GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.369.223/01
zaaknummer rechtbank: C/13/786001 / FA RK 26-2787
beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van
1. [grootmoeder] ,
2. [grootvader ] ,
3. [tante ] ,
wonende te [plaats 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
hierna gezamenlijk: de grootouders moederszijde,
wonende te [plaats 2] ,
hierna: de tante moederszijde,
verzoekers in hoger beroep,
hierna gezamenlijk: de grootouders en tante moederszijde,
advocaat: mr. I. Vledder te Amsterdam,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige], geboren [in] 2024, hierna: [minderjarige] ;
- [de vader], ingeschreven te [plaats 3] , thans verblijvende in de PI [X] aan [plaats 4] , hierna: de vader, bijgestaan door advocaat mr. J.C.M. Groenestijn te Amsterdam;
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats 3], hierna: de GI.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de vraag of de grootouders en tante moederszijde als belanghebbenden moeten worden aangemerkt in de procedure over de voorlopige voogdij over [minderjarige] (twee jaar oud). De kinderrechter heeft hen in die procedure niet als belanghebbenden, maar als informanten aangemerkt.
De grootouders en tante moederszijde zijn het met die beslissing niet eens en vinden dat zij, dan wel in ieder geval de tante moederszijde, als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, zowel in de procedure over de voorlopige voogdij als in alle toekomstige gerechtelijke procedures over [minderjarige] .
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de grootouders en tante moederszijde terecht niet als belanghebbenden heeft aangemerkt. De beslissing over de voorlopige voogdij raakt niet rechtstreeks hun rechten of verplichtingen. Het hof bekrachtigt daarom de beslissing van de kinderrechter.
2. De procedure in hoger beroep
De grootouders en tante moederszijde zijn op 20 mei 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 april 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
De vader heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de grootouders en tante moederszijde van 7 augustus 2026, met als bijlagen producties 17 – 27;
- een bericht van de vader van 12 augustus 2026, met als bijlage productie 6.
De zitting heeft op 18 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de grootouders en tante moederszijde, bijgestaan door hun advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Ter zitting hebben de advocaten van de grootouders en tante moederszijde en van de vader het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
Het hof heeft op 11 augustus 2026 ambtshalve stukken uit de procedure bij de rechtbank over de voorlopige voogdij bij de raad opgevraagd. Het betreft de mondelinge beslissing van de kinderrechter van 8 april 2026, schriftelijk vastgelegd in een beschikking van 9 april 2026, het verzoekschrift van de raad van 9 april 2026 en het aanvullend rapport van de raad van 13 april 2026. Omdat de grootouders en tante moederszijde in eerste aanleg als informanten zijn aangemerkt, beschikten zij niet over deze stukken en hebben zij deze niet in hoger beroep kunnen overleggen. Nu de grootouders en tante moederszijde, zoals hierna zal blijken, in de voorlopige voogdijprocedure ook in hoger beroep niet als belanghebbenden worden aangemerkt, zijn de stukken niet aan hen verstrekt.
3. De feiten
De vader en [de moeder] (hierna: de moeder) hebben een relatie met elkaar gehad en zijn [in] 2025 met elkaar getrouwd. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2024 in [plaats 3] .
De ouders waren gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
De moeder is [in] 2026 dood aangetroffen in haar woning in [plaats 3] . De vader is op 8 april 2026 aangehouden als verdachte van betrokkenheid bij haar overlijden en verblijft sindsdien in voorlopige hechtenis. Op 1 juli 2026 heeft een eerste pro-formazitting in de strafzaak plaatsgevonden.
Bij mondelinge beslissing van 8 april 2026, schriftelijk vastgelegd in een beschikking van 9 april 2026, heeft de kinderrechter – op verzoek van de raad – de GI met ingang van 8 april 2026 voor de duur van twee weken belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aangehouden.
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de mondelinge beslissing van 8 april 2026 gehandhaafd en de GI aansluitend tot 8 juli 2026 met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast.
[minderjarige] verblijft sinds 10 april 2026 bij de tante moederszijde.
4. De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de grootouders en tante moederszijde niet als belanghebbenden in de procedure over de voorlopige voogdij kunnen worden aangemerkt. De kinderrechter heeft hen als informanten aangemerkt.
De grootouders en tante moederszijde verzoeken het hof hen, dan wel in ieder geval de tante moederszijde, als belanghebbenden aan te merken in de procedure over de voorlopige voogdij en in alle toekomstige gerechtelijke procedures over [minderjarige] .
De vader verzoekt het hof de grootouders en tante moederszijde niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, dan wel hun verzoeken af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid van de grootouders en tante moederszijde in hoger beroep
Het hof dient ambtshalve te beoordelen of de grootouders en tante moederszijde ontvankelijk zijn in hun hoger beroep omdat zij in eerste aanleg geen procespartij waren en niet als belanghebbenden waren aangemerkt. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. De beslissing van de kinderrechter om de grootouders en tante moederszijde niet als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv aan te merken, betreft een eindbeslissing ten aanzien van hun procespositie. Tegen een dergelijke beslissing staat hoger beroep open. De grootouders en tante moederszijde zijn daarom ontvankelijk in hun hoger beroep (vgl. HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1667, r.o. 3.1.2).
Het onderwerp van het hoger beroep
Het hof stelt voorop dat in dit hoger beroep niet de beslissing over de voorlopige voogdij ter beoordeling voorligt. Het hoger beroep ziet uitsluitend op de procespositie van de grootouders en tante moederszijde in die procedure: de vraag of zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt en, indien dat niet het geval is, of zij als informanten tot de mondelinge behandeling bij de rechtbank hadden moeten worden toegelaten. Het hof beoordeelt dus niet of de voorlopige voogdij terecht is uitgesproken, waar [minderjarige] behoort te verblijven en wie uiteindelijk met het gezag of de voogdij over haar moet worden belast.
De standpunten van partijen
De grootouders en tante moederszijde stellen dat zij, dan wel in ieder geval de tante moederszijde, als belanghebbende(n) moet(en) worden aangemerkt. Zij voeren hiertoe aan dat de kinderrechter het belanghebbendenbegrip van artikel 798 lid 1 Rv te beperkt heeft uitgelegd en onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak. [minderjarige] heeft op zeer jonge leeftijd haar moeder verloren en haar vader is gedetineerd als verdachte in verband met de dood van de moeder. De moeder kan daardoor niet langer zelf voor de belangen van [minderjarige] opkomen. Het is daarom van belang dat haar directe familie formeel bij het besluitvormingsproces over [minderjarige] wordt betrokken. Het verschil tussen een belanghebbende en een informant in een procedure is wezenlijk. Een belanghebbende ontvangt processtukken, kan zelfstandig processtukken indienen, ter zitting zijn standpunt naar voren brengen en rechtsmiddelen aanwenden. Als informanten zijn de grootouders en tante moederszijde afhankelijk van de wijze waarop de rechter hen bij de procedure betrekt. De grootouders en tante moederszijde beroepen zich verder op artikel 8 EVRM. Volgens de grootouders en tante moederszijde bestaat tussen hen en [minderjarige] familie- en gezinsleven, dan wel privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, en de beslissingen over [minderjarige] zijn hierop dan ook rechtstreeks van invloed. Zij verwijzen in dit verband onder meer naar de uitspraken van de Hoge Raad van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:463) en 15 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1667). Ten aanzien van de tante moederszijde beroepen zij zich ook op intended family life vanwege haar bijzondere positie ten opzichte van [minderjarige] . De tante moederszijde verzorgt [minderjarige] sinds 10 april 2026, wil die verzorging duurzaam voortzetten en heeft zich bereid verklaard in de toekomst de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De moeder en de tante moederszijde hadden bovendien met elkaar besproken dat de tante moederszijde voor [minderjarige] zou zorgen in het geval er iets met de moeder zou gebeuren.
Daarnaast verdienen de belangen van [minderjarige] bijzondere bescherming op grond van de artikelen 3 en 20 IVRK. De kwetsbare positie van [minderjarige] brengt mee dat haar belangen in de procedures die haar betreffen zo goed mogelijk moeten worden vertegenwoordigd. In dit kader wijzen de grootouders en tante moederszijde op de gang van zaken na het overlijden van de moeder, het contact tussen de beide families en hun zorgen over toekomstige beslissingen over [minderjarige] en over de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder. Deze omstandigheden illustreren waarom de formele betrokkenheid van de grootouders en tante moederszijde noodzakelijk is. Ook wijzen zij op het bredere maatschappelijke belang van de positie van kinderen en nabestaanden in zaken waarin een ouder wordt verdacht van het ombrengen van de andere ouder.
Ten slotte voeren de grootouders en tante moederszijde aan dat zij in eerste aanleg ten onrechte niet zelf bij de zitting aanwezig mochten zijn. Hierdoor zijn zij onvoldoende betrokken bij het besluitvormingsproces en is sprake van strijd met de artikelen 6 en 8 EVRM.
De raad heeft ter zitting verklaard dat het belang van [minderjarige] in deze zaak voorop moet staan. De positie van de grootouders moederszijde verschilt van die van de tante moederszijde en hiertussen dient onderscheid te worden gemaakt. De grootouders moederszijde staan op grotere afstand van de dagelijkse verzorging van [minderjarige] . De tante moederszijde bevindt zich in een andere positie, omdat zij [minderjarige] sinds 10 april 2026 dagelijks verzorgt en opvoedt. Het is volgens de raad van belang dat degene die [minderjarige] dagelijks verzorgt voldoende op de hoogte is van wat rondom [minderjarige] speelt en relevante informatie kan geven voor beslissingen die [minderjarige] betreffen. In de huidige complexe situatie zijn verschillende personen en instanties betrokken en kunnen verschillende belangen tegenover elkaar komen te staan. Het is daarom van belang dat de betrokkenen oog houden voor het belang van [minderjarige] , zowel nu als in de toekomst.
De raad refereert zich voor de juridische kwalificatie van de positie van de grootouders en tante moederszijde aan het oordeel van het hof.
De standpunten van de vader en de GI
De vader meent dat het belanghebbendenbegrip in artikel 798 lid 1 Rv restrictief moet worden uitgelegd. Hij voert hiertoe aan dat wanneer iemand nauw bij een kind is betrokken of belang heeft bij de uitkomst van een procedure, dit niet betekent dat de procedure rechtstreeks betrekking heeft op diens eigen rechten of verplichtingen. De door de grootouders en tante moederszijde aangevoerde belangen zijn hooguit indirect of afgeleid. Verder verschilt de positie van de grootouders moederszijde van die van de tante moederszijde. Ook ten aanzien van de tante moederszijde is niet voldaan aan de vereisten om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Dat zij [minderjarige] sinds 10 april 2026 verzorgt, maakt haar nog niet belanghebbende in de procedure over de voorlopige voogdij. De informatie waar zij als dagelijkse verzorgster over beschikt, kan zij ook als informant aan de desbetreffende rechter verstrekken. Ook kan niet vooraf voor toekomstige procedures worden bepaald wie daarin belanghebbende zal zijn. Het beroep van de grootouders en tante moederszijde op artikel 8 EVRM en de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2024 leidt niet tot een ander oordeel. Verder worden de belangen van [minderjarige] voldoende gewaarborgd door de GI, de raad en de bijzondere curator die zal worden benoemd door de rechtbank. Ten slotte betwist de vader de feitelijke stellingen van de grootouders en tante moederszijde over de contacten tussen beide families en [minderjarige] na het overlijden van de moeder. Die geschilpunten staan bovendien los van de juridische vraag over de procespositie van de grootouders en tante moederszijde.
De GI heeft ter zitting verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] bij de tante moederszijde en dat zij zich goed ontwikkelt. De GI benadrukt dat het belangrijk is dat degene die feitelijk voor [minderjarige] zorgt bij een zitting aanwezig kan zijn. De tante moederszijde beschikt over belangrijke informatie over de dagelijkse situatie en de ontwikkeling van [minderjarige] . Verder refereert de GI zich aan het oordeel van het hof over de vraag welke juridische positie daarbij hoort.
De beoordeling
Het wettelijk kader
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv wordt in zaken betreffende het personen- en familierecht onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De tweede volzin bepaalt dat degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste één jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, ook als belanghebbende wordt aangemerkt.
In zijn uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488, net zoals in zijn uitspraak van 30 maart 2018 ECLI:NL:HR:2018:463) heeft de Hoge Raad met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis overwogen dat niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij of sympathie voor de zaak te hebben, ook in de procedure als belanghebbende kan worden erkend. Met het woord ‘rechtstreeks’ in artikel 798 lid 1 Rv heeft de wetgever onderscheid willen maken tussen degene die een zekere betrokkenheid bij de zaak heeft en degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Uit de uitspraak volgt dat een indirect of afgeleid belang niet voldoende is.
De Hoge Raad heeft verder overwogen dat de kring van belanghebbenden niet in algemene zin kan worden afgebakend. Of iemand in een concrete procedure belanghebbende is, hangt enerzijds af van het onderwerp van die procedure en anderzijds van de rechten en verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Alleen wanneer het onderwerp van de procedure ertoe kan leiden dat die rechten of verplichtingen rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die persoon belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv.
Voor een persoon die niet de ouder is, maar een minderjarige feitelijk verzorgt en opvoedt, heeft de wetgever in artikel 798 lid 1, tweede volzin, Rv een specifieke regeling getroffen. Degene die de minderjarige gedurende ten minste één jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt als belanghebbende aangemerkt. Het moet daarbij wel gaan om een pleegouder, niet om iemand anders die de minderjarige (mede) verzorgt en opvoedt (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, r.o. 3.4.2). Wordt hieraan niet voldaan, dan betekent dit niet dat de verzorger nooit belanghebbende kan zijn. In dat geval moet worden beoordeeld of op grond van de eerste volzin de procedure toch rechtstreeks betrekking heeft op een eigen recht of verplichting van de betrokkene. In de wetsgeschiedenis is in dit verband opgemerkt dat een oom of tante in een voogdij- of adoptiezaak in beginsel geen belanghebbende is. De familierechtelijke betrekking en de daarmee samenhangende betrokkenheid zijn op zichzelf dus onvoldoende; vereist blijft dat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op een eigen recht of verplichting van de betrokkene (zie Kamerstukken II 1991/92, 22 487, nr. 3, p. 6 en Kamerstukken II 2011/12, 32 856, nr. 7, p. 3).
Tot de rechten en verplichtingen als bedoeld in artikel 798 lid 1 Rv behoren ook rechten die worden beschermd door rechtstreeks werkende bepalingen van verdragen, waaronder artikel 8 EVRM. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, moet daarom rekening worden gehouden met de eisen die uit artikel 8 EVRM voortvloeien. Uit EHRM 6 oktober 2015, nr. 58455/13, EHRC 2015/239 (N.P./Moldavië) moet worden afgeleid dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven of privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate wordt betrokken bij het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven of privéleven (zie ook HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, r.o. 3.6.7).
De enkele omstandigheid dat een betrokkene aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven of privéleven brengt echter niet mee dat hij reeds daarom belanghebbende is. Daarvoor is vereist dat het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak ertoe kan leiden dat het recht waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing wordt geraakt (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, r.o. 3.6.4; zie ook HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:622, r.o. 3.1.2).
De aard en het onderwerp van de procedure
Bij de toepassing van het hiervoor geschetste juridisch kader zijn allereerst de aard en het onderwerp van de procedure van belang. Het gaat in deze procedure om de voorlopige voogdij over [minderjarige] . Deze maatregel is door de kinderrechter op grond van artikel 1:241 lid 2 BW getroffen nadat de moeder was overleden en de vader was gedetineerd, waardoor hij feitelijk niet in staat was het gezag uit te oefenen. De maatregel strekt ertoe onmiddellijk in de uitoefening van het gezag over een minderjarige te voorzien wanneer dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Uitsluitend een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet (zoals in deze zaak de GI) kan met de voorlopige voogdij worden belast.
Een voorlopige voogdij is naar haar aard een tijdelijke voorziening. Zij strekt niet tot een definitieve beslissing over de vraag bij wie een minderjarige zal opgroeien of wie uiteindelijk met het gezag of de voogdij zal worden belast.
Voor de beoordeling van de positie van de grootouders en tante moederszijde is daarom bepalend of deze tijdelijke voorziening in het gezag rechtstreeks betrekking heeft op eigen rechten of verplichtingen van de grootouders en tante moederszijde. Belangen die verband houden met eventuele toekomstige beslissingen over de verblijfplaats van [minderjarige] , de voogdij, het contact met familieleden of de afwikkeling van het vermogen of de nalatenschap van de moeder, vallen buiten het onderwerp van deze procedure. Die belangen kunnen daarom niet meebrengen dat de grootouders en tante moederszijde op grond daarvan als belanghebbenden in deze voorlopige voogdijprocedure moeten worden aangemerkt. Vast staat in elk geval dat op grond van de wet geen van de grootouders en tante moederszijde met de voorlopige voogdij kan worden belast.
Het hof maakt bij de beoordeling onderscheid tussen de grootouders moederszijde en de tante moederszijde. De tante moederszijde verzorgt [minderjarige] sinds 10 april 2026 en neemt daarmee een andere feitelijke positie in dan de grootouders moederszijde.
De grootouders moederszijde
Ten aanzien van de grootouders moederszijde is het hof van oordeel dat de procedure over de voorlopige voogdij niet rechtstreeks betrekking heeft op hun rechten of verplichtingen als bedoeld in artikel 798 lid 1 Rv. Het hof onderkent dat zij nauw bij [minderjarige] betrokken zijn en zich, zeker na het overlijden van hun dochter, sterk verantwoordelijk voelen voor haar welzijn. [minderjarige] heeft niet alleen haar moeder verloren; de grootouders hebben hun dochter verloren en de tante haar zus.
Het hof begrijpt dat deze omstandigheid hun wens versterkt om [minderjarige] te beschermen en nauw betrokken te zijn bij de beslissingen die over haar worden genomen.
Deze nauwe persoonlijke en emotionele betrokkenheid brengt echter niet mee dat de voorlopige voogdijprocedure rechtstreeks betrekking heeft op een eigen recht of verplichting van de grootouders moederszijde. Zij zijn geen pleegouders van [minderjarige] . De tweede volzin van artikel 798 lid 1 Rv is daarom op hen niet van toepassing. Evenmin is in de voorlopige voogdijprocedure beslist over het contact van de grootouders moederszijde met [minderjarige] . De beslissing van de kinderrechter strekt uitsluitend ertoe voorlopig in het gezag over [minderjarige] te voorzien. Dat deze beslissing feitelijk gevolgen kan hebben voor de wijze waarop de grootouders moederszijde bij [minderjarige] betrokken zijn en contact met haar onderhouden, betekent niet dat de procedure daarmee rechtstreeks betrekking heeft op een eigen recht of verplichting van hen. Hun belang is in zoverre een indirect of afgeleid belang en niet het rechtstreekse belang dat artikel 798 lid 1 Rv vereist.
De tante moederszijde
De positie van de tante moederszijde is anders. Zij verzorgt [minderjarige] sinds 10 april 2026 en is daarmee rechtstreeks betrokken bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ten tijde van de mondelinge behandeling bij de kinderrechter op 20 april 2026 verzorgde zij [minderjarige] echter pas tien dagen. Ook ten tijde van de behandeling in hoger beroep was de in artikel 798 lid 1, tweede volzin, Rv genoemde termijn van één jaar nog niet verstreken. Aan die bepaling kan zij daarom (nog) niet de positie van belanghebbende ontlenen.
Zoals hiervoor is overwogen, moet vervolgens aan de hand van de eerste volzin van artikel 798 lid 1 Rv worden beoordeeld of de procedure over de voorlopige voogdij rechtstreeks betrekking heeft op een eigen recht of verplichting van de tante moederszijde. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. Met de voorlopige voogdij wordt de GI tijdelijk bevoegd de gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. Daarmee wordt geen recht of verplichting van de tante moederszijde rechtstreeks geraakt. Zij is op dit moment niet met het gezag of de voogdij over [minderjarige] belast en in deze procedure ligt evenmin een verzoek van haar voor om daarmee te worden belast. Dat [minderjarige] bij de tante moederszijde verblijft, dat zij de dagelijkse verzorging en opvoeding op zich heeft genomen, bereid is die duurzaam voort te zetten en in de toekomst met de voogdij over [minderjarige] wil worden belast, maakt haar betrokkenheid bij [minderjarige] groot. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat de tijdelijke voorziening in het gezag rechtstreeks betrekking heeft op een eigen recht of verplichting van de tante moederszijde. De voorlopige voogdij bepaalt niet bij wie [minderjarige] uiteindelijk zal opgroeien of wie uiteindelijk met het gezag of de voogdij over haar zal worden belast.
Het is begrijpelijk dat de tante moederszijde, omdat zij [minderjarige] dagelijks verzorgt en opvoedt, over voldoende actuele informatie wil beschikken en bij beslissingen over [minderjarige] wil worden betrokken. Ook de raad en de GI hebben ter zitting benadrukt dat een goede informatie-uitwisseling met de feitelijke verzorger van [minderjarige] van groot belang is.
Het hof overweegt dat daarvoor echter niet is vereist dat de tante moederszijde in de procedure over de voorlopige voogdij als belanghebbende wordt aangemerkt. De GI is met de voorlopige voogdij belast en is daarmee op dit moment verantwoordelijk voor de gezagsbeslissingen over [minderjarige] . Het is van belang dat de GI de tante moederszijde als dagelijkse verzorgster, voor zover dat voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] nodig is, informeert en bij beslissingen over [minderjarige] betrekt. Omgekeerd kan de tante moederszijde als dagelijkse verzorgster van [minderjarige] over relevante informatie beschikken die voor een rechter van belang kan zijn. Die informatie kan zij ook op verzoek van een rechter als informant naar voren brengen.
Artikel 8 EVRM en intended family life
Het beroep van de grootouders en tante moederszijde op artikel 8 EVRM leidt niet tot een ander oordeel. Het hof stelt voorop dat sprake is van een band tussen de grootouders en tante moederszijde en [minderjarige] . Het hof onderkent ook dat hun betrokkenheid bij [minderjarige] na het overlijden van de moeder, gelet op de situatie waarin [minderjarige] vervolgens is komen te verkeren, groter is geworden. De vraag is echter of sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM. Gelet op de familierelatie (grootouders – kleinkind en tante – nichtje) zou sprake kunnen zijn van family life wanneer als familie is samengeleefd. Dit kan ook het geval zijn als sprake is (geweest) van het op zich nemen van een structureel deel van de verzorging en opvoeding of van een structureel langdurige oppasregeling. Het hof is van oordeel dat daarvan bij de grootouders en tante moederszijde geen sprake is. Dat [minderjarige] met enige regelmaat bij de grootouders logeerde en dat de tante moederszijde [minderjarige] bij haar grootouders zag, is daarvoor niet voldoende. Evenmin hebben de grootouders en tante moederszijde feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan sprake zou zijn van private life in de zin van artikel 8 EVRM.
Zelfs wanneer sprake zou zijn van door artikel 8 EVRM beschermd familie- en gezinsleven of privéleven, geldt dat de voorlopige voogdijprocedure niet strekt tot een inperking daarvan. De beslissing strekt uitsluitend tot het tijdelijk voorzien in het gezag over [minderjarige] door een GI. Een eventueel door artikel 8 EVRM beschermd recht van de grootouders en tante moederszijde wordt door het onderwerp van deze procedure niet rechtstreeks geraakt.
Voor de tante moederszijde geldt dat zij zich daarnaast beroept op intended family life. Met intended family life wordt gedoeld op beoogd familie- of gezinsleven dat nog niet of niet volledig feitelijk tot stand is gekomen. De tante moederszijde voert in dit verband aan dat zij en de moeder vóór het overlijden van de moeder hadden besproken dat zij voor [minderjarige] zou zorgen in het geval er iets met de moeder zou gebeuren. Volgens de tante moederszijde is daarmee sprake van een reeds vóór het overlijden van de moeder bestaande intentie om, indien dat nodig zou zijn, [minderjarige] duurzaam te verzorgen. De tante moederszijde heeft hier na het overlijden van de moeder feitelijk uitvoering aan gegeven door de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.
Het hof overweegt dat voor de beslissing in deze procedure in het midden kan blijven hoe de verhouding tussen de tante moederszijde en [minderjarige] in dit opzicht precies moet worden gekwalificeerd. Ook indien zou worden vastgesteld dat de door de grootouders en tante moederszijde gestelde omstandigheden meebrengen dat de tante moederszijde een beroep kan doen op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op intended family life, volgt daaruit niet zonder meer dat zij in deze procedure belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Zoals hiervoor is overwogen, is daarvoor vereist dat het onderwerp van de concrete procedure ertoe kan leiden dat het recht waarop de tante zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing wordt geraakt. Met de beslissing over de voorlopige voogdij wordt niet beslist over de vraag of de tante duurzaam voor [minderjarige] mag blijven zorgen, of [minderjarige] bij haar zal blijven wonen of dat de tante uiteindelijk met de voogdij over [minderjarige] zal worden belast. De voorlopige voogdij heeft evenmin tot gevolg gehad dat de feitelijke verzorgingsrelatie tussen de tante en [minderjarige] is beëindigd. Dat de GI als voorlopige voogd beslissingen over [minderjarige] kan nemen die feitelijk van betekenis zijn voor de tante moederszijde als dagelijkse verzorgster, maakt niet dat het onderwerp van deze procedure rechtstreeks betrekking heeft op een eigen, door artikel 8 EVRM beschermd recht van haar. Daarom kan ook het beroep op intended family life niet tot de conclusie leiden dat de tante in deze procedure als belanghebbende moet worden aangemerkt.
Hoge Raad 15 november 2024
Ook het beroep van de grootouders en tante moederszijde op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2024 leidt niet tot een ander oordeel. Het betrof in die zaak een moeder zonder gezag die haar minderjarige kind feitelijk verzorgde en opvoedde en bij wie het kind verbleef. De Hoge Raad overwoog dat, uitgaande van die situatie, een uithuisplaatsing de rechten en verplichtingen van de moeder ten aanzien van haar zoon rechtstreeks raakte.
Het hof overweegt dat de omstandigheden in deze procedure op wezenlijke punten verschillen. Zo zijn de grootouders en tante moederszijde geen juridisch ouders van [minderjarige] . Bovendien gaat het hier niet om een verzoek om [minderjarige] uit het gezin van de tante moederszijde te plaatsen. De feitelijke verzorgingssituatie van [minderjarige] bij de tante wordt met de voorlopige voogdijvoorziening niet beëindigd. De uitspraak van de Hoge Raad biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de enkele omstandigheid dat de tante moederszijde [minderjarige] feitelijk verzorgt en opvoedt, meebrengt dat zij ook in deze voorlopige voogdijprocedure als belanghebbende moet worden aangemerkt. Ook hier blijft beslissend of het onderwerp van de concrete procedure haar eigen rechten of verplichtingen rechtstreeks raakt.
De belangen van [minderjarige] en het IVRK
De grootouders en tante moederszijde hebben verder aangevoerd dat vanwege de bijzondere omstandigheden rondom [minderjarige] een formele procespositie voor de grootouders en tante moederszijde noodzakelijk is om de belangen van [minderjarige] voldoende te beschermen. Zij beroepen zich daarbij ook op de artikelen 3 en 20 IVRK.
Het hof onderkent zonder meer dat de belangen van [minderjarige] in alle beslissingen die haar aangaan een eerste overweging moeten vormen en dat haar situatie bijzondere zorg vereist. [minderjarige] is nog jong, heeft haar moeder verloren en bevindt zich sindsdien in een complexe familiesituatie. Dit maakt het des te belangrijker dat haar belangen zorgvuldig en onafhankelijk worden behartigd. Daaruit volgt echter niet dat de grootouders en tante moederszijde om die reden als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv moeten worden aangemerkt. De GI is met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast en heeft vanuit die hoedanigheid de verantwoordelijkheid de noodzakelijke gezagsbeslissingen in haar belang te nemen. Ook de raad heeft vanuit zijn wettelijke taak een verantwoordelijkheid voor de bescherming van haar belangen. Van beide mag en kan worden verwacht dat zij het belang van [minderjarige] vooropstellen. Daarnaast zal op grond van artikel 1:242a BW jo. 1:250 lid 2 BW een bijzondere curator voor [minderjarige] worden benoemd in de procedure bij de rechtbank over het gezag en de voogdij. De bijzondere curator zal vanuit een onafhankelijke positie [minderjarige] zowel in als buiten rechte vertegenwoordigen en voor haar belangen opkomen. Het hof volgt de grootouders en tante moederszijde dan ook niet in hun stelling dat de belangen van [minderjarige] alleen voldoende kunnen worden gewaarborgd wanneer zij als belanghebbenden worden aangemerkt. Het is aan de zittingsrechter om te bepalen wie tot een besloten zitting wordt toegelaten. De artikelen 3 en 20 IVRK bieden in zoverre dan ook geen grond om de in artikel 798 lid 1 Rv neergelegde maatstaf voor belanghebbendheid in deze procedure ruimer uit te leggen.
De overige bijzondere omstandigheden
Ook de overige door de grootouders en tante moederszijde aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. De grootouders en tante moederszijde en de vader verschillen onder meer van mening over de gang van zaken na het overlijden van de moeder, de contacten tussen [minderjarige] en beide families en de wijze waarop informatie over [minderjarige] is gedeeld. Het hof hoeft in deze procedure niet vast te stellen welke lezing van die gebeurtenissen juist is. Ook indien wordt uitgegaan van de door de grootouders en tante moederszijde beschreven gang van zaken, volgt daaruit niet dat de voorlopige voogdijprocedure rechtstreeks betrekking heeft op een eigen recht of verplichting van hen. Hetzelfde geldt voor de door de grootouders en tante moederszijde geuite zorgen over eventuele toekomstige beslissingen over omgang, gezag, voogdij of vermogen. Die onderwerpen liggen in deze procedure niet ter beoordeling voor.
De bredere maatschappelijke context
De grootouders en tante moederszijde wijzen verder op het bredere maatschappelijke belang van de positie van kinderen en nabestaanden in situaties waarin een ouder wordt verdacht van betrokkenheid bij het overlijden van de andere ouder. Voor zover zij daarmee betogen dat in situaties als deze de familie van een overleden ouder in algemene zin een sterkere formele procespositie zou moeten hebben, overweegt het hof dat artikel 798 Rv een door de wetgever gekozen afbakening bevat van de kring van belanghebbenden. De rechter dient binnen dat wettelijke kader voor elke procedure afzonderlijk te beoordelen of de zaak rechtstreeks betrekking heeft op de rechten of verplichtingen van de betrokkene. Het hof ziet geen aanleiding om aan het bestaande wettelijke kader een nieuwe, algemene categorie van belanghebbenden toe te voegen. Indien het wenselijk wordt geacht dat bijvoorbeeld naaste familieleden van een overleden ouder in bepaalde procedures steeds een formele procespositie verkrijgen, is het aan de wetgever om daarvoor een regeling te treffen. De bijzondere en ingrijpende omstandigheden van deze zaak kunnen op zichzelf niet tot een andere uitleg van artikel 798 lid 1 Rv leiden.
De aanwezigheid van de grootouders en tante moederszijde ter zitting
De grootouders en tante moederszijde voeren in hun tweede grief aan dat de kinderrechter hen, ook in hun hoedanigheid als informanten, ten onrechte niet persoonlijk tot de mondelinge behandeling heeft toegelaten.
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de kinderrechter de grootouders en tante moederszijde op juiste gronden (uitsluitend) als informanten aangemerkt. Dit betekent dat zij geen procespartij zijn en dan ook niet kunnen opkomen tegen de beslissing van de kinderrechter om hen niet te horen. De grief faalt om die reden.
Daarbij overweegt het hof dat, zoals de grootouders en tante moederszijde zelf ook hebben betoogd, de positie van een informant verschilt van die van een belanghebbende. Op grond van artikel 800 lid 2 Rv kan de rechter bevelen dat personen van wie de verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, ter zitting verschijnen. De functie van een informant is daarmee het verstrekken van informatie die de rechter voor de beoordeling van het voorliggende verzoek van belang acht. Uit deze bepaling volgt niet dat een informant een zelfstandig recht heeft om bij de gehele mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
Ook het beroep van de grootouders en tante moederszijde op artikel 6 juncto 8 EVRM slaagt niet. Artikel 6 EVRM waarborgt het recht op een eerlijk en openbaar proces door een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank binnen een redelijke termijn. Voor toepasselijkheid van artikel 6 EVRM moet de procedure betrekking hebben op de vaststelling van een eigen burgerlijk recht of een burgerlijke verplichting van degene die zich op die bepaling beroept, in dit geval dus van de grootouders en tante moederszijde. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat daarvan hier geen sprake is. De zaak heeft immers geen betrekking op (de vaststelling van) hun rechten of verplichtingen. Dat de grootouders en tante moederszijde als familieleden nauw bij [minderjarige] betrokken zijn en dat de tante haar sinds 10 april 2026 feitelijk verzorgt en opvoedt, maakt dit niet anders. De grootouders en tante moederszijde kunnen daarom aan artikel 6 EVRM geen zelfstandig recht ontlenen om als informanten persoonlijk bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
Voor zover de grootouders en tante moederszijde menen dat zij aan artikel 8 EVRM het recht kunnen ontlenen om tot de zitting te worden toegelaten, faalt dit, nu zoals hiervoor is vastgesteld, zij geen belanghebbenden zijn.
Toekomstige procedures
Het verzoek om de grootouders en tante moederszijde, dan wel alleen de tante moederszijde, ook in alle toekomstige gerechtelijke procedures over [minderjarige] als belanghebbende(n) aan te merken, wijst het hof af. Zoals hiervoor is overwogen, kan de kring van belanghebbenden niet in algemene zin worden vastgesteld. Per procedure moet aan de hand van het onderwerp van die procedure en de rechten of verplichtingen waarop de betrokken persoon zich beroept, worden beoordeeld of die persoon door de te nemen beslissing rechtstreeks in een eigen recht of verplichting kan worden geraakt. Het hof kan daarom niet op voorhand bepalen welke procespositie de grootouders en tante moederszijde in nog niet aanhangige procedures zullen hebben.
Het voorgaande betekent niet dat de tante moederszijde in een toekomstige procedure over [minderjarige] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Indien zij [minderjarige] gedurende ten minste één jaar als behorende tot haar gezin verzorgt en opvoedt, voldoet zij immers aan de in artikel 798 lid 1, tweede volzin, Rv genoemde verzorgingstermijn. Daarnaast kan het onderwerp van een toekomstige procedure meebrengen dat een eigen recht of verplichting van de tante moederszijde rechtstreeks wordt geraakt. Voor de grootouders moederszijde kan dit in een toekomstige procedure ook het geval zijn, maar daarover is nu in algemene zin evenmin al iets te zeggen of te beslissen. Het is aan de rechter in een toekomstige procedure om dit aan de hand van de op dat moment bestaande feiten en omstandigheden te beoordelen.
De slotsom
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven van de grootouders en tante moederszijde niet slagen. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij is beslist dat de grootouders en tante moederszijde niet als belanghebbenden maar als informanten worden aangemerkt. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 20 april 2026, voor zover daarbij de grootouders moederszijde en de tante moederszijde niet als belanghebbenden, maar als informanten zijn aangemerkt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.