GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.355.456/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 10293736 / CV EXPL 23-523
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC,
gevestigd te Harmondsworth (Verenigd Koninkrijk),
appellante,
advocaat: mr. J.J.O. Zandt te Rotterdam,
tegen
1. [appellant 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
2. [appellant 2] ,
wonend in [plaats 2] ,
3. [appellant 3] ,
wonend in [plaats 1] ,
4. [appellant 4],
wonend in [plaats 1] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. E.C. Douma te Amstelveen.
Partijen worden hierna British Airways en [geïntimeerden] of de passagiers genoemd.
1. Het geding in hoger beroep
British Airways is bij dagvaarding van 15 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 15 januari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en British Airways als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met productie.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Op grond van het bepaalde in artikel 332 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,00. De tot aan de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente wordt volgens dit artikel bij de vordering inbegrepen.
In deze zaak gaat het om – kort gezegd – een meer dan drie uur vertraagde vlucht van British Airways waarvoor de passagiers financieel gecompenseerd willen worden. Bij de inleidende dagvaarding hebben de passagiers (in punt 15 en 16, onder het kopje “Rechtsgronden”) de door hen gevorderde hoofdsom als volgt gespecificeerd:
“15. Op basis van voorgaande en bovengenoemde feiten en omstandigheden is gedaagde [British Airways, toev. Hof] verplicht om een compensatie van € 600,00 per persoon te betalen op grond van de artikelen 3, 5 en 7 van de Verordening EG 261/2004, het Sturgeon-arrest en het Folkerts-arrest.
16. Eisers vorderen derhalve in totaal een bedrag van € 2.400,00.”
Hiermee hebben de passagiers naar het oordeel van het hof, anders dan British Airways betoogt, elk afzonderlijk een vordering van (in hoofdsom) € 600,00 aan de kantonrechter voorgelegd. De passagiers treden in deze procedure dus tezamen als eisers op ter zake van een “opgetelde” vordering met een beloop van € 2.400,00, maar maken ieder voor zich aanspraak op een bedrag van € 600,00. Daaraan doet niet af dat de vordering in het petitum van de inleidende dagvaarding niet (nogmaals) per passagier is uitgesplitst. Het betoog van British Airways dat uit de wijze waarop de inleidende dagvaarding is opgesteld, blijkt dat in feite een gemeenschap is ontstaan waarin de individuele passagiers hun zelfstandige vordering hebben ingebracht, zodat de vordering waarover de kantonrechter had te beslissen in hoofdsom
€ 2.400,00 bedraagt, gaat niet op.
Gelet op het voorgaande komt het hof – met de passagiers – tot de conclusie dat het in deze zaak gaat om een situatie waarbij meerdere eisers bij één dagvaarding elk afzonderlijk een vordering hebben ingesteld tegen de gedaagde (British Airways) en dat zich daarmee subjectieve cumulatie voordoet. In zo’n geval mogen voor de beoordeling van de appellabiliteit van het vonnis waarbij deze vorderingen zijn afgedaan, die vorderingen niet bij elkaar worden opgeteld (vgl. ECLI:NL:HR:1994:ZC1315 en ECLI:NL:HR:2021:530). Het feit dat in dit geval de kantonrechter het totale bedrag van € 2.400,00 aan de passagiers gezamenlijk heeft toegewezen, kan er niet aan afdoen dat het voor de toepassing van artikel 332 Rv gaat om verschillende, afzonderlijke vorderingen die niet opgeteld mogen worden om zo de appelgrens te halen.
Dit betekent dat de kantonrechter in eerste aanleg – ook als rekening wordt gehouden met de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van in totaal € 453,75 (of € 435,60) en de tot de dag van dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente – had te oordelen over vier vorderingen die ieder voor zich onder de appelgrens van € 1.750,00 van artikel 332 Rv blijven. British Airways kan dan ook niet in haar hoger beroep worden ontvangen.
British Airways zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat € 456,00 (tarief I, 0,5 punt)
Totaal € 818,00.
3. Beslissing
Het hof:
verklaart British Airways niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt British Airways in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 818,00;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. de Stigter, R.A. Dozy en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.