Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 en 27 februari en 20 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij, op of omstreeks 26 juni 2022, in Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras en/of godsdienst, door op de website [website] een artikel genaamd ‘[naam]’ te (laten) plaatsen en/of te (laten) delen, bestaande uit de volgende tekst(en):
- “(…) Er zijn tal van Joodse schrijvers, politici en rabbijnen die openlijk verklaren dat niet joden inferieur zijn, en dat de enige mogelijke en juiste toekomst een wereldregering onder Joods bestuur is, waarin andere volken een ondergeschikte rol zullen hebben (…)”;
en/of
- “(…) Een beschuldiging van antisemitisme is een effectief afschrikmiddel. Het gaat echter niet om het beschuldigen en vervolgen van een bepaalde groep mensen. Waar het om gaat is uit te zoeken wat de drijfveer is van machtsstructuren die de wereld teisteren, en het is zonder meer duidelijk dat een ideologie die binnen de Joodse gemeenschap leeft hier een rol bij speelt. Het is een ideologie waar het Joodse volk evengoed onder lijdt. (…)”;
en/of
- “(…) De DNA-veranderende COVID-19 vaccins zijn dus voor een zeer groot deel een Joodse aangelegenheid. Hoe is dit nu te rijmen met het feit dat de Israëlische bevolking zo zwaar heeft geleden (en lijdt) onder de maatregelen en de vaccinaties? Dit maakt duidelijk dat er geen complot is, waar het volledige Joodse volk deel aan zou hebben. Het gaat om een elite, die weliswaar overwegend Joods is, maar zonder enige empathie voor andere mensen, zij het voor Joden of niet-Joden. (…)”.
2.hij, op of omstreeks 26 juni 2022, in Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitlating, te weten een afbeelding en/of video en/of tekst, openbaar heeft gemaakt die, naar hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden, voor een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras en/of godsdienst, beledigend is, door op de website [website] een artikel genaamd ‘[naam]’ te (laten) plaatsen en/of te (laten) delen, bestaande uit de volgende tekst(en):
- “(…) Er zijn tal van Joodse schrijvers, politici en rabbijnen die openlijk verklaren dat niet joden inferieur zijn, en dat de enige mogelijke en juiste toekomst een wereldregering onder Joods bestuur is, waarin andere volken een ondergeschikte rol zullen hebben (…)”;
en/of
- “(…) Een beschuldiging van antisemitisme is een effectief afschrikmiddel. Het gaat echter niet om het beschuldigen en vervolgen van een bepaalde groep mensen. Waar het om gaat is uit te zoeken wat de drijfveer is van machtsstructuren die de wereld teisteren, en het is zonder meer duidelijk dat een ideologie die binnen de Joodse gemeenschap leeft hier een rol bij speelt. Het is een ideologie waar het Joodse volk evengoed onder lijdt. (…)”;
en/of
- “(…) De DNA-veranderende COVID-19 vaccins zijn dus voor een zeer groot deel een Joodse aangelegenheid. Hoe is dit nu te rijmen met het feit dat de Israëlische bevolking zo zwaar heeft geleden (en lijdt) onder de maatregelen en de vaccinaties? Dit maakt duidelijk dat er geen complot is, waar het volledige Joodse volk deel aan zou hebben. Het gaat om een elite, die weliswaar overwegend Joods is, maar zonder enige empathie voor andere mensen, zij het voor Joden of niet-Joden. (…)”.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging ten aanzien van beide feiten
Ten aanzien van feit 1
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten de groepsbelediging van Joden bij geschrift. Hij heeft hiertoe – kortgezegd – aangevoerd dat de verdachte zich door middel van zijn artikel beledigend tegen een bepaalde groep mensen, te weten Joden, heeft uitgelaten. De advocaat-generaal is van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen in combinatie met de rest van de door de verdachte geschreven tekst onmiskenbaar de strekking hebben om Joden – en niet enkel Zionisten – in een kwaad daglicht te stellen. De advocaat-generaal stelt dat een veroordeling van de verdachte geen ontoelaatbare inbreuk zal maken op het in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gegarandeerde recht op vrije meningsuiting, nu de uitlatingen van de verdachte onnodig grievend zijn en niet bijdragen aan een discussie over een kwestie van publiek belang.
Standpunt van de verdachte
De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het door hem geschreven en gepubliceerde artikel ‘[naam]’ weliswaar controversieel en schokkend is, maar dat zijn uitlatingen niet als beledigend kunnen worden beschouwd en dat hij enkel heeft geprobeerd een discussie aan te wakkeren. Volgens de verdachte is het onderwerp van zijn artikel – te weten dat er binnen de Joodse gemeenschap een ideologie bestaat die een dictatoriale wereldmacht nastreeft – een zeer ernstig onderwerp dat meer onder de aandacht moet komen. De verdachte heeft daarbij ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat hij niet een probleem heeft met de gehele Joodse gemeenschap, maar alleen met mensen binnen het Jodendom die er een bepaalde ideologie op na houden die, in zijn woorden, zeer schadelijk is.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging van Joden in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is het volgende van belang (vgl. HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:589):
Een uitlating kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Dat betekent dat onder het zich beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras, als bedoeld in
artikel 137c lid 1 Sr, moet worden verstaan het zich nodeloos krenkend uitlaten over een groep mensen omdat die groep van een bepaald ras is. Het gaat er daarbij om dat men de mensen, die tot de groep behoren, collectief treft in wat voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun ras, en men hen beledigt juist omdat zij tot dat ras behoren. Vereist is dat de uitlating onmiskenbaar betrekking heeft op een bepaalde groep mensen die door hun ras wordt gekenmerkt en zich daardoor onderscheidt van anderen. (Hoge Raad 18 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1468).
De in artikel 137c lid 1 Sr voorkomende term ‘ras’ moet worden uitgelegd overeenkomstig de strekking van de in artikel 1 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie gegeven opsomming, waarin naast ‘ras’ ook wordt genoemd: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (Hoge Raad 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:510).
Het, onder meer in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling voor groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 EVRM toegelaten — te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke — beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt.
Mede gelet op artikel 10 EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet bij de beoordeling of een uitlating strafbaar is op grond van artikel 137c Sr, acht worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating en op de context waarin de uitlating is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de betreffende uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Ook moet onder ogen worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.
Te beantwoorden vragen
Gelet op bovenstaand toetsingskader dient het hof achtereenvolgens de volgende vragen te beantwoorden:
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat zijn artikel ziet op een ideologie binnen het Jodendom (te weten de ‘sinistere’ Zionisten, een groepering die streeft naar een dictatoriale wereldmacht, aldus de verdachte) en niet op de Joodse gemeenschap in het algemeen. Het hof volgt de verdachte niet in deze stelling. Zo spreekt hij in zijn artikel ‘[naam]’ van ‘Joodse schrijvers’, ‘een Joods bestuur’, ‘het Joodse volk’ en ‘Joodse leiders’, waardoor het artikel een generaliserend karakter heeft. Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat dit ertoe leidt dat niet enkel de Zionisten, maar de gehele Joodse gemeenschap in een ongunstig daglicht wordt gesteld, nu Joden als groep in diskrediet worden gebracht en de waardigheid van deze groep door het artikel ernstig wordt aangetast. Het treft de Joden collectief in wat voor hen kenmerkend is, hun ras, en beledigt hen juist doordat zij tot dat ras behoren. Het verweer van de verdachte wordt dan ook verworpen.
De verdachte heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen Joods ras bestaat. Het hof is echter met de advocaat-generaal van oordeel dat deze opvatting geen steun vindt in het recht, nu uit jurisprudentie blijkt dat Joden onder de discriminatiegrond ‘ras’ vallen, overeenkomstig de strekking van de in artikel 1 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie gegeven opsomming, waarin naast ‘ras’ ook wordt genoemd: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (zie Hoge Raad 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:589).
De verdachte heeft als verweer tevens naar voren gebracht dat de uitingen die hij in zijn artikel doet vrijwel alleen citaten betreffen en geen verzinsel zijn van hemzelf. Het hof overweegt dat deze citaten alle afkomstig zijn van personen die soortgelijk gedachtegoed hebben en nastreven als de verdachte. De verdachte heeft deze citaten in het artikel gebruikt ter onderbouwing van zijn eigen opvattingen, zonder dat hij nuanceringen heeft aangebracht die mogelijk hadden kunnen leiden tot een evenwichtiger dan wel ander beeld. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een artikel geschreven waarin hij met eenzijdige bronnen en citaten onderbouwt waarom het Joodse volk niet deugt. Dit is geen enkele rechtvaardiging om deze uitlatingen te doen.
Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat de tenlastegelegde uitlatingen van de verdachte, in samenhang bezien met de rest van het door hem geschreven artikel genaamd ‘[naam]’, als beledigend moeten worden beschouwd voor een groep mensen wegens hun ras, te weten Joden. De eerste vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord.
Ten aanzien van de tweede vraag heeft de verdachte aangevoerd dat hij met zijn artikel een maatschappelijke discussie wil aanwakkeren. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de vrijheid van meningsuiting ontoelaatbaar wordt beperkt door de (anti)discriminatiewetgeving.
Het hof stelt voorop dat de vrijheid van meningsuiting een van de belangrijkste fundamenten van een democratische rechtsstaat is en niet alleen opgaat voor opvattingen die in de samenleving op breed draagvlak kunnen rekenen, maar ook, juist, voor die opvattingen die shockeren, kwetsen of verontrusten. Dat betekent echter niet dat de vrijheid van meningsuiting onbeperkt is. Uitingen die onverenigbaar zijn met de waarden die door het EVRM worden gewaarborgd, vallen niet onder de bescherming van het verdrag. Zo is een algemene en heftige aanval op een etnische groep in strijd met de onderliggende waarden van het EVRM en valt dit niet onder de bescherming van het verdrag.
De verdachte heeft een artikel geschreven en laten publiceren waarin Joden (in zijn algemeenheid) worden aangewezen als oorzaak van meerdere vermoedelijke misstanden in de wereld. Ook heeft de verdachte de gehele Joodse gemeenschap ervan beschuldigd een samenzwering tegen de wereld te beramen om zo de wereldmacht in handen te krijgen en andere bevolkingsgroepen daaraan te onderwerpen. Het hof is van oordeel dat de verdachte de gehele Joodse gemeenschap met deze beschuldigingen ernstig in diskrediet brengt en dat hem daarvoor geen bescherming van artikel 10 EVRM, betreffende de vrijheid van meningsuiting, toekomt. Anders dan de verdachte stelt is daarmee geen sprake van een ontoelaatbare beperking van het recht op vrije meningsuiting.
De tweede vraag wordt hiermee door het hof ontkennend beantwoord. Om die reden behoeft de derde vraag geen beantwoording meer.
Opzet
Opzet om te beledigen omvat ook voorwaardelijk opzet (Hoge Raad 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:589) en kan worden vastgesteld met inachtneming van het geheel van gedragingen en overige omstandigheden van het geval. Gelet daarop kan volgens het hof worden vastgesteld dat, gezien de aard en de inhoud van de uitlatingen, de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het artikel beledigend is voor de Joodse gemeenschap. Het hof acht daarom opzet op de groepsbelediging bewezen.
De verdachte heeft het artikel alleen geschreven, zodat medeplegen niet kan worden bewezen.
Het hof oordeelt, net als de rechtbank, dat de verdachte zich opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras.
Ten aanzien van feit 2
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dit artikel heeft gepubliceerd op [website]. Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het artikel door de verdachte anders dan ten behoeve van de zakelijke berichtgeving is verspreid. Het artikel heeft geen voorlichtend karakter, bijvoorbeeld bestaande uit het aan het licht brengen van rassendiscriminatie. Ook is het, gelet op de eenzijdigheid en het discriminerende karakter, niet als journalistiek of wetenschappelijk artikel te duiden. Het hof stelt dat ook aan de overige bestanddelen van artikel 137e Sr is voldaan en dat de verdachte zich niet kan beroepen op bescherming van het EVRM. Daarnaast is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen omdat het artikel door een ander dan de verdachte op de website [website] is geplaatst en daarmee sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openbaar maken van de beledigende uitlatingen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het, samen met een ander, verspreiden van beledigende uitlatingen over een groep mensen, namelijk Joden.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij, op 26 juni 2022, in Nederland, zich in het openbaar, bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras, door op de website [website] een artikel genaamd ‘[naam]’ te laten plaatsen bestaande uit de volgende teksten:
- “(…) Er zijn tal van Joodse schrijvers, politici en rabbijnen die openlijk verklaren dat niet joden inferieur zijn, en dat de enige mogelijke en juiste toekomst een wereldregering onder Joods bestuur is, waarin andere volken een ondergeschikte rol zullen hebben (…)”;
en/of
- “(…) Waar het om gaat is uit te zoeken wat de drijfveer is van machtsstructuren die de wereld teisteren, en het is zonder meer duidelijk dat een ideologie die binnen de Joodse gemeenschap leeft hier een rol bij speelt. Het is een ideologie waar het Joodse volk evengoed onder lijdt. (…)”;
en/of
- “(…) De DNA-veranderende COVID-19 vaccins zijn dus voor een zeer groot deel een Joodse aangelegenheid. Hoe is dit nu te rijmen met het feit dat de Israëlische bevolking zo zwaar heeft geleden (en lijdt) onder de maatregelen en de vaccinaties? Dit maakt duidelijk dat er geen complot is, waar het volledige Joodse volk deel aan zou hebben. Het gaat om een elite, die weliswaar overwegend Joods is, maar zonder enige empathie voor andere mensen, zij het voor Joden of niet-Joden. (…)”.
2.hij, op 26 juni 2022, in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitlating, te weten een tekst, openbaar heeft gemaakt die, naar hij en zijn mededader redelijkerwijs moesten vermoeden, voor een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras, beledigend is, door op de website [website] een artikel genaamd ‘[naam]’ te (laten) plaatsen, bestaande uit de volgende teksten
- “(…) Er zijn tal van Joodse schrijvers, politici en rabbijnen die openlijk verklaren dat niet joden inferieur zijn, en dat de enige mogelijke en juiste toekomst een wereldregering onder Joods bestuur is, waarin andere volken een ondergeschikte rol zullen hebben (…)”;
en/of
- “(…) Waar het om gaat is uit te zoeken wat de drijfveer is van machtsstructuren die de wereld teisteren, en het is zonder meer duidelijk dat een ideologie die binnen de Joodse gemeenschap leeft hier een rol bij speelt. Het is een ideologie waar het Joodse volk evengoed onder lijdt. (…)”;
en/of
- “(…) De DNA-veranderende COVID-19 vaccins zijn dus voor een zeer groot deel een Joodse aangelegenheid. Hoe is dit nu te rijmen met het feit dat de Israëlische bevolking zo zwaar heeft geleden (en lijdt) onder de maatregelen en de vaccinaties? Dit maakt duidelijk dat er geen complot is, waar het volledige Joodse volk deel aan zou hebben. Het gaat om een elite, die weliswaar overwegend Joods is, maar zonder enige empathie voor andere mensen, zij het voor Joden of niet-Joden. (…)”.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras.
en
medeplegen van anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving een uitlating openbaar maken die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras beledigend is.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (de eendaadse samenloop van) groepsbelediging en het verspreiden van beledigende uitlatingen over Joden. De uitlatingen die de verdachte in zijn artikel heeft gedaan kunnen door leden van het Joodse volk als ernstig grievend worden ervaren. De verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat hij er goed aan heeft gedaan het artikel te schrijven en te publiceren. Naar het oordeel van het hof is de verdachte veel te ver gegaan, nu hij zich in zijn artikel kwetsend en beledigend over Joden heeft uitgelaten en het artikel om die reden bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid onder leden van de Joodse gemeenschap. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 februari 2026 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof neemt dit mee in het voordeel van de verdachte.
Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf passend en geboden en ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. Het hof zal dan ook dezelfde straf opleggen zoals door de rechtbank is opgelegd.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 50 uren waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 57, 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 september 2026.
mr. L.A.H. van Wieren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.