrekkige motivering dat deze met het ontbreken van een motivering gelijk moet worden gesteld:
- onderdeel a) ziet op de uitleg van de VOK (derde liggend streepje onder 4.3);
- onderdeel b) ziet op het oordeel dat [eiser] haar inspanningsverplichting zou hebben geschonden (zesde liggende streepje onder 4.3);
- onderdeel c) ziet op de schade(-kans) in relatie tot de (ontwikkeling van de) Ruilgronden (eveneens zesde liggend streepje onder 4.3);
- onderdelen d) en e) zien eveneens op genoemde schade-schatting (slotdeel zesde liggend streepje).
De eerste klacht van [eiser] over de motivering betreft de uitleg van de VOK, waarbij het Scheidsgerecht het in de VOK besloten liggende compensatie-element heeft uitgebreid tot de kwestie ‘Ruilgronden’. [eiser] betwist die uitbreiding. [gedaagde 1] niet.
In het eerste tussenvonnis heeft het Scheidsgerecht deze beslissing genomen en gemotiveerd (aangehaald onder randnummer 64, bestaande uit vier overwegingen van het Scheidsgerecht, te vinden in r.o. 7.22), welke motivering door [eiser] ‘te kort door de bocht’ (randnummer 63) en ‘simplistisch’ (randnummer 67) wordt genoemd, waarbij het Scheidsgerecht ‘een karikatuur’ (randnummer 76) van het standpunt van [eiser] zou hebben gemaakt. [eiser] heeft na het eerste tussenvonnis nader toegelicht waarom zij van mening was dat het Scheidsgerecht hierop in een volgend tussenvonnis zou moeten terugkomen. Het Scheidsgerecht heeft, gehoord partijen, in het tweede tussenvonnis gemotiveerd beslist dat het daarop niet wil en zal terugkomen. Ook de daarbij door het Scheidsgerecht gehanteerde motivering (verwijzend naar de jurisprudentie over het terugkomen op een bindende eindbeslissing) wordt (kennelijk) door [eiser] aangevochten als zijnde zodanig onvoldoende dat deze met het ontbreken van een motivering moet worden gelijkgesteld. Het hof deelt deze opvattingen van [eiser] niet. Blijkens de in r.o. 7.22 vastgelegde motivering heeft het viertal overwegingen dat daar vermeld staat het Scheidsgerecht gebracht tot zijn oordeel over de uitleg van de VOK, inclusief onder meer artikel 13.2 daarvan. Die motivering is gebaseerd op het partijdebat zoals het Scheidsgerecht dat heeft begrepen, kon en mocht begrijpen. Het Scheidsgerecht heeft in r.o. 2.2 van het tweede tussenvonnis expliciet de mogelijkheid opengehouden dat het, na de geuite kritiek van [eiser] , onder omstandigheden alsnog tot een van het eerste tussenvonnis afwijkende beoordeling zou komen: “Het moet in het bijzonder gaan om onjuistheden in vaststellingen of de beoordeling van het scheidsgerecht en niet (primair) om nadere zienswijzen van partijen.”. Aldus overwegend over de vraag of er redenen voor heroverweging in voormelde zin waren is het Scheidsgerecht vervolgens in r.o. 2.3 tot het volgende oordeel gekomen: “Arbiters zien grond noch aanleiding om terug te komen van hun oordeel in de nummer 7.6-10 van het eerste tussenvonnis over de aard en het karakter van de Overeenkomst en over de betekenis – in algemene zin – van artikel 13.2 van de Overeenkomst. Voor zover het betoog van [eiser] na het eerste tussenvonnis ertoe strekt dat arbiters dat oordeel heroverwegen, leidt dit dus niet tot een ander oordeel.” Dit oordeel valt niet anders te begrijpen dan dat [eiser] het Scheidsgerecht niet ervan overtuigd heeft dat de eerdere beoordeling door het Scheidsgerecht onjuist was; het door [eiser] te berde gebrachte leidt niet tot een ander oordeel. Samengevat komt deze gang van zaken er dus op neer dat het Scheidsgerecht in het eerste tussenvonnis tot een gemotiveerd oordeel is gekomen, waar [eiser] nadien tegen geageerd heeft, maar welke kritiek het Scheidsgerecht niet van de gestelde onjuistheid van zijn eerdere oordeel heeft overtuigd. Daarmee staat genoegzaam vast dat het oordeel wél gemotiveerd was en dat het gemotiveerd ‘napleiten’ door [eiser] niet tot een ander oordeel heeft geleid, hoewel het Scheidsgerecht die mogelijkheid op zichzelf wel onder ogen had gezien. De (dis-)kwalificaties door [eiser] van de motiveringen door het Scheidsgerecht missen daarmee feitelijke grondslag en kunnen dan ook niet tot toewijzing van de gevorderde vernietiging leiden. De overige op dit punt door [eiser] aangehaalde omstandigheden (bijvoorbeeld dat het Scheidsgerecht de verklaringen van Asselbergs en Backer niet heeft gebruikt) leiden niet tot een andere beoordeling; [eiser] stelt dienaangaande niet meer dan dat het genoemde personen niet bijstond dat er iets over compensatie in relatie tot de Ruilgronden zou zijn besproken of afgesproken. Het Scheidsgerecht mag verklaringen die niet meer inhouden dan dat hen ‘iets niet meer bijstaat’ terzijde leggen, omdat zij geen bewijs opleveren, laat staan beslissend bewijs. Deze klacht faalt.
In randnummer 88 e.v. verhaalt [eiser] de gang van zaken na het tweede tussenvonnis. Zij heeft opnieuw het Scheidsgerecht verzocht terug te komen op eerdere vaststellingen. Wederom gehoord [eiser] heeft het Scheidsgerecht in het derde tussenvonnis gemotiveerd dat het op het bestreden punt niet tot een ander oordeel komt, waarbij het Scheidsgerecht opnieuw inhoudelijk is ingegaan op de na het tweede tussenvonnis door [eiser] ingebrachte (reeds naar voren gebrachte én nieuwe) bezwaren. Ook hier spreekt [eiser] weer over een ‘karikatuur’ bij de weergave van haar standpunt, alsmede over onduidelijkheid over de relevantie van een door het Scheidsgerecht aangehaalde verklaring, om vervolgens wel inhoudelijk in te gaan op de inhoud van die verklaring. Uit alles wat [eiser] over het derde tussenvonnis naar voren brengt blijkt dat zij het niet eens is met de inhoud van dat vonnis, noch met de daarin wel degelijk opgenomen motiveringen. Hiermee is geenszins voldaan aan de hoge lat van ’het ontbreken van elke motivering, dan wel een zodanige motivering dat die daarmee gelijkgesteld moet worden’ (hierna tezamen: een ‘ongemotiveerd’ vonnis), waarbij het hof ook nog de door het hof in acht te nemen terughoudendheid in herinnering brengt. Tot zover de beoordeling van hetgeen [eiser] aan de orde heeft gesteld met betrekking tot haar klacht dat het Scheidsgerecht de VOK verkeerd zou hebben uitgelegd. Dit klachtonderdeel faalt.
,
De opmerkingen van [eiser] onder randnummers 92 tot 94 over de beïnvloeding van de voorzitter van het Scheidsgerecht missen in het kader van de vernietigingsvordering elke relevantie, nog daargelaten dat [eiser] in dit kader niet heeft verwezen naar enige vernietigingsgrond.
[eiser] heeft (na een ‘inleiding’ in randnummers 95 tot en met 104) in randnummer 105 haar klacht toegelicht dat het Scheidsgerecht in het eerste tussenvonnis ‘geen objectief beeld heeft geschetst van de standpunten van partijen’. Het hof ontgaat hier de relevantie van het adjectief ‘objectief’, omdat klachten over een vermeend gebrek aan onpartijdigheid niet thuishoren in een vernietigingsprocedure, althans niet ten aanzien van de hier aan de orde zijnde vernietigingsgrond ‘geen of volstrekt onvoldoende motivering’.
In randnummer 107 stelt [eiser] dat het Scheidsgerecht de relevante feiten onzorgvuldig en onjuist heeft weergegeven. Het hof houdt het erop dat [eiser] zich niet kan vinden in de beslissingen van het Scheidsgerecht ter zake de relevante feiten. [eiser] heeft hier o.m. kritiek op feitenvaststellingen betreffende het aantal keren dat [eiser] met de Provincie heeft overlegd (niet één, maar ‘meer’) en op de betekenis die aan bepaalde correspondentie moet worden toegekend en deze stellingen zouden de conclusie van [eiser] moeten onderbouwen, dat ‘het Scheidsgerecht het springende punt mist’. Wat er ook van deze feitenvaststellingen zij, ook als de bestreden vaststellingen op deze niet als doorslaggevend ogende punten niet of niet helemaal juist zouden zijn, is daarmee niet voldaan aan het (door het hof terughoudend te toetsen) criterium van een ‘ongemotiveerd’ vonnis. Kenmerkend voor de wijze waarop [eiser] de inhoud van de vonnissen van het Scheidsgerecht ‘fileert’ is haar commentaar (randnummer 112) op r.o. 7.19 van het eerste tussenvonnis, waarin het Scheidsgerecht in het kader van de feiten spreekt over “de in de Overeenkomst voorziene, beoogde overdracht van de Ruilgronden”. [eiser] merkt dienaangaande op dat de ontwikkeling van de Ruilgronden onzeker was en dus niet ‘voorzien’ of ‘beoogd’. Ten onrechte beschouwt [eiser] deze kritiek als relevant voor het door haar te leveren bewijs van een ‘ongemotiveerd’ vonnis. [eiser] maakt in vergelijkbare zin ook vergeefs bezwaar tegen het woordgebruik van het Scheidsgerecht dat [eiser] ‘ambtelijk gesondeerd’ (randnummer 114) heeft, waartegenover [eiser] stelt dat zij intensieve gesprekken heeft gevoerd met Rijkswaterstaat en de Provincie.
Hetgeen [eiser] in randnummer115 e.v. naar voren brengt met betrekking tot het al dan niet ontstaan van een impasse kan evenmin voldoen aan de stelplicht van [eiser] ter zake een ‘ongemotiveerd’ vonnis. Het hof is van oordeel dat ook de klacht van [eiser] over de gebrekkige feitenvaststelling die een ‘ongemotiveerd’ vonnis zouden hebben opgeleverd, faalt.
In randnummer 119 klaagt [eiser] erover dat het Scheidsgerecht op een bepaald punt een feit heeft vastgesteld zonder dat het eerst een bewijsopdracht heeft gegeven. [eiser] vermeldt daarbij niet dat zij op dat punt ook een adequaat, ter zake dienend bewijsaanbod heeft gedaan van enig concreet feit dat, indien bewezen, tot een ander oordeel zou hebben kunnen leiden, noch dat de arbiters aan deze bewijsregel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gebonden zouden zijn. Het ontgaat het hof waarom, in genoemde context, deze vaststelling door het Scheidsgerecht relevant zou zijn voor de klacht van [eiser] dat er ernstige motiveringsgebreken aanwezig zouden zijn. Ook deze klacht faalt.
Hetgeen [eiser] in randnummer 120 naar voren brengt ziet kennelijk eveneens op een verzoek aan het Scheidsgerecht om na het eerste tussenvonnis terug te komen op een (andere dan hiervoor besproken) feitelijke vaststelling in dat vonnis. [eiser] heeft haar voorstel om alsnog een verzoek te doen aan het Rijk en de Provincie voor medewerking aan het project, pas gedaan nadat het Scheidsgerecht de tekortkoming had vastgesteld. In dat licht (het verzoek om terug te komen op een eerdere vaststelling) dient het oordeel in het tweede tussenvonnis te worden gelezen, dat het voorstel van [eiser] ‘nu te laat’ is, want het Scheidsgerecht had geen reden om terug te komen op de inhoud van het eerste tussenvonnis. Deze motivering kan die beslissing dragen, maar ook als dat anders zou zijn dan is ook hier geen sprake van een óngemotiveerd’ vonnis. Hetgeen [eiser] onder randnummer126 opmerkt (dat het Scheidsgerecht niet alsnog gelegenheid heeft geboden om schriftelijke stukken over te leggen) treft hetzelfde lot: het Scheidsgerecht hoefde dat niet te doen ( [eiser] heeft er immers kennelijk zelf voor gekozen deze stukken niet eerder te overleggen). Bovendien heeft deze omstandigheid geen betrekking op een motiveringsgebrek. De klachten (randnummer 128) over omdraaiing van de bewijslast, het geen gelegenheid tot bewijslevering geven en de ‘ondeugdelijke procedurele gang van zaken’ en/of ‘disbalans’ waarover [eiser] hier spreekt hebben evenmin betrekking op in dit verband relevante motiveringsklachten. De klacht faalt.
In hoofdstuk 4 klaagt [eiser] over de invulling door het Scheidsgerecht van het project Ruilgronden, waarbij voor de opdracht aan derden tot schadeberekening eerst een ‘tuincentrum/outletachtige opzet’ tot uitgangspunt zou zijn gekozen, maar later (ongemotiveerd) ruimte voor een andere invulling binnen de bepalingen van de VOK niet werd uitgesloten. Volgens [eiser] is het Scheidsgerecht hiermee ook buiten de rechtsstrijd en daarmee buiten de opdracht getreden (een separate vernietigingsgrond). Het standpunt van [eiser] miskent dat deze verruiming slechts heeft geleid tot het doorrekenen van alternatieve ontwikkelscenario’s; deze verruiming van de te onderzoeken mogelijkheden zag slechts op het onderzoek en heeft niet rechtstreeks geleid tot de beslissing van het Scheidsgerecht. De klacht faalt.
In hoofdstuk 5 klaagt [eiser] over de schadeberekening, meer in het bijzonder over de 50%-benadering door het Scheidsgerecht. [eiser] heeft daarbij ook kritiek op het feit dat het Scheidsgerecht de schade heeft geschat in plaats van berekend. Als [eiser] hierin een motiveringsgebrek (omdat ‘geschat’ niet ‘gemotiveerd’ zou zijn) ziet, dan miskent [eiser] dat het tot de taak van het Scheidsgerecht mag worden gerekend om bij gebreke van voldoende andere ‘harde’ aanknopingspunten een schatting van de schade te maken. Een dergelijke schatting kan niet anders dan gebaseerd worden op alle omstandigheden van het geval, waarbij de arbiters naar beste kunnen een inschatting maken van de goede en kwade kansen. Dat is geen zuiver rekenkundige exercitie, althans daaraan mag niet de eis gesteld worden dat alle ‘variabelen’ in concrete cijfers worden uitgedrukt om pas daarmee aan de eis van een voldoende motivering te voldoen. Een dergelijke benadering miskent de aard van het bij schatting vaststellen van een schadebedrag. Door op een dergelijke wijze invulling te geven aan de taak van het Scheidsgerecht om, desnoods door een schatting, een juist schadebedrag vast te stellen kan daaraan niet de consequentie verbonden worden dat die schatting in de categorie ‘ongemotiveerd’ valt. Dat na de keuze van het Scheidsgerecht voor een 50%-benadering zowel [eiser] (die het te hoog vond) als [gedaagde 1] (die het te laag vond) het Scheidsgerecht hebben verzocht het percentage aan te passen (meer in het bijzonder: te verlagen, respectievelijk te verhogen) maakt duidelijk dat de keuze voor een percentage naar haar aard enigszins ‘arbitrair’ is en doorgaans niet ‘hard’ kan worden voorgerekend. Dat is echter geen argument om dat arbitrale oordeel wegens onvoldoende motivering (omdat het is gebaseerd op een schatting) te vernietigen, zoals [eiser] vergeefs heeft gevorderd. De klacht faalt.
[eiser] klaagt vervolgens ook over de waardering door het Scheidsgerecht van haar verweer dat er wegens publiekrechtelijke kaders geen reële kans op ontwikkeling was en stelt dat het Scheidsgerecht dit verweer ‘niet op haar merites heeft beoordeeld’ (randnummer 147). Vervolgens stelt [eiser] dat het Scheidsgerecht dit ‘publiekrechtelijk’ verweer weliswaar heeft meegewogen in haar schattingen, maar dat het Scheidsgerecht daarbij geen concreet percentage (de kans op succes dat het publiekrechtelijk verweer faalt) heeft genoemd ten aanzien van dit ‘publiekrechtelijk’ verweer. Deze klacht faalt eveneens op grond van hetgeen onder 4.9 is overwogen: bij de weging van vele variabele factoren hoeft niet elke factor van een concreet getal/percentage te worden voorzien. Het ontbreken van een concreet op een getal gewaardeerd onderdeel van het totaal aan factoren brengt in zo’n situatie niet met zich mee dat daarmee het oordeel als ‘ongemotiveerd’ heeft te gelden in een vernietigingsprocedure, waarin het hof bovendien met terughoudendheid deze (en andere) motiveringen moet toetsen. Het hof komt in dit specifieke geval tot het oordeel dat het Scheidsgerecht met de schatting een billijkheidsoordeel mocht geven zonder elk onderdeel van een concrete, cijfermatige waardering te voorzien. [eiser] miskent bovendien dat uit de uitkomst van de waardering van diverse factoren op 50% reeds blijkt dat het element ‘publiekrechtelijk verweer’ niet, zoals door [eiser] is gesteld, op een kans van 1% is geschat, omdat daarmee de ‘overall’ uitkomst nooit 50% kon zijn. Daarmee is voor [eiser] voldoende duidelijk geworden dat haar stelling dat de kans slechts 1% zou zijn door het Scheidsgerecht niet is overgenomen. De stelling van [eiser] dat het Scheidsgerecht met zijn keuze voor 50% zou hebben gezegd dat zij het ook niet weten en dus maar op 50% zijn gaan zitten (randnummer 150) is niet alleen ongemotiveerd, maar vindt ook geen enkele steun, waar dan ook in de tekst van één van de vonnissen en mist daarmee feitelijke grondslag. De klacht faalt.
In randnummer 150 stelt [eiser] zonder nadere toelichting: “Het handelen van het Scheidsgerecht is onacceptabel, voldoet niet aan de eisen aan een eerlijk proces en is daarmee in strijd met de Nederlandse openbare orde.”. Een andere grondslag, specifiek voor deze aangevoerde vernietigingsgrond ontbreekt. Door [eiser] zijn (behoudens het hierna in 4.13 besprokene) geen schendingen van hoor en wederhoor gesteld, noch enige andere dan de hiervoor niet nader toegelichte stelling. Daarmee heeft [eiser] niet aan haar stelplicht voldaan en kan haar vordering niet op deze grondslag worden toegewezen.
In hoofdstuk 6 klaagt [eiser] over de schadebegroting. Ook de hier ingenomen standpunten van [eiser] miskennen dat het partijdebat over de schadebegroting is gevoerd en dat het Scheidsgerecht de daarbij aangevoerde argumenten heeft gewogen en uiteindelijk tot een eigen berekening van het schadebedrag is gekomen, op basis van dat debat met verwijzing naar de aan te leggen Haviltexmaatstaf. Op grond van die maatstaf moest het Scheidsgerecht alle feiten en omstandigheden meewegen, waarvan het deskundigenrapport en de daarin opgenomen berekeningen er één was. Maar niet één waar het Scheidsgerecht niet van af mocht wijken. Dat [eiser] de daarbij door het Scheidsgerecht gebruikte motiveringen ‘onbegrijpelijk’ en ‘onlogisch’ vindt komt voor haar eigen rekening en geeft veeleer uitdrukking aan haar ongenoegen bij de uitkomst dan dat duidelijk is geworden dat de motiveringen inderdaad ‘onbegrijpelijk’ dan wel ‘onlogisch’ zouden zijn, welke kwalificaties het hof niet tot de zijne maakt. Daarmee is ook op dit punt niet komen vast te staan dat de motivering onder de schadebegroting geheel ontbrak, dan wel zodanig onbegrijpelijk was dat deze met het ontbreken van elke motivering gelijkgesteld moet worden. De klacht faalt.
In randnummer 155 klaagt [eiser] over een ‘verrassingsbeslissing’ van het Scheidsgerecht omdat dit anders dan de deskundigen niet van een ‘tuincentrum/outlet-achtige opzet’ zou zijn uitgegaan maar van de bouw van kantoorvilla’s. Dit is door [gedaagde 1] gemotiveerd bestreden, omdat de eerstgenoemde opzet slechts ‘indicatief’ zou zijn geweest en ook voor het Scheidsgerecht eerder niet vaststond dat dit de enige te onderzoeken optie zou zijn. Wat wel vastlag was de inhoud van artikel 6.7.1 van de VOK. Hierover is tussen partijen ten overstaan van het Scheidsgerecht een partijdebat gevoerd, zodat de stelling dat de ruimere uitleg door het Scheidsgerecht een ‘verrassingsbeslissing’ was feitelijke grondslag mist. De conclusie dat het Scheidsgerecht met de ‘verrassingsbeslissing’ het beginsel van hoor en wederhoor en daarmee de Nederlandse openbare orde zou hebben geschonden mist dus evenzeer feitelijke grondslag. De klacht faalt.
Ook de afwijking door het Scheidsgerecht van de door de deskundigen berekende hypothetische schade wordt door [eiser] als ongemotiveerd en onbegrijpelijk gekwalificeerd. [eiser] vindt de door het Scheidsgerecht gegeven motivering ‘absurd’. Het hof, op dit punt terughoudend toetsend, stelt vast dat er door het Scheidsgerecht wel een dragende motivering is gegeven voor de gekozen afwijking, zodat het geen geheel ongemotiveerd oordeel is. De motivering is op zichzelf niet onbegrijpelijk en voldoet daarmee niet aan het criterium ‘zodanig dat deze met het ontbreken van een motivering is gelijk te stellen’, waarbij zij opgemerkt dat het hof ook hier terughoudend toetst. Hetzelfde lot treft de klacht van [eiser] over de aanname door het Scheidsgerecht dat Rijkswaterstaat wel tot concessies bereid zou zijn geweest. Ook die aanname is gemotiveerd en de motivering is begrijpelijk. Het is niet aan het hof om de inschatting van de diverse door het Scheidsgerecht meegewogen factoren ‘over te doen’: het hof mag slechts met inachtneming van terughoudendheid toetsen of er een motivering is gegeven en of die motivering in voldoende mate begrijpelijk is. Dat is hier het geval. De klacht faalt.
De door [eiser] aangevoerde vernietigingsgrond dat het Scheidsgerecht buiten de opdracht is getreden is in de processtukken van [eiser] nauwelijks aangehaald en/of toegelicht. Slechts in verband met de motiveringsklachten is het een enkele keer genoemd, maar zonder verdere uitwerking. Daarmee stelt het hof vast dat deze grondslag onvoldoende uit de verf is gekomen, kennelijk zelfstandige betekenis mist en uiteindelijk niet is komen vast te staan. Het hof oordeelt op dit punt dat het Scheidsgerecht uitvoering aan de opdracht heeft gegeven en daarbij geen onderwerpen heeft behandeld, laat staan beslissingen heeft genomen die niet rechtstreeks uit de opdracht voortvloeiden, dan wel daarmee in een voldoende verband stonden. De klacht mist daarom feitelijke grondslag, [eiser] heeft niet aan haar stelplicht op dit punt voldaan en de klacht faalt.
5. Conclusies
Samengevat blijkt uit hetgeen onder 4 (4.1 tot en met 4.15) door het hof is overwogen en beslist dat de klachten van [eiser] tegen de vonnissen van het Scheidsgerecht falen. Uit de vonnissen blijkt het hof genoegzaam dat het Scheidsgerecht de door [eiser] opgevoerde relevante stellingen en verweren wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken en heeft getracht deze met de door het Scheidsgerecht aangevoerde motiveringen te verwerpen, respectievelijk te weerleggen. Dat [eiser] zich in die beoordeling, naar uitkomst of diepgang, niet kan vinden is onvoldoende voor de gevorderde vernietiging, omdat daarmee niet aan het criterium is voldaan dat de beoordelingen en de daarop gebaseerde vaststellingen en beslissingen van het Scheidsgerecht in het geheel niet gemotiveerd zijn of – daarmee in dit verband gelijk te stellen – zodanig gebrekkig gemotiveerd zijn dat deze die vaststellingen en beslissingen onnavolgbaar en volstrekt onbegrijpelijk maken. Ook is het hof niet gebleken dat het Scheidsgerecht enig substantieel verweer van [eiser] niet in zijn beoordeling heeft betrokken; ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof komt op dat punt tot een ander oordeel dan [eiser] en wijst daarom de vordering tot vernietiging op deze grond af.
Hetzelfde lot treft het betoog van [eiser] dat het Scheidsgerecht het beginsel van hoor en wederhoor, meer in het bijzonder het bewijsrecht onjuist zou hebben toegepast, dan wel dat zijn beslissingen op dat punt onjuist waren. Het Scheidsgerecht was niet gehouden tot toepassing van het wettelijk bewijsrecht, noch heeft het dienaangaande beslissingen genomen zonder enige dan wel toereikende motivering of zonder toepassing van hoor en wederhoor. Dat [eiser] zich in die beslissingen niet kan vinden is voor vernietiging onvoldoende. Met de keuze voor arbitrage zonder het recht van hoger beroep heeft [eiser] geen recht op een volle herbeoordeling van de beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering door het Scheidsgerecht, anders dan zij kennelijk beoogt. De wettelijke norm voor vernietiging op motiveringsgebreken wordt door [eiser] in deze zaak niet gehaald.
De door [eiser] tegen de motivering van de vonnissen ingebrachte bezwaren zouden ook de conclusie moeten dragen dat het Scheidsgerecht door te beslissen zoals het heeft gedaan buiten zijn opdracht is getreden. Voor zover deze conclusie gedragen zou worden door de stellingen van [eiser] heeft het hof hiervoor reeds vastgesteld dat het Scheidsgerecht de beslissingen voldoende gemotiveerd heeft en het hof ziet geen feitelijke grondslag voor de stelling van [eiser] dat het Scheidsgerecht daarbij buiten het toepassingsbereik van zijn opdracht zou zijn getreden.
6. Strijd met de openbare orde
6. Door [eiser] is ten slotte nog aangevoerd dat het Scheidsgerecht met zijn vonnissen en de wijze van totstandkoming daarvan in strijd met de openbare orde heeft gehandeld, omdat het Scheidsgerecht de beginselen ‘equality of arms’ en ‘hoor en wederhoor’ zou hebben geschonden. [eiser] voert daartoe aan dat het Scheidsgerecht zonder bewijslevering een stelling van [gedaagden] zou hebben overgenomen en dat het de bewijslast zou hebben omgekeerd, niet getoetst zou hebben aan het dwingendrechtelijk publiek kader en tot een ‘arbitraire’ kanseninschatting zou zijn overgegaan, met verruiming van de feitelijke grondslag. Ook deze stellingen treffen geen doel. De beoordeling van stellingen en verweer, alsmede de bewijsbeslissingen zijn voorbehouden aan het Scheidsgerecht en over de uitkomst daarvan kan vanzelfsprekend getwist worden, maar met die betwisting alleen is de lat voor schending van genoemde beginselen niet gehaald. Hetgeen [eiser] heeft gesteld is daartoe onvoldoende. [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het Scheidsgerecht buiten de feitelijke grondslag van het partijdebat is getreden. Anders dan [eiser] kennelijk meent is daartoe onvoldoende dat het Scheidsgerecht met een eigen inschatting van diverse scenario’s komt en een eigen schatting van de schade maakt. Tot dat laatste is het Scheidsgerecht immers gehouden indien er sprake is van meerdere scenario’s. Van enige schending van genoemde beginselen is niet gebleken, laat staan van een voor vernietiging voldoende ernstige schending.
7. Proceskosten
[eiser] heeft geen aparte gronden aangevoerd waarom de beslissingen van het Scheidsgerecht ten aanzien van de verdeling van de gemaakte proceskosten (3/4e deel voor rekening van [gedaagden] , 1/4e deel voor rekening van [eiser] ) door het hof vernietigd zou dienen te worden. Omdat het hof tot het oordeel komt dat de door [eiser] aangevoerde vernietigingsgronden niet slagen, treft de vordering tot vernietiging van de beslissingen ten aanzien van de proceskosten hetzelfde lot.
Aangezien de vorderingen van [eiser] alle worden afgewezen dient [eiser] in beginsel met de kosten van het geding te worden belast. Dit geldt echter niet voor de kosten van het incident, aangezien de vordering van [gedaagden] in het incident is afgewezen en de kosten daarvan dus voor rekening van [gedaagden] dienen te komen. Daarom zal het salaris advocaat in het incident (1 punt) worden afgetrokken van het salaris advocaat in de hoofdzaak (2 punten, waarvan dus 1 punt wordt toegewezen).
Door [eiser] zijn geen andere feitelijke en/of juridische gronden aangevoerd die, indien juist bevonden, tot een andere beoordeling kunnen leiden. De vorderingen van [eiser] worden daarom alle afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, de kosten van het incident daarin begrepen.
Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 783,00
- salaris advocaat € 1.214,00 +
Totaal € 1.997,00
8. Beslissing
Het hof:
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in zoverre dat, onder compensatie van de kosten van het incident, [eiser] de tot op heden aan de zijde van [gedaagden] vastgestelde kosten aan [gedaagden] dient te vergoeden en stelt deze vast op € 1.997,00 en op € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. van der Burg, H.T. van der Meer en W. Aardenburg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026