beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.363.911/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 oktober 2026
inzake
in het enquête- en het uittredingsverzoek
[A] ,
wonende te [[...]],
VERZOEKER,
advocaten: mr. H.K. Schrama en mr. V.L. Denswil, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOPAEX INVESTMENTS B.V.,
gevestigd te Aerdenhout,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GEELS KOFFIE EN THEE SINDS 1863 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOPAEX BEHEER- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Aerdenhout,
VERWEERSTERS
advocaten: mr. L.I. Velthuysen en mr. T. Visser, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
en tegen
[B] ,
wonende te [[...]]
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen,
in het uitstotingsverzoek
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOPAEX BEHEER- EN EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ B.V.,
gevestigd te Aerdenhout,
VERZOEKSTER
advocaten: mr. L.I. Velthuysen en mr. T. Visser, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
[A] ,
wonende te [[...]],
VERWEERDER,
advocaten: mr. H.K. Schrama en mr. V.L. Denswil, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
en tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOAPEX INVESTMENTS B.V.,
gevestigd te Aerdenhout,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. L.I. Velthuysen en mr. T. Visser, beiden kantoorhoudende te Amsterdam
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
1. De zaak in het kort
Deze procedure gaat over [A] en BEH, beiden aandeelhouder met een 50% belang in BOI, een vennootschap die zich toelegt op de verkoop van thee en aanverwante artikelen. [A] heeft BOI meer dan dertig jaar geleden opgericht met de vader van [B] (hierna: [C]). Samen hebben zij door de jaren heen met succes een in Duitsland en Nederland opererende groep van vennootschappen geëxploiteerd. Kort voor het overlijden van [C] in 2023 is [B] (naast zijn zus) medeaandeelhouder en enig bestuurder van BEH geworden. Nadien is onderling wantrouwen ontstaan tussen [A] en [B] over de wijze waarop zij respectievelijk de Duitse en Nederlandse vennootschappen binnen de groep bestuurden. Dit heeft de samenwerking binnen BOI duurzaam ontwricht. De Ondernemingskamer wijst het verzoek tot uittreding van [A] toe en wijst de verzochte enquête af. Het tegenverzoek tot uitstoting wordt eveneens afgewezen, nu met de toewijzing van het verzoek tot uittreding reeds de beoogde overdracht van de aandelen van [A] wordt bewerkstelligd.
2. Het verloop van het geding
[A] heeft bij verzoekschrift van 21 januari 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van BOI en Geels over de periode vanaf 1 januari 2023;
2. als onmiddellijke voorziening voor de duur van de procedure:
a. een derde persoon te benoemen tot bestuurder van BOI en Geels met beslissende stem en de bevoegdheid om BOI en Geels zelfstandig te vertegenwoordigen, en die het mede tot zijn taak mag rekenen om te bewerkstelligen dat de informatierechten van [A] worden nageleefd en om de aan BOI en Geels onrechtmatig onttrokken vermogensbestanddelen van [B] en/of aan hem gelieerde rechtspersonen terug te vorderen;
b. of een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
3. primair BEH en subsidiair BOI te bevelen de door [A] gehouden aandelen in BOI over te nemen;
4. een of meer deskundigen te benoemen die over de waarde van de aandelen schriftelijk bericht dient uit te brengen;
5. op basis van het deskundigenbericht de prijs van de aandelen vast te stellen onder toepassing van een billijke verhoging;
6. BEH, BOI en Geels te veroordelen in de kosten van de procedure.
BOI, Geels en BEH hebben bij verweerschrift van 9 april 2026 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [A] af te wijzen. BEH heeft ook zelf een verzoek gedaan. Zij heeft de Ondernemingskamer verzocht [A] te bevelen de door hem gehouden aandelen in BOI aan BEH over te dragen en om [A] te veroordelen in de kosten van de procedure.
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 30 april 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. [A] en BEH c.s. hebben voor de zitting nadere producties toegestuurd. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de Ondernemingskamer de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Op 17 augustus 2026 heeft in dat kader een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden, maar dit heeft niet in een minnelijke regeling geresulteerd. Partijen hebben ten slotte de Ondernemingskamer verzocht een beschikking te geven.
3. Feiten
BOI is op 12 april 1994 opgericht. BEH en [A] houden elk 50% van de aandelen in BOI. BEH is enig bestuurder van BOI.
[B] houdt 51% van de aandelen in BEH (zijn zus houdt de andere 49% van de aandelen) en is haar enig bestuurder.
Geels is op 18 augustus 1998 opgericht. BOI is enig aandeelhouder van Geels. [B] en BOI zijn bestuurders van Geels. Geels drijft een onderneming die zich toelegt op het vermarkten van thee en aanverwante artikelen.
[A] is eind jaren zeventig gaan samenwerken met [C], die tot 2021 bestuurder van BEH is geweest en tot kort voor zijn overlijden op 18 februari 2023 aandeelhouder van BEH.
De samenwerking tussen [A] en [C] is door de jaren heen niet beperkt gebleven tot BOI, maar betrof een bredere samenwerking waaronder ook Duitse vennootschappen vielen. In 1996 hebben [A] en BEH samen de aandelen in de Duitse vennootschap Otto Drücker Papier und Folienverarbeitung GmbH (hierna: Otto Drücker) verworven. In de jaren daarna is de groei van de groep gedeeltelijk gefinancierd met winsten uit deze vennootschap.
De groep is door de jaren heen uitgebreid met andere vennootschappen als Tea Goetz GmbH (hierna: Tea Goetz), Aqua Select GmbH (hierna: Aqua Select), Tea-Friends GmbH en TF Teefilter GmbH. BEH en [A] hielden tot voor kort al dan niet indirect steeds allebei een gedeelte van de aandelen in deze vennootschappen. [A] was bestuurder van de Duitse vennootschappen.
[A] en BEH hebben afspraken over de samenwerking binnen de groep niet schriftelijk vastgelegd; de samenwerking berustte op vertrouwen tussen [A] en [C], die over en weer geregeld naar Haarlem en Hannover reisden en veel telefonisch contact hadden.
Geels fungeerde binnen de samenwerking feitelijk als verkoopkanaal voor de Duitse vennootschappen. In Nederland werd door Geels relatief weinig belasting afgedragen en het resultaat van Geels werd door de jaren heen geregeld aangewend om tekorten in Duitse vennootschappen aan te vullen. Dit gebeurde in de vorm van onderlinge prijsafspraken en door het verstrekken van leningen door Geels aan groepsvennootschappen.
De boekhouding van de groepsvennootschappen werd centraal vanuit Duitsland gevoerd. Geels deelde in dat kader op regelmatige basis relevante documenten met de boekhouding in Hannover. De boekhouding werd in de praktijk gevoerd door een daarvoor aangestelde commercieel manager, die rapporteerde aan [C] en [A]. Deze rol werd vanaf 2021 vervuld door de heer [D] (hierna: [D]).
Na het overlijden van [C] in 2023 is de samenwerking binnen de groep veranderd en is tussen [A] en [B] groot onderling wantrouwen ontstaan.
Op 3 mei 2023 trof [A] namens zichzelf en Aqua Select en een schikkingsovereenkomst naar Duits recht uit hoofde waarvan [A] en Aqua Select zich jegens BRITA hoofdelijk verbinden tot betaling van € 750.000,- in verband met een octrooigeschil.
Op 15 november 2023 heeft [D] namens [A] een aantal vragen gesteld aan [B] over het beleid en de gang van zaken binnen BOI en Geels. [D] schrijft:
“(…)
- Allocation of employees: Are there any employees/freelancers who fulfill responsibilities for other companies (e.g. Bobplaza, Tea Culture)? If yes, has Geels received any compensations? Why is it possible that employees communicate with mailaddresses of other companies (e.g. Bobplaza)? Could you provide a copy of the contract with Jaap and with Kim.
- Building rental charges: Please send us a copy of the rental agreement including a plan indicating the rented spaces, offices (with allocation of employees) and warehouse. It would be helpfull if we see the space allocated to other companies/employees.
- Purchase in Sri Lanka: We have understood that the goods have been deliverd to a customer in order to compensate losses due to poor quality. Could you substantiate this by providing the corresponding delivery notes, shipment orders, indicating the concerned article numbers and communication with the customer.
- Insurance: The costs for insurances are actually 250% of the 2020 level. Could you please provide the certificates of insurance that show what kind of risks are covered. What is the reason for the explosion of costs?
- Statement of expense [E]: She has purchased a laptop in Mai 2022 and an Apple PC in October 2022 (see attachment). Who uses the hardware? Can you provide the statement of account showing that both have been set up as an asset.
- Statement of expense [B]: Could you please provide the receipts declared as „Diversen 21%“ in September 2022 (see attachment).
- What ist reason for the extreme high costs for bank charges? Could you provide the details of what has been charged.
- Project Valerie: what are the results? Can you provide any written document (e.g. report, management summary). How can we use them for the group?”
Bij brief van zijn advocaat van 16 december 2023 heeft [A] deze vragen aan [B] herhaald.
In januari 2024 is [B] naar Azië gereisd voor een sabbatical van een aantal maanden.
Bij brief van 22 januari 2024 heeft [A] “acting on behalf of the board (…) of Bopaex Investments B.V.” een aandeelhoudersvergadering van BOI bijeengeroepen. Op de agenda van de vergadering stond de benoeming van een bestuurder, onder verwijzing naar de in artikel 20 van de statuten van BOI geregelde ontstentenis en beletregeling. [A] schrijft in de oproepingsbrief: “It is proposed to appoint Mr [A] as the person responsible for management duties during temporary unavailability of all managing directors.”
[B] heeft op 5 februari 2024 de geldigheid van de bijeenroeping betwist en is niet bij de aandeelhoudersvergadering aanwezig geweest.
Op 15 februari 2024 heeft [A] een buitengewone aandeelhoudersvergadering van Aqua Select in Duitsland bijgewoond. Uit de notulen van die vergadering volgt dat [A] zich als 'bestuurder [A] van Bopaex Investments B.V.' heeft gepresenteerd en voorts dat 100% van het geplaatste kapitaal aanwezig zou zijn geweest.
In februari 2024 is door Tea [A] aan Geels een bedrag van € 332.671,84 in rekening gebracht, in verband met een doorgevoerde prijsverhoging met terugwerkende kracht over de periode oktober 2021 tot en met december 2023.
Bij e-mail van zijn advocaat van 23 februari 2024 heeft [B] gereageerd op de vragen die [A] eind 2023 door tussenkomst van [D] en zijn advocaat heeft gesteld.
Bij brieven van 29 februari 2024 en 23 april 2024 heeft de advocaat van [A] geschreven dat de antwoorden van [B] onvoldoende zijn en heeft hij de bezwaren van [A] opnieuw uiteengezet.
Bij brieven van 1 maart 2024 en 8 april 2024 heeft de advocaat van [B], samengevat, i) [A] verzocht te bevestigen dat hij zich zal onthouden van het vertegenwoordigen van BOI als bestuurder, ii) verzocht om eenzijdig doorgevoerde prijsverhogingen met terugwerkende kracht van de door Tea Goetz aan Geels gerekende prijzen ongedaan te maken en iii) om [B] weer toegang te geven tot de zich in Duitsland bevindende administratie.
Op 9 april 2024 zijn BOI en BEH bij het Landgericht Hannover procedures begonnen tegen respectievelijk Aqua Select en Tea Goetz, waarin onder meer het verstrekken van informatie en inzage in bepaalde documenten is gevorderd.
Op 15 mei 2024 vond een aandeelhoudersvergadering in BOI plaats. Naast [A] en [B] en hun advocaten was op deze vergadering ook [D] aanwezig. Op deze vergadering heeft [A] bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de jaarrekening over het boekjaar 2022/2023. Ten aanzien van de jaarrekening over boekjaar 2021/2022 heeft [A] zich op het standpunt gesteld dat deze ten onrechte als vastgesteld is gedeponeerd bij het Handelsregister de Kamer van Koophandel.
[A] en [B] hebben op de aandeelhoudersvergadering de bestaande geschillen besproken en geconcludeerd dat het onderling vertrouwen aanzienlijk was geslonken. De vergadering is vervolgens aangehouden met als doel om het onderling vertrouwen te herstellen. In dat kader is afgesproken dat [D] een bezoek zou brengen aan Haarlem en toegang zou krijgen tot de administratie van Geels om te beoordelen of hij de bij [A] bestaande vragen aan de hand hiervan zou kunnen beantwoorden. Spiegelbeeldig werd [B] de gelegenheid geboden om inzage te krijgen in de administratie van de Duitse vennootschappen. In het licht van deze afspraken werden de Duitse procedures van BOI en BEH tegen Aqua Select en Tea Goetz aangehouden.
Op 23 mei 2024 is [D] in Nederland geweest en heeft hij toegang gekregen tot de zich in Nederland bevindende administratie. Aan de hand van zijn waarnemingen heeft hij op 30 mei 2024 een verslag opgeleverd. In zijn verslag schrijft [D] onder meer:
“(…) The investigation could not confirm that Mr. [B] systematically and intentionally neglected the interests of the company in favor of his own interests or those of his other companies.
It can be seen that the organization at the [[...]] location in Haarlem is structured as if the companies were under a single management. The reason for this is that an attempt is being made to work in an economically optimal manner. In many respects, there is therefore no strict separation of the companies. Nevertheless, we were able to observe that an attempt is being made to ensure that
costs are separated. This is contractually clear and unambiguous where it is possible, e.g. with regard to personnel or the use of buildings. In cases where services are jointly provided, however, it is difficult. Certain joint costs are borne by Geels, but others are also borne by other companies for Geels. This will be discussed in more detail below.
The result is that this type of cost separation leads to inaccuracies in practice. An exact cost distribution is therefore not really to be expected. There are also a few cases in which Geels has taken on costs from other companies where costs could have been separated. However, no excessive discrimination against Geels could be found.
(…)
4. Conclusion
The findings can be summarized as follows:
1. A conscious and systematic one-sided taking of advantage by the management in favor of other companies belonging to BP could not be established.
2. Nevertheless, it can be seen that the cost allocation is only rough and therefore not precise. The allocation and distribution is not consistent and not according to predetermined rules. It is not possible to determine with certainty to what advantage or disadvantage the cost allocation is. It was not possible to determine whether Geels was excessively disadvantaged.
3. The contractual basis is inadequate in most cases. Many agreements are only agreed upon and not recorded in writing in terms of content and scope. The urgent recommendation is to change this.
In principle, the situation is comparable to the approach in Hanover, where there is a similar problem. In contrast to the situation in the Netherlands, however, almost all agreements on intercompany services are recorded or documented in writing.”
[B] heeft geen bezoek aan Duitsland gebracht om de zich daar bevindende administratie in te zien.
Op 31 mei 2024 is Aqua Select Canada failliet gegaan.
Naar aanleiding van het verslag van [D] hebben (de advocaten van) [A] en [B] nadere brieven en e-mails gewisseld met daarin verwijten over en weer, onder meer op 17 en 21 juni 2024, 1 en 16 juli 2024.
Op 17 juli 2024 is de aandeelhoudersvergadering van 15 mei 2024 voortgezet. De jaarrekening van BOI is niet vastgesteld, omdat [A] tegen het voorstel tot vaststelling stemde. Deze jaarrekening, met daarin de opmerking dat [A] deze niet ondertekend heeft, omdat hij hiermee niet akkoord is, is op 17 juli 2024 gedeponeerd bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Op de aandeelhoudersvergadering van 17 juli 2024 is tussen [A] en [B] afgesproken dat zij ieder een nadere lijst van openstaande vragen aan elkaar zouden verstrekken. Op 19 augustus 2024 hebben partijen hun vragenlijsten over en weer gedeeld. Op deze vragenlijsten is over- en weer niet gereageerd.
Op 18 juli 2024 heeft [A] [B] geïnformeerd over het faillissement van Aqua Select Canada en de voorgenomen liquidatie van de Britse en Amerikaanse groepsvennootschappen.
Op 28 augustus 2024 heeft [A] [B] bericht dat hij op het punt stond het faillissement van Aqua Select en Tea Goetz aan te vragen.
Op 24 oktober 2024 heeft een aandeelhoudersvergadering van BOI plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering heeft [A] [B] geconfronteerd met een borgstelling naar Duits recht uit 2006 uit hoofde waarvan BEH en [C] hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor 50% van de uitstaande leningen van Tea Goetz. [B] heeft deze aansprakelijkheid betwist.
Op 30 november 2024 is Tea Goetz failliet gegaan. Na het faillissement van Tea Goetz is Otto Drücker de laatst resterende groepsvennootschap in Duitsland waar BOI aandelen in houdt.
Op 9 april 2025 heeft een aandeelhoudersvergadering van BOI plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering zijn de tussen [A] en [B] bestaande geschilpunten wederom besproken, zonder dat dit tot een oplossing heeft geleid.
[A] en [B] hebben in de periode die volgde over en weer voorstellen gedaan voor ontvlechting, maar hebben daarover geen overeenstemming bereikt.
Op 21 januari 2026 heeft [A] zijn verzoekschrift bij de Ondernemingskamer ingediend.
Op 25 februari 2026 is [A] een procedure gestart tegen BEH bij het Landgericht Hannover waarin hij betaling vordert van openstaande facturen en uit hoofde van de borgstelling uit 2006.
4. De gronden van de beslissing
Het enquêteverzoek, het uittredingsverzoek en het uitstotingsverzoek
[A] heeft aan zijn enquêteverzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van BOI en dat de toestand van de vennootschap nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting heeft [A] – samengevat – de volgende punten naar voren gebracht:
a) [B] laat structureel na om essentiële informatie over het beleid, de financiële positie en de gang van zaken binnen BOI en Geels tijdig, volledig en transparant met [A] te delen. Verzoeken van [A] om opheldering over onder meer de jaarrekeningen, bezoldiging, de allocatie van kosten tussen BOI en Geels en aan [B] gelieerde entiteiten en transacties met de aan [B] gelieerde entiteiten worden onvolledig of ontwijkend beantwoord.
b) [B] laat ook na om eigener beweging de vereiste openheid van zaken te geven over transacties en kostenallocaties tussen BOI en Geels enerzijds en aan [B] gelieerde vennootschappen anderzijds. Dit terwijl er sterke indicaties zijn dat Geels de kosten draagt voor bedrijfsmiddelen die (mede) ten behoeve van aan [B] gelieerde vennootschappen worden ingezet, zonder adequate compensatie. [A] heeft het vermoeden dat [B] goederen heeft ingekocht op kosten van Geels, maar deze vervolgens heeft verhandeld met een andere aan hem gelieerde vennootschap.
c) Paardekoper en BEH ontvangen een te hoge beloning voor hun werkzaamheden als bestuurder waar niet de volgens de statuten vereiste besluitvorming aan ten grondslag ligt en die bovendien niet in verhouding staat tot de bescheiden vergoeding die [A] de afgelopen jaren voor zijn inzet bij de Duitse vennootschappen heeft ontvangen. Dit is bijzonder kwalijk gelet op de weigering van [B] om bij BOI dividend uit te keren.
d) [B] heeft de conceptjaarrekeningen 2021/2022 pas in november 2023 aan [A] verstrekt, terwijl het boekjaar op 30 juni 2022 was geëindigd en door de aandeelhoudersvergadering geen uitstel was verleend. De jaarrekeningen zijn bovendien niet op correcte wijze vastgesteld, en BEH heeft onterecht melding gemaakt van vaststelling bij de deponering van de jaarrekeningen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. BEH heeft tot slot verzuimd om de aandeelhoudersvergadering tijdig bijeen te roepen, waardoor belangrijke onderwerpen – waaronder de vaststelling van de jaarrekening en het uitkeren van dividend – niet of niet tijdig in de algemene vergadering zijn besproken.
[A] heeft aan zijn uittredingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij door gedragingen van BEH zodanig in zijn rechten en belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Als toelichting heeft [A] – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Waar voorheen, onder leiding van [C] en [A], het beleid en de dagelijkse gang van zaken binnen de groep werden vormgegeven op basis van wederzijds vertrouwen, transparantie en informeel overleg, is na het overlijden van [C] een diepgaande vertrouwensbreuk ontstaan. De communicatie tussen beide joint venture partners is volledig vastgelopen. Door het ontbreken van normaal contact, het structureel onthouden van essentiële informatie en het uitblijven van transparantie en overleg, is het voor [A] onmogelijk geworden om zijn aandeelhouderschap op een zinvolle en effectieve wijze voort te zetten. Ook leveren zowel het feit dat dividenduitkeringen vanuit BOI zonder goede grond door [B] en BEH worden geblokkeerd als het feit dat [B] BOI en Geels beconcurreert met andere (neven)vennootschappen onder deze omstandigheden grond op voor uittreding.
BEH heeft aan het uitstotingsverzoek ten grondslag gelegd dat [A] door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Als toelichting heeft BEH – samengevat – het volgende naar voren gebracht.
a) [A] heeft zonder rechtvaardiging de (rente)betalingen van enkele Duitse vennootschappen binnen de groep aan BEH stopgezet.
b) [A] heeft op 6 februari 2024 op een door hemzelf onbevoegd bijeengeroepen aandeelhoudersvergadering getracht om zichzelf tot bestuurder van BOI te benoemen en is vervolgens ook als zodanig naar buiten getreden met als doel om het mandaat van de Duitse advocaat van BOI in te trekken.
c) [A] heeft de Duitse groepsvennootschappen bewust laten failleren om de activiteiten vervolgens voor een bodemprijs van de curator over te nemen.
d) [A] heeft de winstgevende onderneming van Otto Drücker uitgehold onder meer door deze vennootschap te laten fungeren als financier van andere (inmiddels gefailleerde) Duitse groepsvennootschappen, waardoor de liquiditeit binnen Otto Drücker is weggevloeid en niet als dividend aan BOI is uitgekeerd.
e) [A] tracht te voorkomen dat andere leveranciers dan de Duitse groepsvennootschappen goederen leveren aan Geels door, een leverancier van Geels, te weten Kirchner, Fischer & Co GmbH te laten benaderen met de boodschap dat het Geels op grond van een contractueel overeengekomen exclusiviteit verboden is om met derden een samenwerking aan te gaan.
f) [A] heeft de toegang van BEH tot de administratie van Tea Goetz en (gedeeltelijk) Geels beperkt, de toegang tot de zakelijke e-mailaccounts van Geels geblokkeerd en bezoekers van de website van Geels doorgeleid naar de website van Tea Goetz, althans naar de website van Universitea, een concurrerende aan [A] gelieerde vennootschap.
g) [A] tracht [B] en BOI financiële schade toe te brengen door hen hoofdelijk aansprakelijk te houden uit hoofde van een volgens [B] vervalste borgstelling naar Duits recht die [C] in 2006 namens BEH en zichzelf verstrekt zou hebben.
h) [A] heeft BEH genoodzaakt een procedure in Duitsland te starten door geen adequate antwoorden te geven op informatieverzoeken van BEH.
i) [A] heeft in hoedanigheid van bestuurder van Tea Goetz GmbH op 22 februari 2024 met terugwerkende kracht een prijsverhoging van 10% over de periode oktober 2021 tot en met december 2023 bij Geels in rekening gebracht en in verband daarmee Geels verzocht om € 332.671,84 te betalen
j) [A] is wantrouwig en vijandig tegenover Paardekoper en weigert onder meer om innovatieve ideeën te bespreken en om in te gaan op de pogingen van [B] om tot een constructieve oplossing voor het geschil tussen partijen te komen.
[A] en BEH c.s. hebben over en weer gemotiveerd verweer gevoerd tegen de aan de verzoeken ten grondslag gelegde gronden en gedragingen.
De beoordeling van de verzoeken
Ten aanzien van het uittredingsverzoek overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Voor toewijzing van het uittredingsverzoek is vereist dat [A] door gedragingen van BEH zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd (art. 2:343 lid 1 BW). In deze norm liggen een gedragscriterium, een schadecriterium en een redelijkheidscriterium besloten, die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Bij de toepassing van deze norm zijn niet alleen relevant gedragingen ten aanzien waarvan de verwerende aandeelhouder een verwijt treft; ook gedragingen die zich bevinden in zijn risicosfeer kunnen leiden tot of bijdragen aan toewijzing van het verzoek (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2019:3222, Gebroeders Maassen). Het redelijkheidscriterium vergt dat de Ondernemingskamer een belangenafweging maakt tussen enerzijds het belang van de verzoekende aandeelhouder bij het eindigen van haar aandeelhouderschap en anderzijds het belang van BEH (en subsidiair BOI) om niet gedwongen te worden tot overname. In die belangenafweging wordt ook het belang van de vennootschap meegewogen.
De Ondernemingskamer stelt vast dat [A] en [B] het met elkaar eens zijn dat de verhouding tussen hen beiden ernstig en duurzaam is verstoord, dat het belang van BOI en Geels daardoor wordt geschaad en dat voortzetting van hun gezamenlijk aandeelhouderschap dientengevolge ook niet langer van hen kan worden gevergd (vgl. voor uitstoting ECLI:NL:GHAMS:2025:2275, Autodemontagebedrijf). Dit volgt reeds uit de omstandigheid dat beide partijen de beëindiging van de samenwerking verzoeken, maar dit is ook met zoveel woorden door partijen bevestigd. Hoewel partijen het erover eens zijn dat hun samenwerking in BOI moet eindigen en zij al diverse pogingen deden om hun belangen te ontvlechten, slagen zij daar niet in. De Ondernemingskamer kan niet vaststellen of alle verwijten over en weer terecht zijn, maar uit hetgeen is aangevoerd volgt in ieder geval dat zowel [A] als BEH ([B]) een bijdrage hebben geleverd aan het doen ontstaan en het laten voortbestaan van de onwerkbare situatie. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de Ondernemingskamer van oordeel dat bij deze stand van zaken het belang van BOI vergt dat het aandeelhouderschap van één van beide aandeelhouders eindigt. Nu partijen het er gelet op hun verzoeken over en weer onderling kennelijk over eens zijn dat het aandeelhouderschap van [A] dient te eindigen door een overdracht van de door hem gehouden aandelen aan BEH, zal de Ondernemingskamer het verzoek van [A] tot uittreding toewijzen.
Aan een beoordeling van het door BEH ingestelde verzoek tot uitstoting van [A] komt de Ondernemingskamer bij deze stand van zaken niet meer toe. Met de toewijzing van het verzoek tot uittreding is de door BEH nagestreefde beëindiging van het aandeelhouderschap van [A] immers een feit, zodat BEH geen zelfstandig belang meer heeft bij een afzonderlijke beoordeling van de vraag of ook aan de maatstaf van artikel 2:336a lid 1 BW is voldaan. Het verzoek van BEH zal worden afgewezen.
Ten aanzien van het enquêteverzoek overweegt de Ondernemingskamer als volgt. De bevoegdheid een enquête te bevelen indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, is een discretionaire. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De belangenafweging moet steunen op de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij naast de doeleinden van het enquêterecht mede moeten worden betrokken de aard van het tussen de verzoekers en de rechtspersoon bestaande geschil en de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon en bij de belangenafweging staat dat belang daarom voorop (zie HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, Funda).
De Ondernemingskamer is van oordeel dat het gelasten van een onderzoek bij de huidige stand van zaken niet meer in het belang is van BOI en haar onderneming. Partijen zijn het er over eens dat verdere samenwerking niet langer mogelijk is, dat het in de rede ligt dat BEH de onderneming zal voortzetten en dat [A] zijn aandelen daarom zal moeten overdragen. Alleen over de daarvoor te betalen prijs zijn zij het niet eens. Het belang van BOI is nu het meest gediend met een spoedige scheiding der wegen. Met de toewijzing van het uittredingsverzoek van [A], kan dat proces in gang worden gezet waarbij in de waardering door de deskundige ook de door [A] aangedragen concrete bezwaren kunnen worden onderzocht en meegewogen (zie hierna onder 4.14). Een parallel daaraan te gelasten onderzoek in een enquêteprocedure, met de daaraan verbonden kosten en de daaraan te besteden tijd en aandacht, voegt daar in dit geval onvoldoende aan toe. Het enquêteverzoek zal daarom worden afgewezen en voor de verzochte onmiddellijke voorzieningen bestaat dan geen grondslag.
Prijsbepaling
Voor de vaststelling door de Ondernemingskamer van de prijs van de over te nemen aandelen geldt als uitgangspunt dat [A] recht heeft op een reële en redelijke vergoeding voor de waarde van zijn aandelen.
De Ondernemingskamer zal hierna op grond van artikel 2:343 lid 2 jo. 2:339 lid 1 BW, één deskundige benoemen en deze vragen een onderzoek te verrichten naar de waarde van de aandelen en daarover schriftelijk te berichten. De Ondernemingskamer wijst in dat kader op de door de haar gepubliceerde Leidraad voor de deskundigen in de geschillenregeling (hierna: de Leidraad) die van toepassing zal zijn en waarop de deskundige acht dient te slaan.
Voor de waardering geldt conform de Leidraad een waarderingsmethode op basis van het disconteren van toekomstige geldstromen, zo nodig in combinatie met een andere waarderingsmethode bij wijze van kruiscontrole.
De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de peildatum voor de waardering van de aandelen zal zijn de datum van deze beschikking – althans een zo dicht mogelijk daarbij liggende door de deskundige te bepalen praktische datum.
In verband met de door [A] verzochte billijke verhoging van de voor de aandelen te betalen prijs heeft hij onder meer erop gewezen dat:
- uit het onderzoek van [D] blijkt dat Geels een deel van de kosten draagt van bedrijfsruimte, verzekeringen en personeel die (ook) worden gebruikt door andere aan Paardekoper gelieerde ondernemingen, waaronder Bobplaza B.V.;
- dat door Geels ingekochte goederen door andere aan Paardekoper gelieerde ondernemingen worden verhandeld;
- dat Paardekoper (althans BEH) een te hoge beloning voor diens werkzaamheden voor BOI en Geels zou ontvangen, waaronder ook de lease van een Porsche en een golfclublidmaatschap voor twee personen.
De Ondernemingskamer zal de te benoemen deskundige vragen deze onderwerpen bij zijn onderzoek te betrekken en - indien daar naar het oordeel van de deskundige aanleiding toe bestaat - daarbij ook te vermelden of, en zo ja in welke omvang, een en ander van invloed is op de waarde van de aandelen in BOI op de peildatum. De Ondernemingskamer zal vervolgens bij de vaststelling van de prijs van de door BOI of BEH over te nemen aandelen mede op basis van de bevindingen van de deskundige kunnen beoordelen of al dan niet grond bestaat om een billijke verhoging toe te passen.
De Ondernemingskamer wijst erop dat het aan de deskundige is om te bepalen welke informatie nodig is voor het deskundigenonderzoek. Daarbij kan de deskundige de bronnen – waaronder de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon – raadplegen die hij nodig en nuttig acht. De bezittingen van de rechtspersoon moeten de deskundige desverlangd worden getoond (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 1 BW). Partijen zijn verplicht mee te werken aan het deskundigenonderzoek en de informatie waar de deskundige om verzoekt met voortvarendheid te verstrekken. Indien daaraan niet wordt voldaan, kan de Ondernemingskamer daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht (art. 190 lid 3 Rv).
De Ondernemingskamer wijst er verder op dat de deskundige de Ondernemingskamer zo nodig kan verzoeken hem te machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van nauw verbonden rechtspersonen (art. 2:339 lid 1 BW in verbinding met art. 2:351 lid 4 BW), zoals hier Geels en aan BEH of aan [B] gelieerde vennootschappen.
De Ondernemingskamer zal de te benoemen deskundige vragen om binnen vier weken – of zoveel eerder als mogelijk – een plan van aanpak met een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer stelt partijen zo nodig in de gelegenheid zich over het definitieve plan van aanpak uit te laten en bepaalt vervolgens bij beschikking de hoogte (inclusief btw) van het voor de kosten van de deskundige ter griffie te storten voorschot, tenzij partijen over dit laatste punt afwijkende afspraken maken. In diezelfde beschikking zal de Ondernemingskamer bepalen binnen welke termijn de deskundige het deskundigenbericht dient uit te brengen.
Na indiening van het deskundigenbericht zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk op het deskundigenbericht te reageren en hun zienswijze kenbaar te maken, waarna de Ondernemingskamer (tenzij alle partijen laten weten daarop geen prijs te stellen) een mondelinge behandeling zal bepalen ter bespreking van het deskundigenbericht en de vaststellen van de prijs van de over te dragen aandelen.
Ingevolge artikel 2:340 lid 1 BW zal de Ondernemingskamer in de beschikking waarin zij de prijs van de aandelen vaststelt, bepalen wie uiteindelijk de kosten van het deskundigenonderzoek dient te dragen. Vooruitlopend daarop zal de Ondernemingskamer bepalen dat het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste komt van BEH en [A], ieder voor de helft.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De Ondernemingskamer:
in de geschillenregelingprocedure
a. beveelt een onderzoek naar de waarde van de door [A] gehouden aandelen in Bopaex Investments B.V., per heden, althans een zo dicht mogelijk daarbij liggende door de deskundige te bepalen praktische datum;
b. benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon (deskundige) om het onderzoek naar de waarde van de door [A] gehouden aandelen in Bopaex Investments B.V. te verrichten;
c. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig – in de zin van artikel 190 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van de Ondernemingskamer – zal verrichten;
d. bepaalt dat de griffier van de Ondernemingskamer onverwijld een afschrift van deze beschikking en het procesdossier aan de deskundige zal doen toekomen;
e. verzoekt de deskundige binnen vier weken – of zoveel eerder als mogelijk – een plan van aanpak met een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
f. bepaalt dat Bopaex Beheer en Exploitatiemaatschappij B.V. en [A], ieder voor de helft het voorschot op de kosten van de deskundige zal dragen en dat de deskundige niet met zijn werkzaamheden voor het opstellen van een plan van aanpak behoeft te beginnen voordat een bedrag van in totaal € 10.000 als voorschot is ontvangen;
g. bepaalt dat de deskundige, in het kader van zijn onderzoek, partijen in de gelegenheid dient te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat uit het schriftelijk bericht van het onderzoek dient te blijken dat aan dit voorschrift is voldaan;
h. benoemt mr. E. Loesberg tot raadsheer-commissaris;
i. houdt iedere verdere beslissing aan;
in de enquêteprocedure
j. wijst het verzoek van [A] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg, voorzitter, A.W.H. Vink, mr. W.A.H. Melissen, raadsheren, en drs. G. Eikelenboom AG en mr. drs. F. Marring RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. S. IJntema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.