Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 22 april 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] , opzettelijk van het leven te beroven,
- zijn, verdachtes arm in een zogenaamde wurggreep/nekklem om de keel/hals van die [benadeelde partij] heeft gebracht en/of aldus (gedurende enige tijd) druk heeft uitgeoefend op de keel/hals van die [benadeelde partij] , en/of
- met zijn, verdachtes andere arm die wurggreep/nekklem heeft versterkt/strakker aangetrokken en aldus de druk op de keel/hals van die [benadeelde partij] heeft opgevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 22 april 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- zijn, verdachtes arm in een zogenaamde wurggreep/nekklem om de keel/hals van die [benadeelde partij] heeft gebracht en/of aldus (gedurende enige tijd) druk heeft uitgeoefend op de keel/hals van die [benadeelde partij] , en/of
- met zijn, verdachtes andere arm die wurggreep/nekklem heeft versterkt/strakker aangetrokken en aldus de druk op de keel/hals van die [benadeelde partij] heeft opgevoerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair hij op of omstreeks 22 april 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld door;
- zijn, verdachtes arm in een zogenaamde wurggreep/nekklem om de keel/hals van
die [benadeelde partij] te brengen en/of aldus (gedurende enige tijd) druk te houden op de
keel/hals van die [benadeelde partij] , en/of
- met zijn, verdachtes andere arm die wurggreep/nekklem te versterken/strakker
aan te trekken en aldus de druk op de keel/hals van die [benadeelde partij] op te voeren.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt.
Standpunten
De advocaat-generaal heeft een bewezenverklaring gevorderd voor het subsidiair tenlastegelegde. Daartoe is door de advocaat-generaal aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde partij] , [getuige] , het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden en de camerabeelden tot de conclusie leiden dat de verdachte gedurende langere tijd een nekklem bij de aangever heeft aangebracht waardoor een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bestond. De advocaat-generaal heeft verder betoogd dat het door de verdediging gedane noodweer(exces)-verweer dient te worden verworpen.
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangever om zijn nek/hals heeft vastgepakt en dat er geen objectief bewijs is voor de kracht waarmee dat is gebeurd. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en, zo die er al was, van het bewust aanvaarden daarvan. Subsidiair heeft de raadsman – afhankelijk van de kwalificatie – ontslag van alle rechtsvervolging dan wel vrijspraak bepleit aangezien de verdachte een geslaagd beroep toekomt op noodweer(exces).
Oordeel van het hof
Het hof stelt vast dat zich in het dossier verscheidene verklaringen bevindingen van getuigen. Enerzijds zijn er de verklaringen van de aangever, [benadeelde partij] , en zijn vriend, [getuige] . Anderzijds bestaat het dossier uit verklaringen van meerdere medewerkers van club [bedrijf 1] en de verklaring van de verdachte, die als portier werkte bij de in dezelfde straat gevestigde [bedrijf 2] . Al deze verklaringen zijn niet eensluidend en in een aantal opzichten liggen die zelfs ver uit elkaar. Het is, naar het oordeel van het hof, dan ook niet mogelijk op basis van louter die verklaringen vast te stellen wat precies in de club is voorgevallen. Het hof zal die verklaringen dan ook niet als uitgangspunt voor zijn beoordeling gebruiken. Het dossier bevat daarnaast een proces-verbaal van bevindingen waarin beschreven wordt wat op verschillende camera’s in en rond club [bedrijf 1] – waar het incident plaatsvond – te zien is. Ook de camerabeelden maken onderdeel uit van het dossier.
Het hof heeft bij de beoordeling van wat zich in de club heeft afgespeeld de als objectieve bron aan te merken camerabeelden als uitgangspunt genomen. Uit de beelden van de camera die gericht staat op de voordeur van club [bedrijf 1] is op te maken dat de verdachte – voordat hij de aangever beetpakt – [getuige] buiten de club zet en dat dit relatief rustig verloopt. Vervolgens komen de verdachte en aangever in beeld en is te zien dat de verdachte aangever stevig in zijn greep houdt met een arm in de omgeving van de nek van de aangever. De verdachte houdt de aangever gedurende zo’n 25 seconden vast alvorens de aangever – nog steeds in een stevige greep – naar buiten wordt gewerkt. Gedurende die 25 seconden is weliswaar te zien dat de verdachte de aangever in zijn greep heeft en onder controle houdt, maar door de aanwezigheid van medewerkers van club [bedrijf 1] op de camerabeelden, is niet te zien hoe dat in de greep houden en onder controle houden precies verloopt. Uit die beelden valt dan ook niet op te maken dat de verdachte de aangever zodanig in zijn greep houdt dat de aangever daardoor geen lucht meer kon krijgen en op enig moment out is gegaan, zoals de aangever verklaart. Dat laatste lijkt juist niet uit de camerabeelden te volgen, aangezien op de beelden te zien is dat bij het naar buiten lopen – terwijl de verdachte de aangever nog vast heeft – de aangever niet bewusteloos is.
Het hof kan dan ook niet concluderen dat de wijze waarop de verdachte de aangever in zijn greep had de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat de aangever zou kunnen komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte dient derhalve van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
Het hof neemt op basis van de camerabeelden, de verklaring van de aangever en de daarbij gevoegde foto aan dat de aangever door het handelen van de verdachte pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. Tot een bewezenverklaring van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling leidt dit evenwel niet, omdat het hof van oordeel is dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
Een beroep op noodweer slaagt als sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die is gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake indien een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding bestaat. De gestelde (dreigende) aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.
Uit de even genoemde camerabeelden volgt dat de aangever – nadat hij volgens zijn verklaring een knal binnen in de club hoorde – over het toegangshekje springt en met versnelde pas naar binnen toe gaat. De verdachte volgt niet veel later en werkt eerst [getuige] relatief rustig naar buiten. Vervolgens gaat de verdachte uit beeld richting het plateau waar de vriendin van de aangever terecht is gekomen en waar de aangever zich eveneens bevindt. Wat zich op dat plateau afspeelt is op de camerabeelden niet te zien en daarvan is, zoals hiervoor al aangegeven, uit de verklaringen geen eensluidend beeld op te maken.
Het hof acht evenwel niet onaannemelijk dat de aangever zich (verbaal) agressief gedroeg en getracht heeft om [persoon 1] en/of de verdachte te slaan, gelet op de op dat punt eensluidende verklaringen van [persoon 1] , [persoon 2] en de verdachte, en de reden waarom de verdachte de club weer inging, daarmee meegenomen dat de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had genuttigd en naar eigen zeggen bij zijn vriendin wilde komen die in zijn beleving door medewerkers van club [bedrijf 1] iets was aangedaan. Daarmee bestond een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen en/of andermans lijf. De verdachte heeft de aangever vervolgens vastgepakt en onder controle gebracht op een wijze die op zichzelf als eenvoudige mishandeling zou zijn te duiden. De verdachte ging daarbij naar eigen zeggen de-escalerend te werk en het hof neemt dat aan, mede in het licht van zijn eerdere, en op het oog rustige handelen ten aanzien van [getuige] . Gezien de aard van de aanranding is het hof van oordeel dat de wijze van verdediging van de verdachte – terughoudend beschouwd en in aanmerking genomen dat niet is vast te stellen welke mate van druk de verdachte uitoefende op de nek/hals van de aangever – in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding jegens hem en/of [persoon 1] , terwijl niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het beroep op noodweer slaagt derhalve.
In het begrip mishandeling ligt de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. Nu op grond van het voorgaande blijkt dat sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor de gedraging van de verdachte, ontvalt daarmee de wederrechtelijkheid aan de mishandeling en kan dit bestanddeel niet worden bewezen, zodat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.
Het hof is dus van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte volledig moet worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.240,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 940,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. J.W.P. van Heusden en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. N. van Gelder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 januari 2026.
mr. J.F.C. Schnitzler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]