GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.348.899/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 9908140/ CV EXPL 22-1973
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M.J. Koning te Amsterdam,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.J. van Baasbank te 's-Gravenhage.
Partijen worden hierna [appellant] en de Staat genoemd.
1. De zaak in het kort
[appellant] huurt sinds 1988 van de Staat grond- en wateroppervlak en exploiteert daarop een scheepswerf. In 2016 wenste [appellant] een groter wateroppervlak te gaan gebruiken. Daartoe verleende de Staat een vergunning. Daarnaast bood de Staat [appellant] een nieuwe huurovereenkomst aan. [appellant] heeft geweigerd die te ondertekenen. In eerste aanleg waren de eigendom van een stuk grond, de te verhuren oppervlakte en de huurprijs onderwerp van geschil. De kantonrechter wees de vorderingen van de Staat toe, waaronder een verklaring voor recht dat de in 2016 door de Staat aangeboden huurovereenkomst sinds 1 november 2016 tussen partijen van kracht was. In hoger beroep heeft [appellant] berust in de oordelen over de eigendom van het stuk grond, de te verhuren oppervlakte en de huurprijs, maar zich verzet tegen het oordeel dat ook van kracht zijn bepalingen in de huurovereenkomst die aansprakelijkheid van de Staat uitsluiten en een voor [appellant] nadelige bewijslastverdeling inhouden. Dit hoger beroep heeft succes.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 28 december 2023, hersteld bij exploot van 12 november 2024, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 28 september 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen de Staat als eiser en [appellant] als gedaagde.
Bij tussenarrest van 14 januari 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 11 maart 2025 heeft plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken. Een minnelijke regeling tussen partijen is tijdens die zitting niet tot stand gekomen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord met producties;
- akte van [appellant] met een productie;
- antwoordakte van de Staat.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 3.1 tot en met 3.12 van het tussenvonnis van 2 maart 2023 zijn niet betwist. Ook het hof zal daar van uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere niet dan wel onvoldoende betwiste feiten, de volgende.
[appellant] is eigenaar van een scheepsreparatiewerf. Het bedrijf is deels gevestigd op eigen grond en deels op grond die in eigendom is van de Staat.
In dit verband huurt [appellant] sinds eind jaren ’80 /begin jaren ’90 een gedeelte grond/water aan de westoever van het aan de Staat toebehorende Zijkanaal H van het NoordZeekanaal.
In 1994 heeft de Staat aan [appellant] een vergunning verstrekt voor het maken en behouden van een werksteiger. Daarnaast hebben partijen een nieuwe huurovereenkomst gesloten. Daarin staat onder meer vermeld ‘De Staat verhuurt aan de huurder (…) een oppervlakte grond/water, gelegen aan de westelijke oever van Zijkanaal H (…)’.
In verband met een door [appellant] gewenste uitbreiding van het door hem te gebruiken wateroppervlak heeft de Staat onder intrekking van de in 1994 verleende vergunning bij beschikking van 13 juli 2016 een nieuwe vergunning verleend aan [appellant] voor het plaatsen van een damwand, het verder afwerken van de bestaande wallenkant en het verlengen van de twee bestaande steigers. Daarin is onder meer vermeld:
Naast de vergunning heeft u voor het gebruik van staatsgrond- en water nog toestemming nodig van Rijksvastgoedbedrijf. Ik wijs u er op dat Rijksvastgoedbedrijf aan een dergelijke privaatrechtelijke regeling nog nadere voorwaarden kan stellen (…). Pas op het moment dat een privaatrechtelijke regeling is overeengekomen met Rijksvastgoedbedrijf mag gebruik worden gemaakt van staatseigendom(men) ter uitvoering van de vergunde activiteit(en).
De Staat heeft in verband met de hiervoor vermelde uitbreiding op 18 oktober 2016 aan [appellant] een nieuwe huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst 2016) aangeboden. Daarin is onderscheid gemaakt tussen grond- en wateroppervlak en zijn nieuwe huurprijzen gehanteerd. Daarnaast bevat de huurovereenkomst 2016 bepalingen met betrekking tot Bodemverontreiniging; artikel 9A in verband met de Waterwet en artikel 9B in verband met de Wet Bodembescherming. Daarin staat onder meer:
Artikel 9 A Bodemverontreiniging (Waterwet)
1. De Staat en de gebruiker hebben met het oog op deze in gebruik geving geen onderzoek laten instellen naar de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging.
2. Als gedurende de looptijd van deze overeenkomst blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging dan levert dit geen gebrek op in de zin van artikel 7:204 BW.
3. De Staat is niet aansprakelijk voor eventuele schade die gebruiker lijdt als gevolg van de aanwezigheid van bodemverontreiniging in de onroerende zaak.
(…)
5. De gebruiker zal alles in het werk stellen om te voorkomen dat de bodem van de onroerende zaak bij de ingebruikname van de onroerende zaak en gedurende de looptijd van deze overeenkomst wordt verontreinigd.
6. De gebruiker zal elke bodemverontreiniging die gedurende de looptijd van deze overeenkomst ontstaat steeds direct melden bij de Staat en de beheerder van het water, eventuele daaruit voortvloeiende bevelen van de beheerder (…), aan wie dan ook opgelegd, direct en op eigen kosten opvolgen (…). De hier bedoelde verplichting voor de gebruiker om bevelen direct en op eigen kosten op te volgen geldt niet wanneer de gebruiker kan aantonen dat de verontreiniging in redelijkheid niet aan hem kan worden toegerekend.
7. De gebruiker is jegens de Staat aansprakelijk voor de kosten van het ongedaan maken van elke gedurende de looptijd van deze overeenkomst ontstane verontreiniging van de bodem van de onroerende zaak en voor alle andere schade (…) en kosten waarmee de Staat als gevolg van die verontreiniging wordt geconfronteerd, tenzij hij kan aantonen dat de verontreiniging in redelijkheid niet aan hem kan worden toegerekend.
8. Zolang eventuele door de gebruiker uit te voeren bevelen als bedoeld in lid 6 niet blijkens een beschikking van de beheerder tot diens tevredenheid zijn uitgevoerd, wordt de overeenkomst geacht door te lopen.
9. De gebruiker kan aan het, door wie dan ook, moeten uitvoeren van bevelen als bedoeld in lid 6 geen rechten jegens de Staat ontlenen.
Artikel 9 B Bodemverontreiniging (Wet Bodembescherming)
(…)
2. De Staat en de gebruiker hebben met het oog op deze ingebruikgeving geen onderzoek laten instellen naar de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging.
(…)
8. Indien de gebruiker onverhoopt verzuimd heeft om een verontreiniging te melden bij de Staat en ongedaan te maken is hij gehouden om direct na beëindiging van het gebruik op zijn kosten en in overleg met de Staat door een specifiek gekwalificeerde en van partijen onafhankelijke instelling een onderzoek te laten instellen naar de aard en omvang van eventuele verontreinigingen in de bodem van het gehuurde.
De artikelen 9B leden 3, 4, 6, 7, 9 en 10 bevatten (nagenoeg) dezelfde bepalingen als de artikelen 9A leden 2, 3, 5, 6, 7 en 8.
[appellant] heeft de huurovereenkomst 2016 niet geaccepteerd. Partijen hebben daarna uitvoerig gecorrespondeerd en overlegd. Dit heeft echter niet tot het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst geleid. Het feitelijk gebruik door [appellant] is voortgezet.
4. Procedure bij de kantonrechter
In eerste aanleg betrof het geschil tussen partijen onder meer de omvang van het gehuurde en de huurprijs. Die geschilpunten zijn in hoger beroep niet meer aan de orde. Samengevat en voor zover nog van belang heeft de Staat bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst 2016 met terugwerkende kracht met ingang van 1 november 2016 tussen partijen van kracht is en [appellant] te veroordelen tot ondertekening daarvan.
De kantonrechter heeft in punt 5.2 van het bestreden vonnis deze vorderingen van de Staat toegewezen met uitzondering van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en – uitvoerbaar bij voorraad – opnieuw rechtdoende, voor recht te verklaren dat artikel 9A (m.u.v. de leden 1 en 4) en artikel 9B (m.u.v. de leden 1 en 5) van het door de Staat aangeboden nieuwe huurcontract [de huurovereenkomst 2016, hof] geen deel zullen uitmaken van de nieuwe huurovereenkomst tussen partijen, althans dat de Staat zich niet op die bepalingen zal kunnen beroepen, althans de vernietiging van deze bedingen uit te spreken, met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.
Volgens de Staat moet het hof het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties.
6. Beoordeling
Standpunt [appellant]
heeft één grief aangevoerd, die gericht is tegen punt 5.2 van het bestreden vonnis. Samengevat heeft hij het volgende betoogd.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de huurovereenkomst 2016 sinds 1 november 2016 tussen partijen van kracht is en ten onrechte [appellant] veroordeeld tot ondertekening van die overeenkomst. Overeenkomsten komen tot stand door aanbod en aanvaarding, maar [appellant] heeft de door de Staat aangeboden huurovereenkomst 2016 niet aanvaard. Er is dus geen wilsovereenstemming tussen partijen. Het voortgezette gebruik is niet aan te merken als een stilzwijgende aanvaarding. [appellant] heeft immers het aanbod van de Staat herhaaldelijk uitdrukkelijk afgewezen. Bovendien is de nooit geëindigde huurovereenkomst uit 1994 de titel voor het gebruik van het terrein zoals dat al vóór 2016 werd gebruikt.
[appellant] berust nu wel in de door de Staat gestelde omvang van het gehuurde en de door de Staat voorgestelde huurprijs. Aangezien beide partijen voortzetting van de huurrelatie wensen en het, gelet op genoemde berusting, eens zijn over de kern van een te sluiten nieuwe huurovereenkomst, wil [appellant] aannemen dat partijen wederzijds kunnen worden gehouden tot het sluiten van ‘enige’ huurovereenkomst, ingaande per 18 oktober 2016. Ook in zoverre berust [appellant] dan ook in het oordeel van de kantonrechter.
De huurovereenkomst 2016 bevat echter ook bepalingen die in de lopende huurovereenkomst niet voorkomen en niet aan [appellant] kunnen worden opgedrongen. Het gaat om de artikelen 9A en 9B betreffende bodemverontreiniging. De in die artikelen voorgestelde regeling wijkt niet alleen af van de bestaande rechtsverhouding tussen partijen, maar ook van, in voor de Staat in voordelige zin, diverse wettelijke bepalingen betreffende gebreken aan het gehuurde, bewijslastverdeling en aansprakelijkheid voor schade.
Van [appellant] kan in redelijkheid niet worden verwacht dat hij instemt met deze bepalingen. Op de door hem gehuurde grond bevindt zich immers een afvoerpijp van de gemeente Zaanstad, waardoorheen afvalstoffen stromen die afkomstig zijn van industriële bedrijven in de buurt. De pijp mondt uit in het door [appellant] van de Staat gehuurde water, dat ter plaatse slechts enkele centimeters diep is en direct grenst aan de gehuurde grond. [appellant] heeft geen invloed op die lozingen noch op de chemische samenstelling van het geloosde. Bovendien staat het gehuurde in open verbinding met het Noordzeekanaal, waar al enkele malen ernstige olievervuiling is opgetreden en waarin vervuilend slib is terecht gekomen. Na een melding door [appellant] in februari 2024 heeft de gemeente Zaanstad de genoemde afvoerpijp afgesloten. Daardoor stroomt de aansluitende kolk over, waardoor alle stoffen die zich op de weg daar en in het afwateringsysteem daaronder bevinden nu over het gehuurde stromen tot in het aangrenzende water. [appellant] heeft de gemeente al diverse malen daarop aangeschreven, maar de gemeente antwoordt niet, aldus [appellant] .
Ter illustratie heeft [appellant] diverse stukken overgelegd, waaronder een brief van Rijkswaterstaat van 10 januari 2011 omtrent een opgetreden olievervuiling op het Noordzeekanaal (200 kubieke meter olie gelekt na aanvaring tussen schepen) en een brief van Rijkswaterstaat aan de gemeente Zaanstad van 19 januari 2016, waarin is vermeld dat de inspecteur van de afdeling handhaving na een bezoek aan het terrein van [appellant] heeft geconstateerd dat vanuit de riooloverstort ongezuiverd afvalwater op het oppervlaktewater van Zijkanaal H werd geloosd; in verband daarmee kreeg de gemeente een waarschuwing.
[appellant] heeft verder aangevoerd dat de bepalingen 9A (m.u.v. leden 1 en 4) en 9B (m.u.v. de leden 1 en 5) onredelijk bezwarend zijn.
Verweer de Staat
Samengevat heeft de Staat het volgende betoogd. Na het bestreden vonnis hebben partijen onderhandeld over de uitvoering daarvan. Partijen zijn toen niet tot overeenstemming gekomen over de inhoud van de huurovereenkomst en [appellant] heeft volhard in zijn weigering deze te ondertekenen. De Staat heeft het verzoek van [appellant] om de artikelen 9A en 9B buiten toepassing te laten afgewezen om de volgende redenen:
i) de artikelen 9A en 9B maken al lange tijd onderdeel uit van de modelhuurovereenkomsten en afwijken daarvan is om redenen van beleid en uniformiteit uitgesloten;
ii) [appellant] had al vanaf 2016 tegen deze artikelen bezwaar kunnen maken. Omdat hij dat pas nu doet, betwijfelt de Staat het belang van [appellant] . Daarentegen heeft de Staat een groot belang bij een regeling omtrent bodemverontreiniging, zoals neergelegd in de artikelen 9A en 9B;
iii) de vorderingen van de Staat zijn toegewezen in een kraakhelder vonnis en [appellant] is al veroordeeld tot ondertekening van de huurovereenkomst, waarin de artikelen 9A en 9B zijn opgenomen;
iv) uit de door [appellant] overgelegde stukken is niet af te leiden dat het gehuurde daadwerkelijk is verontreinigd dan wel dat een risico daarop bestaat. Navraag bij de gemeente Zaanstad, de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en Rijkswaterstaat heeft het volgende uitgewezen. Begin maart 2024 is er op de desbetreffende locatie een calamiteit geweest en de overstortverbinding is toen op last van Rijkswaterstaat afgesloten. Na twee controles is geen vervuiling meer waargenomen. De overstort is een verbinding van riool naar oppervlaktewater die door het terrein van de scheepswerf [van [appellant] , hof] loopt. De stortput ligt op het terrein dat eigendom is van [appellant] . Eventueel vervuild water loopt dus in eerste instantie over het perceel dat eigendom is van [appellant] en daarna in het oppervlaktewater (van de Staat). De gehuurde grond ligt hoger dan de grond in eigendom van [appellant] . De overstort komt door overtollig regenwater. Er zijn geen structurele lozingen. Mogelijk zijn de ligging van het industrieterrein en de werking van het rioleringsstelsel niet optimaal. De rioolbeheerder (gemeente) is verantwoordelijk.
Vaststaat dat in 2016 aan [appellant] is meegedeeld dat hij naast de vergunning voor het gebruik ook toestemming van het Rijksvastgoedbedrijf nodig heeft, dat aan de privaatrechtelijke regeling nog nadere voorwaarden kunnen worden gesteld en dat pas na overeenstemming over die voorwaarden gebruik mag worden gemaakt van de staatseigendommen ter uitvoering van de vergunde activiteit. De contractsvrijheid van [appellant] bracht wel mee, dat hij het voorstel voor een nieuwe huurovereenkomst in beginsel kon weigeren, maar dan zou voortzetting van het gebruik niet aan de orde kunnen zijn. [appellant] heeft echter het gebruik nooit beëindigd en is bovendien het grotere oppervlak gaan gebruiken. Daarnaast heeft hij tot dit hoger beroep nooit over de artikelen 9A en 9B gesproken, zodat hieruit volgt dat de nieuwe huurovereenkomst tussen partijen van kracht was en dat [appellant] met genoemde artikelen heeft ingestemd, althans dat die artikelen deel uitmaken van de tussen partijen geldende huurovereenkomst. De kantonrechter heeft dan ook in ro. 4.6 van het bestreden vonnis terecht geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden, dat tussen partijen de nieuwe, gewijzigde huurovereenkomst van 18 oktober 2016 van kracht is. Daarin heeft [appellant] berust blijkens zijn memorie van grieven met daarin slechts één grief.
De artikelen 9A en 9B zijn redelijk. De Staat heeft groot belang bij de daarin opgenomen exoneraties. [appellant] exploiteert immers al vanaf 1994 een scheepswerf op het gehuurde en het is een feit van algemene bekendheid dat doordoor vervuiling van de grond kan optreden. Verder is van belang dat de Staat zijn beleid omtrent uitsluiting van aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging kan (blijven) uitoefenen. Alle huurders van de Staat krijgen huurovereenkomsten met de betreffende exoneraties aangeboden en met het oog op gelijke behandeling en transparantie is het de Staat niet toegestaan daarvan in individuele gevallen af te wijken. Bovendien heeft afwijken in een individueel geval het risico van precedentwerking. Daarom zijn dergelijke artikelen nooit onderhandelbaar, aldus de Staat.
De grief slaagt
Het hof verwerpt het verweer van de Staat. De grief van [appellant] slaagt. Dat oordeel berust op het volgende.
Het hof stelt voorop dat het de conclusie van [appellant] in de memorie van grieven uitlegt als grief tegen de toewijzing in het bestreden vonnis van een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst 2016 inclusief de artikelen 9A (leden 2, 3 en 5 tot en met 9) en 9B (leden 2, 3, 4 en 6 tot en met 10) tussen partijen van kracht is respectievelijk als verweer tegen de toepasselijkheid van deze bepalingen en niet als zelfstandige tegenvorderingen. Daarin zou [appellant] immers niet kunnen worden ontvangen, omdat hij in eerste aanleg geen tegenvordering heeft ingediend en zo’n vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingediend. Kennelijk heeft ook de Staat de conclusie in de memorie van grieven zo begrepen.
[appellant] heeft terecht gewezen op het beginsel van contractsvrijheid en gesteld dat voor de totstandkoming van een overeenkomst wilsovereenstemming nodig is. De Staat heeft ook erkend dat het [appellant] in beginsel vrijstond om niet met de artikelen 9A en 9B akkoord te gaan. Het argument van de Staat dat [appellant] geen belang heeft bij dit hoger beroep, althans dat hij zich niet erop kan beroepen dat over genoemde artikelen geen wilsovereenstemming is bereikt, gaat niet op.
Vaststaat dat [appellant] vanaf het aanbod van de Staat in 2016 niet akkoord is gegaan met de door de Staat aangeboden huurovereenkomst 2016 en heeft geweigerd die te ondertekenen. Naar het oordeel van het hof werd de huurovereenkomst 2016 daarom niet tussen partijen van kracht. Dat wordt niet anders doordat [appellant] bij zijn weigering om akkoord te gaan aanvankelijk de eigendom van een stuk grond, de omvang van het gehuurde en de voorgestelde huurprijs ter discussie stelde. Partijen hebben daarover geprocedeerd, hetgeen uitmondde in het bestreden vonnis. [appellant] heeft zich daarbij neergelegd, behalve voor zover dat oordeel ook inhield dat de artikelen 9A en 9B integraal tussen partijen van kracht is. Niet valt in te zien waarom het [appellant] niet vrij zou staan dit standpunt in hoger beroep in te nemen. Dat hij zich aanvankelijk heeft geconcentreerd op de belangrijkste artikelen, zoals de omvang van het gehuurde en de huurprijs, betekent niet dat het hem niet meer vrij zou staan om bezwaar te maken tegen andere artikelen in de huurovereenkomst 2016.
Bovendien is het enkele feit dat [appellant] het al vanaf 1994 gehuurde deel plus het uitgebreide deel wateroppervlak sinds 2016 is blijven gebruiken zonder nadere toelichting, die ontbreekt, te weinig om rechtsverwerking of een stilzwijgende instemming aan te nemen of een gerechtvaardigd vertrouwen van de Staat op een dergelijke instemming. Bovendien heeft de Staat niet betwist dat [appellant] zich vanaf 2016 tegen de huurovereenkomst 2016 is blijven verzetten. Ook in hoger beroep heeft de Staat erkend dat partijen ook na het bestreden vonnis geen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de huurovereenkomst.
Voor zover de Staat heeft bedoeld te betogen dat [appellant] zijn belang bij zijn verzet tegen de toepasselijkheid van de artikelen 9A en 9B moet aantonen en ook dat het gehuurde (mogelijk) is verontreinigd, volgt het hof de Staat daarin niet. Gelet op het uitgangspunt van contractsvrijheid hoeft [appellant] dat niet aan te tonen. Het zou mogelijk anders zijn, indien er aanwijzingen zouden zijn dat [appellant] geen enkel belang heeft bij dit hoger beroep en/of dat de kans op bodemverontreiniging vrijwel nihil is, maar die aanwijzingen zijn er niet. Integendeel, de door [appellant] overgelegde stukken kunnen wijzen op vroegere - door derden veroorzaakte - verontreinigingen en zelfs nog recente (2024). Of toen bodemverontreiniging in het gehuurde is ontstaan, is onbekend. Partijen hebben hiernaar geen onderzoek gedaan. Het is voorstelbaar dat [appellant] als ondernemer beducht is voor een situatie waarin hij zou moeten aantonen dat eventueel geconstateerde bodemverontreiniging niet door hem is veroorzaakt. Dat [appellant] een scheepswerf exploiteert, is onvoldoende voor de kennelijke premisse van de Staat dat eventuele bodemverontreiniging door het bedrijf van [appellant] zou zijn veroorzaakt. Uit niets blijkt dat [appellant] gedurende de vele jaren waarin hij de scheepswerf op het gehuurde exploiteert, verantwoordelijk is voor mogelijk aanwezige bodemverontreiniging.
Bij deze stand van zaken kan niet worden volgehouden dat [appellant] geen belang heeft bij zijn verzet tegen de toepasselijkheid van de in genoemde artikelen vastgelegde exoneraties en bewijslastverdelingen. Anders dan de Staat heeft betoogd, heeft [appellant] niet berust in het in rov. 4.6 van het bestreden vonnis gegeven oordeel ‘dat het ervoor moet worden gehouden dat tussen partijen de nieuwe gewijzigde huurovereenkomst van 18 oktober 2016 van kracht is’. Blijkens de memorie van grieven en in het bijzonder de randnummers 2 en 3 is voldoende kenbaar, ook voor de Staat, dat [appellant] juist niet in dat oordeel heeft berust.
Het hof neemt verder in aanmerking, dat de Staat bij de start van de huur kennelijk geen nulmeting/bodemonderzoek heeft laten uitvoeren. Ten slotte is ook relevant dat als onbetwist vaststaat dat de in de genoemde artikelen vastgelegde exoneraties en bewijslastverdelingen nieuwe voorwaarden zijn ten opzichte van de huurovereenkomst uit 1994, die tussen partijen van kracht was toen de Staat de huurovereenkomst 2016 aanbood.
De Staat heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de zorgen van [appellant] gefundeerd zijn en dat het er dus niet voor ‘gehouden kan worden’ dat er wilsovereenstemming is bereikt over de toepasselijkheid van de artikelen 9A en 9B.
De slotsom is dat van wilsovereenstemming over de toepasselijkheid van de artikelen 9A en 9B niet is gebleken, zodat die artikelen (althans de daarvan betwiste leden) niet geacht kunnen worden van kracht te zijn tussen partijen.
[appellant] heeft niet betwist dat hij wist dat hij ook nog toestemming van het Rijksvastgoedbedrijf nodig heeft en dat aan de privaatrechtelijke regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld. Als de Staat vasthoudt aan de toepasselijkheid van de artikelen 9A en 9B en [appellant] het gehuurde zoals dat conform zijn verzoek qua wateroppervlak is uitgebreid wil blijven gebruiken, zullen partijen nader met elkaar moeten overleggen. Dat valt echter buiten het bestek van deze procedure.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep heeft dus succes. Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor zover daarin voor recht is verklaard dat artikel 9A, leden 2, 3 en 5 tot en met 9 en artikel 9B, leden 2, 3, 4 en 6 tot en met 10 in de huurovereenkomst van 18 oktober 2016 tussen partijen van kracht zijn sinds 1 november 2016 en voor zover [appellant] is veroordeeld tot ondertekening van deze onderdelen van de huurovereenkomst.
Het hof ziet geen aanleiding om de Staat toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
De Staat is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. De inzet van het hoger beroep is een andere dan die in eerste aanleg. De in eerste aanleg gegeven proceskostenveroordeling blijft in stand, omdat [appellant] in die procedure als de in het ongelijk gestelde partij heeft te gelden.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 129,14
- griffierecht € 798,-
- salaris advocaat € 2.580,- (tarief II, 1,5 punt)
Totaal € 3.507,14
7. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, voor zover daarbij in 5.2 voor recht is verklaard dat artikel 9A, leden 2, 3 en 5 tot en met 9 en artikel 9B, leden 2, 3, 4 en 6 tot en met 10 in de huurovereenkomst van 18 oktober 2016 tussen partijen van kracht zijn sinds 1 november 2016 en voor zover [appellant] is veroordeeld tot ondertekening van deze onderdelen van de huurovereenkomst,
en doet opnieuw recht als volgt:
verklaart voor recht dat de nieuwe gewijzigde huurovereenkomst van 18 oktober 2016 waarbij 850 m2 grond en 4.751 m2 water door [appellant] is gehuurd met uitzondering van artikel 9A, leden 2, 3 en 5 tot en met 9 en artikel 9B, leden 2, 3, 4 en 6 tot en met 10 tussen partijen van kracht is met terugwerkende kracht ingaande 1 november 2016, en veroordeelt [appellant] tot ondertekening van de aldus tussen partijen geldende overeenkomst;
bekrachtigt punt 5.5 van het bestreden vonnis aangaande de veroordeling in de proceskosten;
veroordeelt de Staat in de proceskosten in hoger beroep, tot nu aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 3.507,14;
verklaart zowel de veroordeling onder 7.2 als de veroordeling onder 7.4 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A. Wabeke, mr. C.A.H.M. ten Dam en mr. S.E. Landheer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.