ECLI:NL:GHAMS:2026:2996

ECLI:NL:GHAMS:2026:2996

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 20-10-2026
Zaaknummer 200.364.041/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

gezag en dwangsom Artikel: 1:253c lid 1 BW

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.364.041/01

zaaknummer rechtbank: C/15/355678 FA RK 24-4111

beschikking van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. M.B. Chylinska te Zaandam,

en

[de vader] ,

wonende te [plaats B] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn (NH) .

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna [minderjarige] ).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (3 jaar). De rechtbank heeft bepaald dat de vader en de moeder gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] worden belast. Daarnaast is een tijdelijke zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader vastgesteld en is de moeder veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan de vader als zij de zorgregeling niet nakomt.

De moeder is het hier niet mee eens. Zij wil dat het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te worden belast (alsnog) wordt afgewezen. Ook is zij het niet eens met de opgelegde dwangsom. De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2. De procedure in hoger beroep

De moeder is op 22 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 30 oktober 2025, vastgelegd in een proces-verbaal als bedoeld in artikel 29a Rv (hierna: de bestreden beslissing).

De vader heeft op 4 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

Daarnaast heeft het hof nog een bericht van de zijde van vader van 13 juli 2026, met bijlage, ontvangen.

De zitting heeft op 20 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar.

3. De feiten

Uit de in 2024 verbroken relatie tussen de vader en de moeder is [minderjarige] geboren [in] 2023 te [plaats C] . De vader heeft [minderjarige] erkend.

Bij beschikking provisionele voorzieningen van 10 januari 2025 is een tijdelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij [minderjarige] omgang heeft met de vader op donderdag van 12:00 uur tot 19:00 uur bij de moeder thuis en de omgangsregeling met ingang van 1 februari 2025 wordt uitgebreid in die zin dat [minderjarige] daarnaast om de week op zaterdag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij de vader verblijft.

Bij beschikking wijziging provisionele voorzieningen van 18 juni 2025 is de moeder veroordeeld een dwangsom aan de vader te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij de bij voornoemde beschikking van 10 januari 2025 vastgestelde omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak, voor zover in hoger beroep van belang, op verzoek van de vader bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] worden belast. Daarnaast is een tijdelijke zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] op donderdag van 12.00 uur tot 19.00 uur en op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijft, en is de moeder veroordeeld een dwangsom aan de vader te betalen van € 500,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat zij deze tijdelijke zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt. De beslissing over de definitieve zorgregeling is aangehouden in afwachting van het verloop en resultaat van de hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (UHA).

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de inleidende verzoeken van de vader hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten en de moeder te veroordelen tot het betalen van een dwangsom indien zij de tijdelijke zorgregeling niet nakomt, (alsnog) af te wijzen.

Het verweer van de vader strekt tot afwijzing van de verzoeken in hoger beroep en tot bekrachtiging van de bestreden uitspraak, met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure.

5. De motivering van de beslissing

Gezag

Ter beoordeling aan het hof ligt de vraag voor of de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag moeten worden belast.

Het wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken om de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van artikel 1:253c BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De standpunten

De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte ook de vader met het gezag over [minderjarige] heeft belast en voert hiertoe het volgende aan. De vader is in het verleden gewelddadig geweest tegen de moeder. Hij heeft haar meerdere keren mishandeld. De ouders zijn niet in staat tot constructieve communicatie en gezamenlijke besluitvorming. De rechtbank is er ten onrechte vanuit gegaan dat de communicatie op afzienbare termijn zou verbeteren door aangaan van een hulpverleningstraject (Uniform Hulpaanbod). De moeder werkt constructief mee met de hulpverlening, maar de vader heeft aangegeven de hulp niet meer te willen. Eerdere hulpverleningstrajecten hebben ook niet geleid tot verbetering van de communicatie. Dat een dergelijk hulpverleningstraject nodig is vanwege de conflicten en het onvermogen tot samenwerking, pleit bovendien juist tegen gezamenlijk gezag. De vader heeft daarnaast nooit een actieve rol gespeeld in de dagelijkse opvoeding van [minderjarige] . Hij is niet beschikbaar voor [minderjarige] en doet geen moeite om dit te veranderen. Hij is niet betrokken in het leven van [minderjarige] , waardoor het voor hem niet mogelijk is om het gezag op de juiste wijze uit te oefenen.

De vader voert verweer. Hij ontkent niet dat er in het verleden sprake is geweest van huiselijk geweld, maar hij wordt door de moeder ten onrechte weggezet als een gewelddadig persoon. Er zijn destijds afspraken gemaakt met Veilig Thuis over de omgang tussen de vader en [minderjarige] , welke afspraken de vader altijd is nagekomen. De vader heeft meegewerkt aan de hulpverlening die werd geboden om de verstandhouding met de moeder te verbeteren, maar dit heeft de moeder juist geweigerd. Daarnaast heeft hij ook hard aan zichzelf gewerkt. Volgens de vader zijn de ouders in staat om normaal te communiceren. Zij zijn veelvuldig in elkaars aanwezigheid geweest en zij communiceren (veelvuldig) via de app en de mail. Het hulpverleningstraject (UHA) was erop gericht het gezamenlijk ouderschap meer vorm te geven en over en weer vertrouwen op te bouwen. Het was niet ingezet omdat partijen niet in staat zouden zijn om met elkaar te communiceren. Verder betwist de vader dat hij geen actieve rol zou hebben gespeeld in de dagelijkse opvoeding van [minderjarige] . Het is juist de moeder die hem volledig buitenspel zet. De vader is een toegewijde vader, die zijn kind enorm mist. Gezamenlijk gezag is in het belang van [minderjarige] , omdat anders de band tussen de vader en [minderjarige] verloren gaat.

Het advies van de raad

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking in stand te laten. Het is volgens de raad in het belang van [minderjarige] dat de ouders gezamenlijk het gezag over hem uitoefenen. De raad acht het van belang dat de vader meer betrokken is om de band verder te versterken, hetgeen inspanning vergt van beide ouders. Het raadsonderzoek naar de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] is gepauzeerd vanwege het huidige mediationtraject van de ouders, maar de raad laat weten geen zorgen te hebben over de omgang tussen de vader en [minderjarige] .

De beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. Dit betekent dat een gebrekkige communicatie tussen ouders in beginsel geen beletsel hoeft te vormen voor een gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, zolang dit maar niet ten koste gaat van, of schadelijk is voor de kinderen.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat sprake is van een groot wantrouwen van de moeder richting de vader, mede gelet op het door haar gestelde huiselijk geweld dat tijdens de relatie heeft plaatsgevonden en het (soft)drugsgebruik van de vader. Het is voor het hof onduidelijk in welke mate het huiselijk geweld heeft plaatsgevonden; de standpunten van partijen daarover lopen uiteen. Wel is voldoende duidelijk geworden dat de vader hulp heeft gezocht voor zijn drugsgebruik en zijn leven (weer) op de rit heeft. Hij heeft een nieuwe baan en een nieuwe partner, met wie hij samenwoont. Ook is duidelijk geworden dat beide ouders veel van [minderjarige] houden en zich betrokken bij hem voelen. [minderjarige] heeft een goede band met de moeder en ook de band met de vader ontwikkelt zich positief. Zij hebben na het uiteengaan van partijen iedere donderdag omgang met elkaar gehad bij de moeder thuis. Na de bestreden beschikking van 30 oktober 2025 hebben zij elkaar ongeveer een half jaar niet gezien, ondanks de (hierboven onder 3.2 en 3.3 genoemde) zorgregeling en de daaraan verbonden dwangsom. Gebleken is dat het hulpverleningstraject (UHA) waarnaar partijen door de rechtbank zijn doorverwezen niet is geslaagd, maar dat partijen in april 2026 wel zijn gestart met een mediationtraject. Dit heeft er toe geleid dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] weer is opgestart. Zij hebben weer min of meer een keer per week omgang met elkaar, als het de moeder uitkomt en ook alleen nog in aanwezigheid van de moeder maar dit verloopt goed, zo is ter zitting in hoger beroep gebleken. De raad heeft verklaard geen zorgen over de omgang te hebben. Ook de moeder heeft verklaard dat de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] goed verlopen en dat er vanuit haar kant inmiddels iets meer vertrouwen in de vader is.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de moeder onvoldoende concreet heeft gemaakt welke omstandigheden volgens haar in de weg staan aan het gezamenlijk uitoefenen van het gezag. Niet aannemelijk is geworden dat de communicatie tussen de ouders zo gebrekkig is dat belangrijke beslissingen over [minderjarige] niet of niet naar behoren kunnen worden genomen. Bovendien volgen de ouders nu een mediationtraject, waarin zij werken aan hun onderling vertrouwen. Dit zal ook de onderlinge communicatie ten goede komen. Van belang daarbij is dat de problemen die er zijn in de verstandhouding en de communicatie tussen de ouders in ieder geval niet een zodanig negatieve weerslag op [minderjarige] lijken te hebben dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat hij als gevolg van het gezamenlijk gezag klem of verloren zou raken tussen de ouders. Ook andere redenen die eenhoofdig gezag noodzakelijk maken zijn het hof niet gebleken. Tot slot merkt het hof nog op dat de moeder de vader verwijt dat hij niet voldoende betrokken is bij het leven van [minderjarige] , terwijl de vader juist meer betrokkenheid wil en stelt dat de moeder hem buiten spel zet. Met het gezamenlijke gezag kan de vader zelf informatie over [minderjarige] ophalen en op die wijze meer betrokken raken bij het leven van [minderjarige] , hetgeen de band tussen [minderjarige] en de vader ten goede zal komen en hopelijk ook zal bijdragen aan de verdere groei van het vertrouwen van de moeder in de vader.

Alles overwegende komt het hof tot de conclusie dat niet is voldaan aan de in artikel 1:253c, tweede lid, BW genoemde gronden voor afwijzing van het verzoek van de vader hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten. Het hof zal, overeenkomstig het advies van de raad ter zitting, de bestreden uitspraak op dit punt dan ook bekrachtigen.

Dwangsom

Ter beoordeling aan het hof ligt de dwangsom voor die de rechtbank heeft verbonden aan de naleving door de moeder van de tijdelijke omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] . De moeder is het niet eens met deze dwangsom, terwijl de vader wil dat de dwangsom wordt gehandhaafd.

Het hof overweegt als volgt. De moeder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank vastgestelde (tijdelijke) zorgregeling. Deze regeling ligt in hoger beroep dus niet voor. De moeder geeft echter géén uitvoering aan deze in hoger beroep onbestreden zorgregeling terwijl zij hiertoe wel gehouden is. Het hof is niet gebleken dat uitvoering niet in het belang van [minderjarige] zal zijn. Gelet op de onwillige houding van de moeder is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde dwangsom passend en geboden is, waarbij tevens in aanmerking is genomen dat de moeder zich niet heeft uitgelaten over de hoogte van de dwangsom. Het hof zal de bestreden uitspraak op dit punt dan ook bekrachtigen.

Proceskosten

Het hof ziet, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, geen aanleiding voor een veroordeling van de moeder in de proceskosten, zoals de vader heeft verzocht. Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Paats

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand