beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.296.167/03 OK
beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 6 oktober 2026
inzake
[A] ,
wonende [[...]],
VERZOEKER,
advocaten: mr. U. Aloni en mr. J.P.M. le Clercq, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de naamloze vennootschap
ICTS INTERNATIONAL N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. B. Kemp, mr. L.P. Wiggers en mr. A.S. Renshof, allen kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. [[...]] [F],
wonende [[...]],
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. A.N. Stoop en mr. B.T. Verdam, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
2. [C],
wonende te [[...]],
3. [D],
wonende [[...]],
4. [E],
wonende te [[...]],
5. [F],
wonende te [[...]],
6. [G],
wonende te [[...]],
7. [H],
wonende te [[...]],
8. [I],
wonende te [[...]],
BELANGHEBBENDEN,
niet bij advocaat verschenen.
Hierna zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:
1. De zaak in het kort
ICTS is een vennootschap die aan het hoofd staat van een grote internationale onderneming op het gebied van luchtvaart- en luchthavenbeveiliging. [B], [C], [D], [E], [F], [G], [H] en [I] zijn (indirecte) aandeelhouders en/of (voormalig) commissarissen van ICTS. De Ondernemingskamer heeft in 2022 op verzoek van minderheidsaandeelhouder [A] een onderzoek gelast naar gebeurtenissen die zich in mei/juni 2019 bij ICTS hebben afgespeeld. Het gaat daarbij om: (1) een uitgifte van aandelen aan de commissarissen en het senior management van ICTS (hierna: de aandelenuitgifte), en (2) de toekenning van (nieuwe) rechten aan Spencer, de meerderheidsaandeelhouder van ICTS, om haar vorderingen op ICTS om te zetten in aandelen in ICTS (hierna: het conversiebesluit). Het onderzoek is in 2023 afgerond. In 2024 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] om vast te stellen dat uit het verslag van het onderzoek blijkt van wanbeleid bij ICTS afgewezen. [A] verzoekt nu om een machtiging om mededelingen te mogen doen uit het verslag in nog te beginnen civiele procedure(s) bij de Nederlandse rechter.
2. Het verloop van het geding
Voor het verloop van het geding verwijst de voorzitter van de Ondernemingskamer naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 22 en 24 juni 2022, 5 september 2022, 24 oktober 2023 en 13 en 30 november 2023 en 25 maart 2025, de tweedefasebeschikking van 14 november 2024 en de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 25 maart 2024 in deze zaak.
Bij beschikkingen van 22 en 24 juni 2022 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van ICTS over de periode mei/juni 2019 en mr. J.R. Berkenbosch te Amsterdam (hierna: de onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten.
Op 7 november 2023 heeft de onderzoeker het verslag van het onderzoek met bijlagen (hierna: het verslag met bijlagen) aan de Ondernemingskamer doen toekomen.
Bij beschikking van 13 november 2023 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
Bij beschikking van 25 maart 2024 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] om te bepalen dat het verslag met bijlagen voor een ieder ter inzage ligt, afgewezen.
Bij beschikking van diezelfde dag heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer het verzoek van [A] afgewezen om hem machtiging te verlenen mededelingen te doen uit het verslag met bijlagen aan;
de Securities and Exchange Commission in de Verenigde Staten,
de arbiter Avi Zamir (of bij vervanging, zijn vervanger) in Israël,
de bevoegde rechter(s) ter zake van nog te voeren schadevergoedingsprocedure(s) en de adviseurs van [A] in verband met die procedure(s).
Bij beschikking van 14 november 2024 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van [A] afgewezen om – kort gezegd – vast te stellen dat uit het verslag blijkt van wanbeleid bij ICTS en dat [B] en alle medecommissarissen en bestuurders daarvoor verantwoordelijk zijn alsmede om bepaalde voorzieningen te treffen.
Bij beschikking van 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:403 heeft de Hoge Raad het door [A] tegen de beschikking van 14 november 2024 ingestelde cassatieberoep verworpen.
[A] heeft bij verzoekschrift van 3 juli 2026 de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht:
- hem machtiging te verlenen mededelingen te doen uit het verslag (inclusief de daarbij behorende bijlagen) aan;
(a) de bevoegde gewone civiele rechter(s) in Nederland in het kader van een of meer procedures over:
i. de (ver)nietig(baar)heid van besluiten op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW, waaronder begrepen de besluiten ter zake van de aandelenuitgifte, het conversiebesluit, de bekrachtigingsbesluiten van 17 november 2023, de besluiten van de algemene vergadering van 20 december 2023 en daarmee samenhangende besluiten; en
ii. daarmee samenhangende vorderingen tegen ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen tot verklaring voor recht, schadevergoeding of andere civielrechtelijke rechtsgevolgen wegens hun betrokkenheid bij, goedkeuring van, uitvoering van of toezicht op de hiervoor bedoelde besluitvorming en transacties en uitvoeringshandelingen;
(b) de wederpartijen in die procedure(s), waaronder ICTS en de betrokken huidige en voormalige bestuurders en commissarissen, uitsluitend voor zover en zolang dat noodzakelijk is voor het voeren van die procedure(s);
(c) de advocaten en overige adviseurs van [A] in verband met de voorbereiding, instelling en behandeling van die procedure(s);
(d) deurwaarders, deskundigen, vertalers en andere hulppersonen voor zover hun kennisneming noodzakelijk is voor de voorbereiding, instelling of behandeling van die procedure(s),
- te bepalen dat de machtiging mede omvat het overleggen van het verslag en de relevante bijlagen als productie in de bedoelde civiele procedure(s), voor zover dat noodzakelijk is voor
de beoordeling van de vorderingen en verweren,
- te bepalen dat het verslag met bijlagen uitsluitend mogen worden gebruikt voor de voorbereiding, instelling en behandeling van de bedoelde civiele procedure(s), en dat verdere verspreiding achterwege blijft behoudens voor zover daarvoor afzonderlijke machtiging wordt verleend of de civiele rechter daartoe beslist;
- te bepalen dat [A], indien en voor zover daartoe aanleiding bestaat, bij overlegging van het verslag of onderdelen daarvan in de civiele procedure(s) aan de civiele rechter zal verzoeken passende maatregelen te treffen ter bescherming van vertrouwelijke informatie.
De secretaris van de Ondernemingskamer heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van [A]. De daarvoor gegeven termijn is op verzoek van ICTS verlengd.
ICTS heeft bij verweerschrift van 17 juli 2025 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [A] af te wijzen en hem te veroordelen in de proceskosten. Van de overige belanghebbenden is geen reactie ontvangen.
3. De gronden van de beslissing
Voor de feiten wordt verwezen naar hetgeen daarover in de eerdere beschikkingen van de (voorzitter van de) Ondernemingskamer is overwogen.
[A] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat uit het onderzoeksverslag is gebleken dat de door organen van ICTS genomen besluiten tot a) uitgifte van aandelen aan bestuurders, commissarissen en bepaalde functionarissen van ICTS tegen een emissieprijs van USD 0,40 per aandeel (de aandelenuitgifte), (b) de verlaging van de conversieprijs voor een deel van de aan Spencer Corporation Ltd. toekomende conversierechten van USD 0,75 naar USD 0,40 per aandeel (het conversiebesluit) en (c) de bekrachtigingsbesluiten van de raad van commissarissen van 17 november 2023, de besluiten van de algemene vergadering van 20 december 2023 en daarmee samenhangende besluiten, non-existent, nietig dan wel vernietigbaar zijn. [A] stelt zich daarnaast op het standpunt dat ICTS en de bij de genoemde besluiten betrokken (voormalige) bestuurders en commissarissen van ICTS aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door [A] geleden schade. [A] is voornemens om in een procedure bij de Nederlandse civiele rechter procedure(s) aanhangig te maken aangaande (i) de (ver)nietig(baar)heid van de besluiten op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW en (ii) daarmee samenhangende vorderingen jegens ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen. Ter onderbouwing van zijn stellingen in die procedures wenst [A] gemachtigd te worden om mededelingen te doen uit het verslag met bijlagen, al dan niet onder door de voorzitter van de Ondernemingskamer te stellen nadere voorwaarden en/of beperkingen.
ICTS heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Kort gezegd stelt ICTS zich op het standpunt dat het verzoek van [A] geen redelijk doel dient. ICTS heeft alle materiële gevolgen van de gewraakte besluiten al ongedaan gemaakt en de voor een beroep op nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten geldende verval- en verjaringstermijnen zijn inmiddels verstreken. [A] heeft het verslag ook niet nodig omdat alle relevante feiten uit het verslag met bijlagen al zijn opgenomen in en blijken uit de beschikkingen van de Ondernemingskamer in deze zaak. Dat [A] desondanks verzoekt om een machtiging om mededelingen uit het verslag met bijlagen te kunnen doen past in een breder patroon waarbij [A] probeert om ICTS en [B] onder druk te zetten om zijn eigen positie in het kader van een mogelijke uitkoop als aandeelhouder te versterken. Daartegenover staat het belang van ICTS dat het verslag vertrouwelijk is en blijft. Gebruik van het verslag in een openbare procedure kan ertoe leiden dat de inhoud van het verslag en de bijlagen openbaar wordt, wat tot aanzienlijke schade voor ICTS zou kunnen leiden omdat daardoor bij buitenstaanders een onjuiste voorstelling van zaken zou kunnen ontstaan.
Uitgangspunt is dat het onderzoeksverslag vertrouwelijk is en dat het aan anderen dan de vennootschap in beginsel verboden is daaruit mededelingen aan derden te doen (artikel 2:353 lid 3 BW). De voorzitter van de Ondernemingskamer kan evenwel op verzoek een machtiging verlenen om jegens derden mededelingen uit het verslag en/of de daarbij behorende bijlagen te doen. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van de verzoeker om mededelingen uit het verslag te mogen doen en het belang van de vennootschap bij vertrouwelijkheid.
Bij de beoordeling van de gevraagde machtigingen staan het belang van openheid en het belang van vertrouwelijkheid tegenover elkaar. Enerzijds behoort tot de doeleinden van het enquêterecht het verkrijgen van openheid van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid. Anderzijds geldt het in artikel 2:353 lid 3 BW neergelegde (en strafrechtelijk beschermde) uitgangspunt dat het rapport voor zover het niet voor een ieder ter inzage ligt, vertrouwelijk is. Deze vertrouwelijkheid dient de belangen van de rechtspersoon, die zelf dan ook niet aan die vertrouwelijkheid is gebonden.
Overeenkomstig de met voormelde doeleinden nagestreefde openheid verkrijgt onder meer de verzoeker van de enquête op de voet van artikel 2:353 lid 2 BW een exemplaar van het onderzoeksverslag, zij het onder de verplichting de bedoelde vertrouwelijkheid te respecteren (artikel 2:353 lid 3 BW). In verreweg de meeste gevallen bepaalt de Ondernemingskamer bij de deponering dat het verslag slechts ter inzage ligt voor belanghebbenden. Dit samenstel brengt mee dat de verzoeker enerzijds door middel van de enquête toegang krijgt tot – ook – vertrouwelijke informatie, die hij zonder de enquêteprocedure in het algemeen niet zou hebben gehad, maar anderzijds dat de aldus verkregen openheid – in de meeste gevallen – beperkt is.
Rechtstreeks in het verlengde van voormelde doeleinden van het enquêterecht ligt de mogelijkheid om de rechtspersoon en diegenen die verantwoordelijk zijn voor eventueel wanbeleid in rechte aan te spreken tot vergoeding van schade. Het ligt voor de hand dat het in het kader van een enquêteprocedure uitgebrachte verslag van het onderzoek naar het beleid van de betrokken rechtspersoon doorgaans – ook al is de rechter aan de resultaten van het onderzoek niet gebonden – van nut zal kunnen zijn in zo’n op schadevergoeding gerichte procedure. Het zou strijdig met voormelde doeleinden zijn, indien de beperking van de openheid – die zoals gezegd in verreweg de meeste gevallen wordt aangebracht – zo ver gaat dat degene op wiens verzoek de openheid is verkregen het verslag vervolgens niet kan presenteren in die procedure.
Het oogmerk om het onderzoeksverslag in een dergelijke procedure in te brengen vormt dan ook in het algemeen – en zonder dat daarvoor een nadere specificatie of toelichting vereist is – een voldoende zwaarwegend belang om degene op wiens verzoek de openheid is verkregen op de voet van artikel 2:353 lid 3 BW te machtigen om in die procedure mededeling te doen uit het verslag, ook voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt. Om geen verdere inbreuk op de vertrouwelijkheid te maken dan met het oog op de verwezenlijking van voormelde doeleinden noodzakelijk is, dient de te verlenen machtiging wel te worden beperkt tot gebruik in de desbetreffende procedure voor zover de verzoeker dat gebruik ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van zijn stellingen nodig heeft (ECLI:NL:GHAMS:2013:4745, Fortis).
De voorzitter van de Ondernemingskamer is van oordeel dat de belangen van ICTS bij vertrouwelijkheid van het onderzoeksverslag in dit geval onvoldoende zwaarwegend zijn om te prevaleren boven het belang van [A] om met het onderzoeksverslag in rechte diens standpunt(en) te onderbouwen ter zake van de (ver)nietig(baar)heid van de gewraakte besluiten en daarmee samenhangende vorderingen jegens ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen. Daarbij is van belang dat de Ondernemingskamer in de tweedefasebeschikking uitvoerig gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom uit het onderzoeksverslag niet van wanbeleid bij ICTS was gebleken en dat bovendien het belang bij het oordeel wanbeleid was komen te ontbreken doordat niet was gebleken van enige resterende of dreigende schade bij ICTS of haar minderheidsaandeelhouders zoals [A]. Verder weegt mee dat het verzoek om mededelingen te mogen doen uit het verslag en de bijlagen beperkt is tot de bij de Nederlandse overheidsrechter te voeren procedure(s), voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de desbetreffende vorderingen en verweren, dat verdere verspreiding achterwege blijft behoudens voor zover daarvoor afzonderlijke machtiging wordt verleend en dat de civiele rechter zo nodig maatregelen zal kunnen treffen ter bescherming van vertrouwelijke informatie. Bij die stand van zaken legt het argument van ICTS dat gebruik van het verslag in een openbare procedure ertoe kan leiden dat de inhoud van het verslag en de bijlagen openbaar worden waardoor een onjuiste voorstelling van zaken zou kunnen ontstaan, onvoldoende gewicht in de schaal. Het is verder niet aan de voorzitter van de Ondernemingskamer om al in het kader van de beoordeling van dit verzoek een oordeel te geven over de vraag of de vorderingen van [A] toewijsbaar zullen zijn; dat oordeel is aan de civiele rechter. Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag of [A], zoals ICTS meent, oneigenlijk gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de door hem gepretendeerde vorderingen in rechte in te stellen en of [A] in het licht van de ongedaanmaking van de besluiten wel schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van [A] om hem op de voet van artikel 2:353 lid 3 BW te machtigen mededelingen te doen uit het onderzoeksverslag als na te noemen, want geclausuleerd, zal worden toegewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. De beslissing
De voorzitter van de Ondernemingskamer:
machtigt [A] mededelingen te doen uit het verslag inclusief de daarbij behorende bijlagen, van het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ICTS International N.V. zoals neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer op 13 november 2023, uitsluitend aan:
(a) de bevoegde gewone civiele rechter(s) in Nederland in het kader van een of meer procedures over:
i. de (ver)nietig(baar)heid op de grond van de artikelen 2:14 en 2:15 BW, van de besluiten ter zake van de aandelenuitgifte, het conversiebesluit, de bekrachtigingsbesluiten van 17 november 2023, de besluiten van de algemene vergadering van 20 december 2023 en daarmee samenhangende besluiten; en
ii. daarmee samenhangende vorderingen tegen ICTS en/of haar huidige en voormalige bestuurders en commissarissen tot verklaring voor recht, schadevergoeding of andere civielrechtelijke rechtsgevolgen wegens hun betrokkenheid bij, goedkeuring van, uitvoering van of toezicht op de hiervoor bedoelde besluitvorming en transacties en uitvoeringshandelingen;
(b) de wederpartijen in die procedure(s), waaronder ICTS en de betrokken huidige en voormalige bestuurders en commissarissen, uitsluitend voor zover en zolang dat noodzakelijk is voor het voeren van die procedure(s);
(c) de advocaten en overige adviseurs van [A] in verband met de voorbereiding, instelling en behandeling van die procedure(s);
(d) deurwaarders, deskundigen, vertalers en andere hulppersonen voor zover hun kennisneming noodzakelijk is voor de voorbereiding, instelling of behandeling van die procedure(s),
bepaalt dat de machtiging mede omvat het overleggen van het verslag inclusief de daarbij behorende relevante bijlagen als productie in de bedoelde civiele procedure(s), indien en voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de vorderingen en verweren;
bepaalt dat het verslag inclusief de daarbij behorende bijlagen uitsluitend mag worden gebruikt voor de voorbereiding, instelling en behandeling van de bedoelde civiele procedure(s), en dat verdere verspreiding achterwege blijft behoudens voor zover daarvoor afzonderlijke machtiging wordt verleend;
bepaalt dat [A] en/of een van de wederpartijen in de procedure(s), indien en voor zover daartoe aanleiding bestaat, bij overlegging van het verslag of onderdelen daarvan in de civiele procedure(s) aan de civiele rechter zal verzoeken passende maatregelen te treffen ter bescherming van vertrouwelijke informatie;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. de Jongh, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. IJntema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.