ECLI:NL:GHAMS:2026:2990

ECLI:NL:GHAMS:2026:2990

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 20-10-2026
Zaaknummer 200.366.431/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

gezag, hoofdverblijfplaats en omgang. Artikel: 1:253c lid 4 BW

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.366.431/01

zaaknummer rechtbank: C/13/760054 / FA RK 24-8074

beschikking van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. R. Croes-Bleijendaal te Heerhugowaard,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: WSS.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- [pleegvader] , hierna: de pleegvader,

- [pleegmoeder] , hierna: de pleegmoeder, en

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ,

en als informant aangemerkt:

- Pleegzorg Leger des Heils Oost (hierna: Pleegzorg).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,

hierna: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (4 jaar), haar hoofdverblijfplaats en de omgang tussen haar en de vader.

De rechtbank heeft de omgang tussen [minderjarige] en de vader uitgebreid en de verzoeken van de vader ten aanzien van het gezag over [minderjarige] en haar hoofdverblijfplaats afgewezen.

De vader is het daar niet geheel mee eens en wil met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] worden belast, dan wel dat haar hoofdverblijfplaats bij hem wordt bepaald, dan wel dat de omgang verder wordt uitgebreid.

2. De procedure in hoger beroep

De vader is op 17 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een beschikking van 19 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

WSS heeft op 6 mei 2026 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- het proces-verbaal van de behandeling bij de rechtbank, ingediend door de vader op 13 april 2026;

- een bericht van Pleegzorg van 18 mei 2026;

een bericht van Pleegzorg van 14 juli 2026;

- een bericht van de zijde van de vader van 14 augustus 2026, met bijlagen; en

- een bericht van Pleegzorg van 17 augustus 2026, met bijlagen.

De zitting heeft op 20 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- twee vertegenwoordigers van WSS,

- de pleegvader en de pleegmoeder (hierna gezamenlijk: de pleegouders),

- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers, en

- [X] namens Pleegzorg.

De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3. De feiten

De vader en [de moeder] (hierna: de moeder) zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021. De relatie van de vader en de moeder is begin 2022 verbroken.

De vader is [in] 2024 gehuwd. Uit dit huwelijk is een zoon, [zoon] , geboren [in] 2025.

Voogdij

De moeder stond ten tijde van de geboorte van [minderjarige] onder curatele en was daardoor onbevoegd tot het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Bij beschikking van 26 januari 2022 van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, is WSS belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van drie maanden.

Bij beschikking van 6 februari 2024 van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, is WSS benoemd tot voogd over [minderjarige] .

Uithuisplaatsing

Op 28 januari 2022 heeft WSS [minderjarige] bij de pleegouders geplaatst. Tot hun gezin behoort nog een pleegkind (8 jaar oud) en hun zoontje van twee jaar oud. De pleegouders wonen in [plaats C] .

Omgang

Sinds februari 2023 vond er geen contact meer plaats tussen [minderjarige] en de moeder. In die maand is wel het contact tussen de vader en [minderjarige] hervat (dat verbroken was met het verbreken van de relatie). Aanvankelijk zagen [minderjarige] en de vader elkaar eens in de drie weken gedurende twee uur en vervolgens eens in de twee weken. Sinds het najaar van 2025 is de omgang uitgebreid naar zes uur en vervolgens naar acht uur per keer. De omgang vond bij de vader thuis plaats, onder begeleiding.

Sinds het tweede kwartaal 2025 is er weer contact tussen [minderjarige] en de moeder. Eens per twee maanden ondernemen zij gedurende circa twee uur samen iets in bijzijn van de pleegmoeder.

Erkenning

Bij beschikking van 20 april 2023 heeft de rechtbank Gelderland de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar, kort gezegd, de vraag of aan de vader vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] moet worden verleend.

Bij beschikking van 6 februari 2024 is aan de vader vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. Deze erkenning heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2024.

Raadsrapport

Bij beschikking van 2 januari 2025 heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek te verrichten ten aanzien van het gezag, de (hoofd)verblijfplaats van [minderjarige] en de omgangsregeling.

Bij de stukken bevindt zich een raadsrapport van 9 september 2025. Hierin staat onder meer het volgende:

De raad heeft zorgen over de vraag of er voldoende ruimte geboden is en wordt aan zowel [minderjarige] als de vader. De contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader zijn qua frequentie en tijd relatief kort om de hechtingsrelatie goed aan te gaan. [minderjarige] heeft het in deze fase juist nodig - met name voor haar identiteitsontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling - om ook de hechtingsband met de vader (en zijn echtgenote en haar halfbroertje) veilig te kunnen vormen en de breuk te kunnen herstellen. Dit kan voorkomen dat [minderjarige] , wanneer zij ouder is, persoonlijke problemen ontwikkelt zoals een negatief zelfbeeld of faalangst.

Door de moeder en WSS is tijdens het onderzoek gesproken over vermeend huiselijk geweld van de vader richting de moeder toen zij nog samenwoonden. De vader ontkent dit. De raad is in het bezit van de meldingen die destijds zijn opgemaakt door de politie. De raad kan uit de stukken geen conclusies trekken, maar kan wel vaststellen dat de ouders hierover een geheel andere visie hebben.

WSS is al een aantal jaren betrokken bij [minderjarige] en is erop gericht te handelen in haar belang. Hierin lijkt WSS enigszins voorzichtig te acteren, waardoor er de afgelopen jaren weinig is veranderd in de situatie. Zo zijn de contactmomenten, met uitzondering van een kleine uitbreiding kort geleden, al zo'n tweeënhalf jaar hetzelfde terwijl de vader wel vooruitgang heeft geboekt en de gestelde doelen heeft behaald.

De raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat, aan de hand van een opbouwschema, de omgangsregeling tussen hen verder wordt uitgebreid. Daarbij is de raad zich ervan bewust dat er sprake is van een aanzienlijke reistijd (anderhalf uur) tussen de vader en de pleegouders en dat [minderjarige] in januari 2026 zal starten op de basisschool. Deze factoren zullen impact hebben op [minderjarige] . De raad vindt dit echter geen contra-indicatie om de omgangsregeling uit te breiden.

De raad vindt een wijziging in het gezag - zoals door de vader is verzocht - niet wenselijk en niet in het belang van [minderjarige] . De raad ziet voor een wijziging van het gezag contra-indicaties. Mocht de vader het gezag krijgen, dan betekent dit dat de vader bij het nemen van belangrijke beslissingen ook contact moet hebben met de moeder. Gezien de geschiedenis tussen de ouders en omdat zij geen contact hebben, is dit niet realiseerbaar. [minderjarige] woont al bijna haar hele leven bij de pleegouders en WSS is betrokken. Er is sprake van een goed contact tussen de vader en de pleegouders. Voor [minderjarige] is het van belang dat deze situatie in stand blijft en dat er geen problemen ontstaan wanneer er een belangrijke beslissing genomen moet worden over [minderjarige] . De raad vindt het daarom in het belang van [minderjarige] dat WSS belast blijft met de voogdij als neutrale betrokkene.

De raad heeft geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader (en zijn echtgenote). De vader houdt zich al een lange tijd goed aan de afspraken en is hierin betrouwbaar. De raad vindt daarom dat het nodig is om de vader meer te positioneren in zijn rol als ouder van [minderjarige] .

De raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij in het pleeggezin kan opgroeien. Er is veel tijd verstreken en [minderjarige] woont hier al bijna haar hele leven. Positief is dat [minderjarige] geen zorgsignalen laat zien en dat zij zich goed ontwikkelt. De raad vindt het nodig en in het belang van [minderjarige] dat dit in stand blijft en kan blijven.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de vader [minderjarige] bij zich zal hebben:

- de eerste vier weken na de beschikking: eens per twee weken gedurende acht uur bij de vader

thuis;

- na de vierde tot en met de tiende week na de beschikking: eens per twee weken van zaterdag

uur tot zondag 10.00 uur;

- vanaf de elfde week na de beschikking: eens per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur.

Deze beslissing is gegeven overeenkomstig het verzoek van de vader, met dien verstande dat is afgewezen zijn verzoek om te bepalen dat [minderjarige] vanaf de vierentwintigste week na de beschikking eens per twee weken van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur bij hem verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

Het primaire verzoek van de vader om te bepalen dat hij wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en het subsidiaire verzoek om te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft, zijn afgewezen.

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, zijn verzoeken ten aanzien van het gezag over [minderjarige] , de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de uitbreiding van de omgang met [minderjarige] tot een weekend per twee weken van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur alsmede de helft van de vakanties en feestdagen alsnog toe te wijzen.

WSS verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

Gezag en hoofdverblijfplaats

Standpunt vader

De vader was bij de geboorte van [minderjarige] aanwezig en heeft de eerste weken voor haar gezorgd. Toen zijn relatie met de moeder werd verbroken, heeft hij de woning verlaten omdat hij het geen gezonde situatie vond voor [minderjarige] (in verband met de spanningen en escalaties tussen de moeder en hem). Kort daarna is [minderjarige] bij de pleegouders ondergebracht. De vader probeerde weer contact te krijgen met [minderjarige] , maar dat werd afgehouden door WSS, waarschijnlijk omdat WSS de verhalen van de moeder over huiselijk geweld voor waar aannam. Zo eiste WSS diagnostiek, een persoonlijkheidsonderzoek, agressieregulatietraining en een netwerkbijeenkomst. WSS wilde niet dat de vader wist waar [minderjarige] verbleef en er is pas laat begeleide omgang gestart. Volgens de vader heeft hij door onterechte aannames van WSS niet de kans gekregen een volwaardige vader-dochterband met [minderjarige] te ontwikkelen. De vader is zich ervan bewust dat [minderjarige] inmiddels bijna haar hele leven bij de pleegouders woont. Dit hoeft volgens hem niet eraan in de weg te staan dat hij vanaf nu een volwaardige vaderrol gaat dragen.

De vader stelt zich verder op het standpunt dat WSS een perspectiefbesluit heeft genomen zonder zorgvuldig onderzoek te doen naar het perspectief bij hem. Ook toen de vader te kennen gaf voor [minderjarige] te willen zorgen, is er geen onderzoek verricht. De vader heeft aan alle verzoeken van WSS voldaan.

In zijn rapport bevestigt de raad dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheden bij de vader of zijn netwerk. De rechtbank overweegt ook dat de vader geen eerlijke kans heeft gekregen. Door het tijdsverloop is het volgens de raad en de rechtbank niet langer in het belang van [minderjarige] dat haar perspectief wordt gewijzigd. Dat betekent dat het handelen van WSS grote gevolgen heeft voor de vader, [minderjarige] en haar halfbroertje. Dat klemt temeer omdat de pleegouders op grote afstand van de vader wonen en de kans voor de vader om door middel van omgang betrokken te zijn bij [minderjarige] beperkt zijn. Dat levert strijd op met artikel 8 EVRM en met het IVRK.

De vader begrijpt niet dat dit zonder gevolgen blijft voor WSS. Hij ziet in dat de beslissing in het belang van [minderjarige] moet zijn, maar hij meent dat de rechtbank meer gewicht had moeten toekennen aan het belang van [minderjarige] om bij de vader en zijn gezin op te groeien. De vader wijst erop dat zijn thuissituatie stabiel en veilig is.

Nu het perspectief van [minderjarige] bij de vader dient te liggen, is het passend dat de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Dat is in het belang van [minderjarige] en er is geen sprake van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van [minderjarige] . Als [minderjarige] bij de vader komt te wonen, zal hij zorgen dat de band met de pleegouders en de moeder behouden blijft.

Verweer WSS

WSS is destijds afgegaan op meerdere politiemeldingen en informatie van de verloskundige. Daaruit kwam de vader naar voren als agressief en opvliegend naar de moeder. Meerdere keren zijn gesprekken die WSS met de vader plande niet doorgegaan, hetgeen eraan heeft bijgedragen dat het lang duurde tot er contact was tussen de vader en [minderjarige] .

Vanaf september 2022 zijn gesprekken gevoerd met de vader over het perspectief van [minderjarige] bij hem en over de bodemeisen waaraan hij moest voldoen voor een onderzoek. De vader heeft niet (tijdig) bericht dat hij aan die bodemeisen heeft voldaan. Daarop heeft WSS het perspectief bij de pleegouders bepaald en daar staat WSS nog steeds achter.

Er zijn moeilijkheden ontstaan tussen de vader en de pleegouders die WSS probeert op te lossen. Onder andere daarom is het van belang dat een neutraal persoon voogd blijft van [minderjarige] , maar ook omdat de moeder geen contact wil hebben met de vader. Als de vader met het gezag belast zou worden, vreest WSS voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder.

Advies raad

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van het gezag en de hoofdverblijfplaats. [minderjarige] woont sinds kort na haar geboorte bij de pleegouders en heeft bij hen haar basis; zij bieden haar emotionele veiligheid. Daarnaast heeft [minderjarige] andere belangrijke personen in haar leven zoals de moeder en de vader. De basis ligt echter bij de pleegouders en blijft daar totdat dat niet meer in haar belang zou zijn. Dat haar wereld groter is dan haar basis, is een bonus.

In een complexe situatie zoals deze moet het gezag bij een zo neutraal mogelijke persoon liggen. Daarbij komt dat er nu veel onrust is. Bovendien is de moeder geen belanghebbende in deze procedure. Dat gegeven alleen al levert een contra-indicatie op voor wijziging van de voogdij.

De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] moet zijn waar haar basis in haar beleving is en die is bij de pleegouders. Dat zegt niet per se dat zij de belangrijkste personen voor haar zijn.

Oordeel hof

Gezag

Evenals de rechtbank (en de raad) constateert het hof dat niet zorgvuldig onderzocht lijkt te zijn of de vader de primaire opvoeder van [minderjarige] kon zijn toen hij de wens daartoe uitte in 2023. Achteraf valt niet meer vast te stellen wat de uitkomst van een dergelijk onderzoek geweest zou zijn. De vraag die nu voorligt is of de vader alleen met het gezag over [minderjarige] moet worden belast. Hierbij staat het belang van [minderjarige] voorop.

Op grond van artikel 1:253c lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een verzoek zoals dat van de vader alleen afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Dat is het criterium aan de hand waarvan het hof het verzoek van de vader toetst. Dat betekent dat het hof zich niet over de vraag zal buigen wat zich in het verleden tussen de vader en de moeder heeft afgespeeld. Evenmin zal het hof een oordeel vellen over het optreden van WSS (vgl. HR 17-10-2025, r.o. 3.3.3, ECLI:NL:HR:2025:1570).

Met zijn verzoek om alleen met het gezag te worden belast beoogt de vader, blijkens zijn toelichting, dat [minderjarige] bij hem en zijn gezin komt wonen en daar zal opgroeien. Het hof komt evenals de rechtbank tot de conclusie dat gevreesd moet worden voor verwaarlozing van de belangen van [minderjarige] als de vader met het eenhoofdig gezag over haar wordt belast. Die conclusie baseert het hof niet op de opvoedcapaciteiten van de vader; uit het raadsonderzoek blijkt dat daarover geen zorgen zijn. De raad noemt de thuissituatie van de vader veilig en stabiel. Ook wil het hof aannemen dat de vader, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, de beste keuzes voor [minderjarige] wil maken, met dien verstande dat sinds medio 2026 wel zorgen zijn ontstaan over de belasting van [minderjarige] in haar hechting en loyaliteit als hierna te melden. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] dat zij nu bij de vader gaat wonen, zoals de vader wenst. [minderjarige] heeft haar veilige en bestendige basis bij de pleegouders en dient die, zeker gelet op de sinds medio 2026 bestaande zorgen, te behouden.

[minderjarige] was zes weken oud toen zij in januari 2022 bij de pleegouders werd geplaatst. Zolang zij zich kan herinneren zijn haar pleegouders haar verzorgers en opvoeders. [minderjarige] heeft een veilige hechtingsrelatie met de pleegouders. Voordat een verandering in de bestaande gezagssituatie zoals door de vader verzocht, kan worden overwogen, moet naar het oordeel van het hof in de eerste plaats de omgang goed lopen. Dat is nu (nog) niet het geval, zoals hierna bij de beoordeling van het verzoek tot uitbreiding van de omgang verder zal blijken. Ook is het in het belang van [minderjarige] dat bij toekenning van het gezag aan de vader de verstandhouding tussen de vader en de pleegouders goed blijft. Deze verstandhouding staat op dit moment nog te veel onder druk en [minderjarige] lijdt hieronder.

Een andere factor die het hof in zijn oordeelsvorming betrekt is de uiterst moeizame verstandhouding die de vader en de moeder hebben. Het hof heeft ernstige twijfel of de vader voldoende in staat zal zijn uitvoering te geven aan de wettelijke informatieplicht die een ouder met gezag jegens de niet gezaghebbende ouder heeft. Daarbij komt dat het toekennen van gezag aan de vader mogelijk de precaire verstandhouding tussen de moeder en [minderjarige] zal verstoren. Ook in dit opzicht komt het verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag te vroeg.

De vader heeft gewezen op het perspectief van [zoon] . Het is zowel in het belang van [minderjarige] als dat van [zoon] dat zij als respectievelijk halfzus en halfbroer met elkaar kunnen opgroeien.

Het gestelde belang van [zoon] en [minderjarige] legt naar het oordeel niet een zodanig gewicht in de schaal dat anders over het verzoek van de vader moet worden geoordeeld dan hiervoor overwogen. In dit verband is nog van belang dat in het kader van de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader in ieder geval regulier contact tussen [zoon] en zijn halfzus bestaat.

Het hof zal het primaire verzoek van de vader gelet op het vooroverwogene afwijzen.

Hoofdverblijf

De vader heeft subsidiair verzocht om, indien WSS de voogd van [minderjarige] blijft, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen in die zin dat zij bij hem komt wonen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1513) stelt de vader dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem een gepaste maatregel is die de rechter ten dienste staat om het recht op family life tussen hem en [minderjarige] te waarborgen.

Het hof zal ook dit verzoek van de vader afwijzen. De vader is niet met het gezag belast, en daarbij past niet dat de hoofdverblijfplaats bij hem wordt bepaald.

Omgangsregeling

Standpunt vader

Uit de door Pleegzorg op 18 mei 2026 ingediende informatie over het verloop van de omgangsregeling sinds de bestreden beschikking blijkt een duidelijke toename van spanning en klachten bij [minderjarige] . Rond de omgang laat zij sterk claimend gedrag naar de pleegouders zien. Bij de overdracht naar de vader raakt zij erg overstuur en erna moet zij anderhalve week herstellen, hetgeen zich onder andere uit in onrustig slapen. Meermaals hebben de pleegouders [minderjarige] op maandag thuis gehouden omdat zij te moe was voor school. Pleegzorg meent dat de omgang momenteel een te groot appèl doet op haar hechting en loyaliteit. Het zou goed zijn als opnieuw wordt onderzocht welke vorm, frequentie en opbouw van de omgang passend is. Pleegzorg maakt zich zorgen over het gevoel van veiligheid en de emotionele draagkracht van [minderjarige] . [minderjarige] lijkt overbelast en zij lijkt klem te komen tussen de voor haar belangrijke hechtingsfiguren.

De vader heeft in reactie op deze informatie erkend dat de overgangsmomenten emotioneel beladen zijn geweest voor [minderjarige] . In de begintijd had [minderjarige] grote moeite om terug te gaan van de vader naar de pleegouders. Ook ervaart de vader dat het de laatste maanden weer moeizamer ging, maar volgens hem is dat opgelost door, in samenspraak met WSS, de overdrachten te laten plaatsvinden via een gezamenlijk moment in de speeltuin. Als [minderjarige] bij de vader en zijn gezin is, zien zij een vrolijk en ontspannen meisje dat goed slaapt. Ook de leerkrachten hebben laten weten dat [minderjarige] positieve verhalen vertelt over de omgang. De vader begrijpt dan ook niet waarom de bij [minderjarige] toegenomen spanningen worden verbonden aan de omgang met hem.

Naast zijn eigen relaas heeft de vader een brief van zijn echtgenote ingediend waarin zij schrijft over de liefdevolle band die zij met [minderjarige] heeft. Ook schrijft zij dat [minderjarige] haar op 14 juni 2026 heeft verteld dat de pleegvader seksuele handelingen heeft verricht bij haar en dat zij en de vader advies hebben ingewonnen bij de politie waarna een aangifte is gevolgd.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de politie een externe partij een taxatiegesprek met [minderjarige] heeft laten voeren. De taxateur had geen reden om aan te nemen dat er seksueel misbruik heeft plaatsgevonden.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader verzocht de behandeling aan te houden in verband met het nog lopende politieonderzoek. Aan dat verzoek komt het hof niet tegemoet. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen en daarnaast is het in het belang van [minderjarige] dat er, in ieder geval voor nu, duidelijkheid komt.

Het hof constateert dat het verslag van de echtgenote van de vader over het verhaal dat [minderjarige] haar op 14 juni 2026 zou hebben verteld en de daaropvolgende aangifte de verhoudingen verder op scherp hebben gesteld. [minderjarige] lijkt daar last van te hebben. Na de omgangsweekenden had zij al relatief lange tijd nodig om te herstellen, maar sinds de aangifte heeft [minderjarige] ook moeite gekregen met afscheid nemen als een van de pleegouders bijvoorbeeld boodschappen gaat doen. Verder heeft [minderjarige] de aanwezigheid van een van hen nodig om te kunnen inslapen. [minderjarige] zoekt veel meer hun nabijheid op.

De medewerker van Pleegzorg heeft dat beeld ter zitting in hoger beroep bevestigd; ook zij heeft gemerkt dat [minderjarige] moeilijk afscheid van haar kan nemen, waar dat voorheen ontspannen verliep. Pleegzorg ziet dat [minderjarige] nadrukkelijker aanwezig is en dat zij ander gedrag laat zien.

Alleen al gezien de toegenomen onrust acht het hof het niet in het belang van [minderjarige] om de omgangsregeling op dit moment uit te breiden zoals de vader heeft verzocht. Dat wil niet zeggen dat zij het niet naar haar zin heeft bij de vader, maar het gegeven dat zij nachtmerries heeft en te moe is voor school zegt wel dat [minderjarige] op dit moment te zwaar belast wordt. Zij zal ongetwijfeld merken, zoals de raad ook naar voren heeft gebracht, dat de voor haar belangrijkste personen op gespannen voet staan met elkaar. De vader betoogt dat een uitbreiding van de omgang mogelijk tot meer rust leidt bij [minderjarige] , maar daarvan kan naar het oordeel van het hof onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden uitgegaan. Het risico bestaat dat [minderjarige] nog meer wordt belast. Het hof acht zich op dit moment voldoende voorgelicht. Een nader onderzoek naar uitbreiding van de omgangsregeling zal op dit moment niet worden gelast.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het verzoek van de vader tot uitbreiding van de omgangsregeling afwijzen en de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, rechtvaardigen de belangen van [minderjarige] een inbreuk op het recht op family life en is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt. Die inbreuk is immers noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] als hiervoor overwogen. Het beroep van de vader op artikel 8 EVRM en de artikelen 5, 9 en 18 IVRK wordt dan ook verworpen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M. Overmars en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand