GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.366.350/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/373238/ KG ZA 25-806
arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
in de zaak van
UTB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. B.J.B. Boersma te Heerenveen,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B.R. Regouw te Amsterdam.
Partijen worden hierna UTB en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
In dit kort geding vordert UTB dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om “hydrotreated vegetable oil” (HVO) die in een tank van [geïntimeerde] is opgeslagen, aan haar af te geven. UTB stelt dat zij de HVO heeft gekocht van Kolmar Group en dat deze daarna in opdracht van KVA die voor UTB de op- en overslag van HVO verzorgt, is opgeslagen in de tank van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft zich tegen de vordering verweerd met een beroep op een vuistpandrecht op de HVO, dat strekt tot zekerheid voor de voldoening van een aanstaande douaneheffing van € 54 miljoen plus rente, waarvoor KVA haar moet vrijwaren. Dat verweer wordt door UTB bestreden met de stelling dat KVA niet bevoegd was om HVO van UTB aan [geïntimeerde] in vuistpand te geven.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van UTB afgewezen, op de grond dat aan alle voorwaarden voor vestiging van een vuistpandrecht is voldaan en [geïntimeerde] te goeder trouw was toen de HVO in haar feitelijke macht kwam, zodat ze wordt beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid van KVA. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.
2. Het geding in hoger beroep
UTB is bij dagvaarding van 9 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord Holland op 11 februari 2026, onder bovenvermeld zaaknummer, heeft gewezen tussen UTB als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven, en producties.
[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Op 21 augustus 2026 is de zaak mondeling behandeld. Bij die gelegenheid hebben partijen de zaak laten toelichten door hun advocaten, UTB ook door mr. M. van Egmond en mr. G. Sibma, advocaten te Heerenveen, steeds aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen nadere producties in het geding gebracht.
Aan het slot van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd de zaak aan te houden, zodat ze konden onderzoeken of ze alsnog een minnelijke regeling konden treffen. Ter rolle van 8 september 2026 hebben partijen het hof laten weten dat hun onderhandelingen niet tot een schikking hebben geleid en arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[geïntimeerde] is gespecialiseerd in de opslag, verwerking en logistiek van vloeibare bulkgoederen. Haar klantenkring bestaat uit handelaren in en producenten van zulke goederen. Desgewenst verzorgt [geïntimeerde] , als “douane-agent”, voor haar klanten ook de douaneaangiften ter zake van de invoer van goederen in de EU.
KVA Holding B.V. (hierna: KVA) bemiddelt bij de verhandelingen van brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten. Zij maakt gebruik van de opslagfaciliteiten van [geïntimeerde] op basis van een zogenoemde “storage agreement”, krachtens welke [geïntimeerde] ook douane-agent voor KVA is. Ingevolgde de algemene voorwaarden die op deze overeenkomst van toepassing zijn, is het bewaargever KVA verboden de opslagtanks van [geïntimeerde] ter beschikking te stellen van of te doen gebruiken door derden. KVA mag de zaken die zij aan [geïntimeerde] in bewaring geeft. niet zonder toestemming van [geïntimeerde] overdragen aan derden en zo’n overdracht wordt in elk geval niet door [geïntimeerde] erkend als niet alle vorderingen van [geïntimeerde] zijn voldaan. Bovendien worden in de algemene voorwaarden een pandrecht en retentierecht ten behoeve van [geïntimeerde] bedongen op alle zaken die aan haar in bewaring worden gegeven.
UTB verhandelt minerale olieproducten, waaronder fossiele brandstoffen. UTB is een klant van KVA. Ze maakt op basis van een overeenkomst met KVA gebruik van de opslagfaciliteiten die [geïntimeerde] aan KVA ter beschikking heeft gesteld.
Op 5 december 2025 heeft UTB van Kolmar Group AG (hierna: Kolmar) circa 2.955 ton HVO gekocht voor USD 4.025.368,89. Ingevolge deze koopovereenkomst verwerft UTD de eigendom van de HVO op het moment van volledige betaling van de koopsom. Verder staat in de koopovereenkomst dat (een aanzienlijk deel van) de HVO wordt doorverkocht aan Varo Energy (hierna: Varo), en dat [geïntimeerde] op 5-6 december 2025 2.500 ton HVO bestemd voor Varo zal laden op het schip [naam] .
Op 5 december 2025 heeft [geïntimeerde] in opdracht van KVA circa 2.500 ton HVO vanuit tank 701 geladen op het schip [naam] . Op 6 december 2025 heeft [geïntimeerde] in opdracht van KVA circa 2.300 ton HVO vanuit het schip Sforzo geladen in tank 709.
UTB heeft op 10 december 2025 per bankoverschrijving USD 4.025.368,89 aan Kolmar betaald.
Op 12 december 2025 heeft [geïntimeerde] met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam ten laste van KVA verhaalsbeslag gelegd onder de bank en op aandelen van KVA en leveringsbeslag op de inhoud van opslagtanks die KVA van [geïntimeerde] in gebruik heeft.
Bij e-mail van 17 december 2025 heeft UTB [geïntimeerde] verzocht haar te bevestigen dat de HVO à circa 2.955 ton in tank 709 eigendom is van UTB. [geïntimeerde] heeft geantwoord (kort gezegd) dat ze niet kan beoordelen of de HVO eigendom is van UTB en dat ze er voorshands van uitgaat dat KVA eigenaar is van de producten die ze aan [geïntimeerde] in bewaring heeft gegeven, en dat een eventueel eigendomsrecht van UTB haar niet kan worden tegengeworpen, omdat zij een retentierecht en pandrecht heeft op de HVO in haar tanks en dat zij geen aanleiding had te twijfelen aan de eigendom van KVA.
4. Procedure bij de rechtbank
UTB heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter (kort gezegd) [geïntimeerde] veroordeelt om de HVO in tank 709 vrij te geven aan UTB. UTB zou op 10 december 2025 eigenaar zijn geworden van de HVO in tank 709 en [geïntimeerde] zou dat eigendomsrecht moeten respecteren. UTB zou een spoedeisend belang bij vrijgave hebben omdat ze anders haar contractuele (leverings)verplichtingen tegenover derden niet kan nakomen. [geïntimeerde] zou zich niet op een vuistpandrecht kunnen beroepen omdat dit pas is gevestigd op 12 december 2025 en niet is voldaan aan de voorwaarden voor het vestigen van een pandrecht. De toekomstige vordering van [geïntimeerde] op KVA zou onvoldoende zijn bepaald, [geïntimeerde] zou niet de feitelijke macht over de HVO uitoefenen en [geïntimeerde] zou niet tegen de beschikkingsonbevoegdheid van KVA worden beschermd.
Na verweer van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter het beroep van [geïntimeerde] op een vuistpandrecht gehonoreerd en de vordering van UTB afgewezen.
5. Vordering in hoger beroep
UTB heeft tegen het bestreden vonnis negen grieven aangevoerd. Ze vordert dat het hof het vonnis vernietigt en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van UTB in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.
6. Beoordeling
Aan de (ambtshalve te beoordelen) voorwaarde voor een voorlopige voorziening in kort geding dat UTB een spoedeisend belang bij haar vordering heeft, is naar het oordeel van het hof voldaan. Het spoedeisende belang strekt tot uitgangspunt in het licht van de stellingen van UTB dat de HVO waarvan ze in dit kort geding afgifte vordert, aan haar toebehoort en dat [geïntimeerde] die HVO zonder recht of titel onder zich houdt.
Bij de beoordeling van de grieven moet vooropstaan dat in dit kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsposities van partijen. Hoewel de kortgedingrechter zich heeft te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure, worden de standpunten van partijen in dit stadium slechts op hun aannemelijkheid beoordeeld, in het licht van de belangen van partijen.
De eerste tot en met de vierde grief lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Met haar eerste en tweede grief bestrijdt UTB het oordeel van de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat op de door of voor KVA ingevoerde producten het antidumpingrecht van de Europese Unie toepasselijk is, en dat navordering daarom onvermijdelijk is. Volgens de derde grief heeft [geïntimeerde] de aangekondigde douaneheffing over zichzelf afgeroepen en kan zij haar weigering om de HVO af geven, daarom niet tegenover UTB rechtvaardigen. Met haar vierde grief voert UTB aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een voldoende bepaalbare en concreet afdwingbare vordering van [geïntimeerde] die rechtvaardigt dat zij een retentie- en/of pandrecht uitoefent. Tijdens de mondelinge behandeling heeft UTB erkend dat de douane aan [geïntimeerde] een heffing heeft aangekondigd van circa € 52,5 miljoen aan antidumpingrechten en compenserende rechten, vermeerderd met rente. Aldus is voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] , in haar hoedanigheid van douane-agent van KVA, een zeer omvangrijke douane-aanslag in het vooruitzicht heeft waarvoor zij verhaal zal hebben op KVA, en dat zij met het oog daarop belang heeft om zekerheidsrechten ten laste van KVA uit te oefenen. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerde] zou hebben voorkomen dat zij zelf door de douane kan worden aangesproken als ze zich bij de douane als onmiddellijke vertegenwoordiger (direct agent) in plaats van middellijk vertegenwoordiger (indirect agent) van KVA had gepresenteerd. De eerste tot en met vierde grief falen.
Met haar vijfde tot en met achtste grief, die zich eveneens voor gezamenlijke beoordeling lenen, keert UTB zich tegen het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde] op de HVO waarvan UTB in dit kort geding afgifte vordert, een vuistpandrecht heeft dat zij aan UTB kan tegenwerpen. Volgens de vijfde grief is de voorraad HVO als verpand object niet voldoende bepaalbaar en volgens de zesde tot en met achtste grief is er geen rechtsgeldig pandrecht op de HVO gevestigd.
De grieven falen omdat ook naar het voorlopige oordeel van het hof aan alle vereisten voor de vestiging van een vuistpandrecht is voldaan. Ingevolge art. 3:84 jo. art. 3:98 BW vergt die vestiging een geldige titel (vestigingsovereenkomst), beschikkingsbevoegdheid van de pandgever en een vestigingshandeling, die er in dit geval in bestaat dat de HVO in de macht van [geïntimeerde] wordt gebracht (art. 3:236 lid 1 BW). Indien aan de overige vestigingsvereisten is voldaan, kan een gebrek aan beschikkingsbevoegdheid van de pandgever worden geheeld op de voet van art. 3:238 BW lid 1 BW, dat daarvoor verlangt dat de pandhouder te goeder trouw is op het moment waarop de zaak in zijn macht wordt gebracht.
De “storage agreement” tussen [geïntimeerde] en KVA is een overeenkomst van bewaarneming in de zin van art. 7:600 BW. Een essentieel kenmerk van die overeenkomst is dat de zaak die in bewaring wordt gegeven, in de macht van de bewaarnemer wordt gebracht, die vanaf dat moment de zaak voor de bewaargever houdt. De HVO is door [geïntimeerde] in bewaring genomen toen deze in tank 709 werd geladen en daarmee is zij in de macht van [geïntimeerde] gekomen. Het beding in de toepasselijke algemene voorwaarden dat op alle zaken die aan [geïntimeerde] in bewaring worden gegeven, een pandrecht wordt gevestigd, is een geldige titel. Als juist is dat KVA geen eigenaar van de HVO was toen zij deze aan [geïntimeerde] in bewaring gaf, strekt tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] niettemin op grond van (de algemene voorwaarden bij) de overeenkomst van de eigendom van KVA heeft mogen uitgaan. UTB stelt op zichzelf terecht dat de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en KVA haar niet aangaat, maar die overeenkomst is wel relevant voor de beoordeling van de goede trouw van [geïntimeerde] . Haar toelichting dat het gebruikelijk is dat haar bewaargevers eigenaar zijn van de zaken die ze tijdelijk en voor eigen rekening en risico bij [geïntimeerde] laten opslaan, vindt bevestiging in de algemene voorwaarden bij de overeenkomst.
Het feit dat, zoals UTB stelt, de bewaargeving van zaken plaatsvindt tegen de achtergrond van hun verhandeling en dat [geïntimeerde] daarvan op de hoogte is, en in het bijzonder dat [geïntimeerde] in dit geval, aanwijzingen had voor betrokkenheid van UTB bij de HVO in tank 709, maakt niet – althans niet zonder nader onderzoek waarvoor in dit kort geding geen plaats is – dat [geïntimeerde] ter zake van de eigendom van KVA niet te goeder trouw was toen zij de HVO in bewaring nam. [geïntimeerde] heeft op haar beurt omstandigheden aangevoerd die haar concreet mochten doen veronderstellen dat bij het aangaan van de handelsrelatie met KVA, deze eigenaar zou zijn van UTB betrokken HVO (productie C-42 en de door haar daarop gegeven toelichting), door UTB onweersproken (zie 2.5 van haar pleitaantekeningen in het hoger beroep). En wat er ook zij van de vermelding “UTB on all paperwork” op de documentatie van de lading in kwestie, de e-mail waarnaar UTB in dit verband verwijst (productie 14) dateert van na de datum van opslag, zodat [geïntimeerde] daarvan geen kennis kon hebben op het peilmoment voor de door haar gestelde goede trouw.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de toen aanwezige bestuurder van KVA nog wel verklaard dat KVA in de periode 23 oktober -25 december (naar het hof begrijpt: 2025) geen certificaat had om HVO te verhandelen en dat zij daarom de transactie met de HVO van Kolmar aan UTB had overgedaan. Volgens UTB had [geïntimeerde] dit kunnen weten omdat het om openbare informatie ging en was zij dus niet te goeder trouw.
Vervolgens verklaarde de bestuurder van KVA dat die door haar gestelde intrekking van het certificaat daadwerkelijk bij [geïntimeerde] bekend was omdat zij dit in november (het hof begrijpt: 2025) met [geïntimeerde] had besproken. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen het betrekken van deze stellingen en verklaringen bij de beoordeling van het geschil, omdat zij niet in de gelegenheid is geweest die juistheid en/of gegrondheid ervan te verifiëren, terwijl deze stellingen en verklaringen niet eerder in de procedure aan de orde waren gekomen. Naar het oordeel van het hof zou [geïntimeerde] inderdaad onaanvaardbaar in haar verdediging worden geschaad als deze nieuwe stellingen en verklaringen bij de beoordeling zouden worden betrokken, en het hof zal dat daarom ook niet doen.
Het hof is dan ook van oordeel dat voorshands moet worden uitgegaan van de goede trouw en daarmee van een pandrecht van [geïntimeerde] .
Het hof verwerpt ten slotte de stelling van UTB dat de HVO waarop [geïntimeerde] het pandrecht uitoefent niet voldoende bepaalbaar is. UTB heeft in hoger beroep aangevoerd dat 1.880 ton HVO in tank 709 aan haar toebehoort, en 670 ton aan Starol. Vanwege deze vermenging zou volgens [geïntimeerde] op de KVO die eigendom is van UTB bij gebrek aan individualiteit geen pandrecht gevestigd kunnen zijn. [geïntimeerde] heeft echter terecht aangevoerd dat zij op grond van haar algemene voorwaarden aan al haar bewaargevers een pandrecht kan tegenwerpen en dat dit pandrecht daarom de volledige inhoud van de KVO in tank 709 bestrijkt. Als die KVO inderdaad, zoals UTB stelt, zou toebehoren aan verschillende eigenaars, lijkt dat eerder problematisch voor de gestelde eigendom en daarop gebaseerde goederenrechtelijke vordering van UTB (HR 12 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC2286, NJ 1968/274)
In al het voorgaande ligt besloten dat de voorzieningenrechter de vorderingen van UTB terecht heeft afgewezen en haar terecht heeft veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg. Daarmee faalt ook de negende grief van UTB.
De slotsom luidt dat het hoger beroep geen succes heeft en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Omdat UTB in het hoger beroep in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt die proceskosten als volgt vast:
- griffierecht € 851,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II à € 1.290,00, 2 punten)
Totaal € 3.431,00
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt UTB in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.431,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt UTB/ [geïntimeerde] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. R.E. Weening, mr. J.W. Frieling en mr. A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.