ECLI:NL:GHAMS:2026:2933

ECLI:NL:GHAMS:2026:2933

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 23-002655-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2025:14083

Samenvatting

Vrijspraak voor verkrachting.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in hoger beroep van 29 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van dat wat de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2020 te [plaats] , gemeente Den Helder, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten

- het met zijn, verdachtes, hand en/of vinger(s) binnendringen in de vagina van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of (vaginale) gemeenschap hebben met die [slachtoffer] en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten pijpen,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,

- onverhoeds het ondergoed van die [slachtoffer] aan de kant heeft geschoven en/of

- nadat die [slachtoffer] zijn, verdachtes, hand had weggetrokken/geduwd en/of aangegeven dat het gedrag ongewenst was, is doorgegaan met de hiervoor genoemde handeling en/of

- bovenop die [slachtoffer] is gaan liggen en/of

- het hoofd van die [slachtoffer] naar/in de richting van zijn penis heeft geduwd en/of vervolgens heeft vastgehouden en/of

- genoemde handelingen op een onverhoedse wijze heeft verricht zonder dat die [slachtoffer] die kon verhinderen en/of hier tegen (direct) verzet kon bieden en/of

- nadat die [slachtoffer] (nogmaals) had aangegeven dat het gedrag ongewenst was, is doorgegaan;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de toen nog minderjarige verdachte op 28 juni 2020 de toen eveneens nog minderjarige aangeefster (hierna: [slachtoffer] ) heeft verkracht en heeft hem daarvoor veroordeeld tot een jeugddetentie van 4 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Ook heeft de rechtbank beslist dat de verdachte aan [slachtoffer] een immateriële schadevergoeding moet betalen.

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een vrijspraak komt.

Vrijspraak

Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank kan worden bevestigd. De advocaat-generaal acht de aangifte betrouwbaar omdat die specifiek, gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent is en ook de rechtspsycholoog in zijn rapport heeft geconcludeerd dat het lijkt te gaan om authentieke herinneringen. Het benodigde steunbewijs kan worden gevonden in de verklaring van getuige [getuige 4] over de shock en emoties die zij diezelfde avond nog bij [slachtoffer] heeft waargenomen. Ook beschouwt de advocaat-generaal een instagrambericht uit 2022 van [slachtoffer] aan de verdachte als steunbewijs, waarin [slachtoffer] aan de verdachte onder meer schreef: ‘terwijl jij heel goed weet dat ik het niet wilde’.

Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

De verdachte heeft verklaard dat de seks misschien wat onhandig en stuntelig is verlopen, maar dat hij niet heeft gemerkt dat deze tegen [slachtoffer] ’s wil plaatsvond. [slachtoffer] heeft op enig moment wel gezegd dat zij pijn had, maar toen zijn ze van positie gewisseld en daarna heeft zij dit niet herhaald. Zij heeft volgens de verdachte niet gezegd dat ze het niet wilde. Hij heeft ook niet gemerkt dat zij zijn hand wegduwde, haar benen bij elkaar hield, of haar hoofd wegdraaide. Zij heeft hem juist terug gezoend en heeft ook aangeboden de verdachte te pijpen. Een bericht uit 2022 waarin [slachtoffer] hem schreef dat hij ‘heel goed wist dat zij het niet wilde’, heeft hij heel anders geïnterpreteerd, in die zin dat zij het er met elkaar over hadden dat zij niet wilde dat hij anderen zou vertellen dat zij seks hadden gehad, wat hij tegen die afspraak in toch had gedaan. De raadsman heeft aangevoerd dat de lezing van de verdachte dat de seks niet onder dwang heeft plaatsgevonden, onvoldoende kan worden uitgesloten door de bewijsmiddelen. Mede door het tijdsverloop tussen het tenlastegelegde en het moment van aangifte doen en het horen van de getuigen, is niet meer goed vast te stellen of er in de loop van de tijd sprake is geweest van vervorming en beïnvloeding van herinneringen. De verdediging heeft gewezen op het rapport van de rechtspsycholoog dat in hoger beroep is opgesteld, waaruit volgt dat beide scenario’s naast elkaar konden bestaan. Er was namelijk sprake van signalen van de aangeefster dat zij de seks niet wilde, maar het was ook mogelijk dat de verdachte die signalen onvoldoende heeft kunnen opmerken. Het (voorwaardelijk) opzet op de voor verkrachting vereiste ‘dwang’ kan daarom niet worden bewezen, aldus de verdediging.

Oordeel van het hof Inleiding Het hof stelt vast dat tussen de verdachte en [slachtoffer] niet ter discussie staat dat zij op 28 juni 2020 seks hebben gehad, waarbij de seksuele handelingen zoals tenlastegelegd hebben plaatsgevonden. Ook niet ter discussie staat dat er wel met wederzijdse toestemming is gezoend en dat de aangeefster op enig moment ook heeft aangeboden om de verdachte te pijpen. Wel lopen de verklaringen van de verdachte en [slachtoffer] uiteen over of en zo ja hoe duidelijk [slachtoffer] signalen heeft afgegeven dat de seks tegen haar wil plaatsvond.

Dwang Op 1 juli 2024 is de zedenwetgeving gewijzigd. Waar het onder de oude wetgeving vereist was ‘dwang’ in de zin van het ‘doorbreken van de wil van de ander’, te bewijzen, heeft dit in de Wet Seksuele Misdrijven plaatsgemaakt voor ‘de ontbrekende wil bij de ander’. Van een ontbrekende wil onder deze nieuwe wetgeving is sprake als er geen positieve wilsuiting is.

De aan de verdachte ten laste gelegde verkrachting heeft zich echter afgespeeld in 2020, zodat het hof de feiten moet beoordelen aan de hand van de "oude" zedenwetgeving. Bij artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht staat het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid dwingen van de ander tot (het plegen of ondergaan van) de seksuele handelingen centraal. Van de voor verkrachting vereiste dwang kan sprake zijn wanneer de verdachte gebruik heeft gemaakt van geweld, bedreiging met geweld of van zogenaamde ‘feitelijkheden’. Dit zijn gedragingen die in de gegeven omstandigheden iemand kunnen dwingen de seksuele handelingen te dulden of te plegen. Te denken valt aan het aanwenden van overwicht, gebiedende woorden of onverhoeds handelen. Deze dwang kan gedurende een seksuele ontmoeting ook geleidelijk of plotseling ontstaan.

In de dwang ligt het voor verkrachting vereiste opzet bij de verdachte besloten: het moet komen vast te staan dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de seksuele handelingen bestaande uit het seksueel binnendringen tegen haar wil heeft ondergaan. Hiervan zal doorgaans sprake zijn als door de verdachte op het slachtoffer geweld wordt uitgeoefend of wordt gedreigd met geweld voorafgaand aan of tijdens de seks, of wanneer sprake is van (aanhoudende) uitlatingen en bewegingen van het slachtoffer die duiden op kenbaar verzet tegen de seks. Maar van verkrachting kan ook sprake zijn als de verdachte door middel van feitelijkheden opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen het seksuele binnendringen heeft kunnen verzetten, of dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken.

Naarmate die feitelijkheden minder als vanzelfsprekend dwingend zijn, zal meer gewicht toekomen aan het samengaan met een kenbare vorm van verzet bij het slachtoffer, en naarmate dat verzet juist minder of niet kenbaar is, zal meer gewicht toekomen aan de dwingende aard van de feitelijkheden om te kunnen komen tot de conclusie dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer de seksuele handelingen tegen haar wil heeft ondergaan.

Steunbewijs Zedenzaken laten zich er vaak door kenmerken dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de tenlastegelegde handelingen, net als hier. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun vinden in ander bewijs en op grond daarvan moet ook met voldoende overtuiging de dwang, zoals hiervoor omschreven, bewezen kunnen worden geacht.

Uit vaste rechtspraak volgt dat (zogeheten de auditu-) getuigenverklaringen die enkel gaan over wat een slachtoffer heeft verteld over het gebeurde, niet het vereiste steunbewijs kunnen opleveren omdat zij terugleiden naar dezelfde bron. Wel kunnen eigen waarnemingen van getuigen van bijvoorbeeld emoties of een gewijzigde toestand bij het slachtoffer dat steunbewijs opleveren. Ook daarvoor geldt dat het hof op grond van het steunbewijs voldoende onderscheid moet kunnen maken tussen het scenario van [slachtoffer] en het scenario van de verdachte.

Beoordeling van het hof Het hof stelt voorop dat er - ook ondanks het feit dat de aangifte ruim drie jaar later is gedaan - geen reden is om eraan te twijfelen dat [slachtoffer] de seks niet heeft gewild, dat het haar pijn heeft gedaan en dat het voor haar daarom een nare ervaring is geweest, waar zij nog steeds last van heeft. De vraag is of kan worden bewezen dat de verdachte haar heeft gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan, wat de verdachte zelf stellig ontkent.

Het hof concludeert, anders dan de advocaat-generaal, dat het instagrambericht uit 2022 geen steunbewijs oplevert voor de tenlastegelegde dwang, omdat niet onaannemelijk is dat de verdachte het betreffende gesprek alleen maar heeft gerelateerd aan zijn keuze om dezelfde avond nog aan vrienden te vertellen dat hij seks met [slachtoffer] had gehad.

De volgende vraag is of het steunbewijs in de afgelegde getuigenverklaringen kan worden gevonden.

Het hof stelt vast dat diverse personen met wie de aangeefster blijkens het dossier kort na het gebeurde contact heeft gehad, niet hebben verklaard over het waarnemen van emoties of een gewijzigde gemoedstoestand bij [slachtoffer] .

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hem niets is opgevallen toen [slachtoffer] en de verdachte terugkwamen van het uitlaten van de hond en dat hij zich - in tegenstelling tot wat [slachtoffer] daar zelf over heeft verklaard - niet kan herinneren dat [slachtoffer] toen aan het trillen was.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar de ochtend daarna wel heeft verteld dat ze seks met de verdachte had gehad. [slachtoffer] zou haar hebben verteld dat het niet helemaal goed ging, dat ze pijn had in haar rug en dat ze het op een gegeven moment niet meer wilde en het geen fijne plek was. [getuige 2] verklaart dus wel van [slachtoffer] te hebben gehoord dat ze de seks niet had gewild, maar zij verklaart niet over het waarnemen van een bepaalde emotie of een gewijzigde toestand bij [slachtoffer] . Hetzelfde geldt voor getuige [getuige 1] , hij heeft verklaard dat hij - vermoedelijk ergens in 2021 - van [slachtoffer] heeft gehoord dat zij tegen haar wil seks met de verdachte had gehad, waarbij zij ook nee zou hebben gezegd en haar benen zou hebben dichtgehouden.

Deze verklaringen leveren naar het oordeel van het hof zowel afzonderlijk als in samenhang, niet het vereiste steunbewijs op, omdat zij zijn terug te leiden naar de verklaring van de aangeefster zelf en geen eigen waarnemingen, ten aanzien van haar emoties of gewijzigde gemoedstoestand na de seks met de verdachte, bevatten.

Getuige [getuige 4] heeft wel verklaard dat zij [slachtoffer] , toen zij terugkwam op het feestje zag huilen en dat zij in shock leek, waarna [slachtoffer] haar vertelde dat zij tegen haar wil seks had gehad met de verdachte en dat hij niet te stoppen was. [slachtoffer] zou meerdere keren nee hebben gezegd. Ten aanzien van deze verklaring, voor zover die ziet op [slachtoffer] ’s emoties, overweegt het hof dat deze ook zou kunnen passen bij de omstandigheid dat [slachtoffer] de seks niet had gewild, maar dat de verdachte de signalen daarvan niet heeft meegekregen, zodat het hof op grond hiervan onvoldoende tussen de twee scenario’s kan onderscheiden.

Het hof neemt bij de waardering van de aangifte en de getuigenverklaringen ook de inhoud van het rapport van rechtspsycholoog Wolters in ogenschouw. Dit rapport is in hoger beroep opgesteld. De rechtspsycholoog heeft een oordeel gegeven over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] en concludeert dat, omdat [slachtoffer] in de loop van de tijd met getuigen heeft gesproken, niet uit te sluiten is dat haar herinnering aan het incident en die van de getuigen elkaar wederzijds hebben beïnvloed. Ook is niet uit te sluiten dat [slachtoffer] ’s beschrijving van het verzet in de aangifte sterker en meer eenduidig is geweest, dan dat feitelijk het geval was, omdat haar herinnering daaraan in de loop van de tijd kan zijn beïnvloed. Deze conclusies maken dat het hof met extra behoedzaamheid naar zowel de aangifte als de getuigenverklaringen kijkt.

Al met al is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte [slachtoffer] heeft verkracht.

Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Omdat de verdachte niet schuldig is verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Colijn, mr. M.J.A. Duker en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 oktober 2026.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak

_______________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002655-25

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 13 oktober 2026.

Tegenwoordig zijn:

, raadsheer,

, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. E. Visser, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.

De verdachte is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman/raadsvrouw is wel / niet aanwezig.

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.M. ter Horst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand