ECLI:NL:GHAMS:2026:3028

ECLI:NL:GHAMS:2026:3028

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer 200.369.700/01 en 200.371.771/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

‘Bekrachtiging uithuisplaatsingen en zorgregeling, NIFP-rapportage’.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.369.700/01 (machtiging uithuisplaatsing en 200.371.771/01 (zorgregeling)

zaaknummers rechtbank: C/15/375409 / JU RK 26-370 (machtiging uithuisplaatsing) en C/15/375411 / JU RK 26-371 (zorgregeling)

beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in beide zaken van

[de vader] ,

wonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat in de zaak met zaaknummer 200.369.700/01: mr. J. Koenen te Rotterdam,

advocaat in de zaak met zaaknummer 200.371.771/01: mr. F. Pool te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te [plaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de GI.

Het hof heeft in beide zaken als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] );

- [de moeder] (hierna: de moeder), wonende te [plaats 3] , advocaat: mr. J.H. Prins te Den Helder.

Het hof heeft in beide zaken als informant aangemerkt:

- mevrouw drs. A. de Jong, de deskundige (orthopedagoog/gz-psycholoog) voorgedragen door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) (hierna: de deskundige).

In zijn adviserende taak is in beide procedures gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie [plaats 4] ,

hierna: de raad.

1. De zaken in het kort

De zaak met nummer 200.369.700/01 gaat over de vraag of terecht achtereenvolgens machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (10 jaar) bij de moeder zijn verleend respectievelijk verlengd en of de meest recente machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is.

De zaak met nummer 200.371.771/01 gaat over wijziging van de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] .

De vader is het niet eens met deze beslissingen van de kinderrechter. Hij vindt dat [minderjarige] ten onrechte uit huis is geplaatst en dat ten onrechte de zorgregeling is gewijzigd. De vader wil terug naar de situatie waarin [minderjarige] in een week-op-week-af regeling bij de moeder respectievelijk de vader verblijft. De GI en de moeder zijn het wel eens met de bestreden beschikkingen en willen dat de huidige situatie wordt gehandhaafd.

2. De procedures in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.369.700/01 (machtiging tot uithuisplaatsing)

De vader is op 3 juni 2026 in hoger beroep gekomen van twee beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie [plaats 4] (hierna: de kinderrechter) van 5 maart 2026 en 18 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikkingen). Bij dit hoger beroepschrift is de vader ook in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 21 april 2026.

De moeder heeft op 26 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

De GI heeft op 2 juli 2026 een verweerschrift ingediend.

In de zaak met zaaknummer 200.371.771/01 (zorgregeling)

De vader is op 17 juli 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 21 april 2026, specifiek ten aanzien van de beslissing van de rechtbank om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te wijzigen.

De moeder heeft op 11 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.

Het hof begrijpt dat het op 2 juli 2026 door de GI ingediende verweerschrift ook als verweerschrift in deze zaak met nummer 200.371.771/01 dient te worden aangemerkt.

Het hof heeft daarnaast een bericht van de zijde de moeder van 20 augustus 2026 met bijlage ontvangen en heeft dit stuk aan beide zaken toegevoegd.

Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft in een brief, die ter zitting door de moeder aan de voorzitter is overhandigd, laten weten wat zij van de zaak vindt. De voorzitter heeft de inhoud - kort samengevat en zakelijk -weergegeven.

De zitting heeft op 26 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl, die waarneemt voor mr. J. Koenen, en mr. M.S. Krol, die waarneemt voor mr. F. Pool;

- een vertegenwoordiger van de GI;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door V.A.S Regout, en

- de deskundige.

Op 27 augustus 2026 heeft de GI, op verzoek van het hof, het NIFP-rapport over de moeder, dat het hof nog niet in zijn bezit had, aan het hof toegestuurd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop schriftelijk te reageren. Het hof heeft op 7 september 2026 een schriftelijke reactie van de zijde van de vader ontvangen. Het hof heeft op 9 september 2026 een reactie van de zijde van de GI ontvangen.

Namens de vader is op 17 september 2026 bezwaar gemaakt tegen de door de GI ingediende reactie, omdat de GI zich niet alleen heeft uitgelaten over het NIFP-rapport over de moeder maar ook over het beroepschrift van de vader, de gang van zaken op zitting, het gezag en de zorgregeling. Het hof zal de reactie van de GI buiten beschouwing laten, omdat de GI daarin standpunten inneemt over andere aspecten van de procedure die verder reiken dan een reactie op het NIFP-rapport over de moeder. Hiertoe heeft het hof geen gelegenheid gegeven. Partijen zijn hierover bij bericht van 5 oktober 2026 op de hoogte gesteld.

3. De feiten in beide zaken

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren [in] 2016, te [plaats 4] .

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij de moeder.

[minderjarige] heeft van 8 juni 2018 tot 8 juni 2021 eerder onder toezicht van de GI gestaan. Sinds 5 december 2023 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is inmiddels verlengd tot 5 december 2026.

Zorgregeling

De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 april 2020 de volgende zorgregeling vastgesteld: [minderjarige] verblijft in de even weken bij de vader van vrijdag uit school tot maandag naar school en in de oneven weken bij de vader op woensdag vanaf 17.00 uur tot donderdag naar school, waarbij [minderjarige] door de vader op woensdag op de BSO wordt opgehaald en op donderdag naar school wordt gebracht.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 december 2025 de volgende zorgregeling vastgesteld: [minderjarige] verblijft de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder.

In november 2025 is een Familierechtelijk Psychologisch Onderzoek door het NIFP aangevangen. Op 23 maart 2026 heeft de onderzoekster een rapport uitgebracht met bevindingen over de moeder, de vader en [minderjarige] .

4. De omvang van het hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.369.700/01 (machtiging tot uithuisplaatsing)

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking van 5 maart 2026, voor zover hier van belang, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een ouder met gezag, te weten de moeder, verleend met ingang van 5 maart 2026 tot 2 april 2026. In de bestreden beschikking van 18 maart 2026 heeft de kinderrechter de eerdere spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 5 maart 2026 gehandhaafd. Aansluitend op de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft de kinderrechter, voor zover hier van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een ouder met gezag, te weten de moeder, verleend tot 23 april 2026. In de bestreden beschikking van 21 april 2026 heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een ouder met gezag, te weten de moeder, verlengd tot 5 december 2026. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 april 2026 het verzoek van de vader om een contra-expertise afgewezen.

De vader verzoekt met vernietiging van de bestreden beschikkingen,

- primairde inleidende verzoeken van de GI tot (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel (alsnog) af te wijzen;

- subsidiaireen contra-expertise op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten met benoeming van een deskundige.

De GI verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel deze verzoeken af te wijzen.

De moeder verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen al dan niet onder aanvulling van gronden en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel deze verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond.

In de zaak met zaaknummer 200.371.771/01 (zorgregeling)

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking van 21 april 2026, met wijziging van de beschikking van 11 december 2025, de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] gewijzigd en bepaald dat er een tweewekelijks omgangsmoment tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt van anderhalf uur op neutraal terrein, waarbij de omgang wordt begeleid door een professionele omgangsbegeleider.

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek van de GI tot wijziging van de zorgregeling (alsnog) af te wijzen.

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dit verzoek af te wijzen.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen al dan niet onder aanvulling van gronden en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, dan wel dit verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond.

5. De motivering van de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.369.700/01 (machtiging tot uithuisplaatsing)

Ontvankelijkheid

Door de vader is gesteld dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de GI tot een (spoed)machtiging uithuisplaatsing ontvankelijk heeft geacht. De GI had volgens de vader kunnen volstaan met een verzoek ex artikel 1:265g BW, omdat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder had. Naar het hof begrijpt, verzoekt de vader om die reden de GI alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in de inleidende verzoeken.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft aangenomen dat de GI in haar verzoeken kan worden ontvangen. Sinds de beschikking van 11 december 2025 verbleef [minderjarige] de helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader. Het enkele feit dat [minderjarige] de helft van de tijd bij de moeder woonde, leidt niet tot de conclusie dat de GI uitsluitend een verzoek op grond van artikel 1:265g BW had kunnen indienen. Geen wettelijke regeling staat eraan in de weg dat de GI een verzoek op grond van artikel 1:265b BW indient. Bovendien biedt de procedure op grond van artikel 1:265b BW meer waarborgen voor [minderjarige] , omdat de kinderrechter de machtiging alleen kan verlenen als de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek naar diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Gelet op het voorgaande, acht het hof de GI ontvankelijk in haar inleidende verzoeken tot (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen.

De standpunten

De vader stelt dat de uithuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige] is en dat de noodzaak van de verlening en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ontbreekt. De vader vindt dat hij in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De vader voert daartoe aan dat er geen zorgen gebleken zijn uit het plan van aanpak. De vader stelt dat bij de beoordeling van het belang van [minderjarige] onvoldoende gewicht is toegekend aan de zorgen die over de moeder en over de onveiligheid van [minderjarige] bij de moeder naar voren zijn gekomen. De vader acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank, het uiten en melden van zorgen door de vader over de moeder, aanmerkt als het devalueren van de moeder. Verder voert de vader aan dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is. De vader staat open voor iedere vorm van hulpverlening om de thuisplaatsing van [minderjarige] bij hem mogelijk te maken. De vader acht het onzorgvuldig en strijdig met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voordat de uitkomsten van het NIFP-onderzoek beschikbaar waren. Voor een spoedmachtiging was geen aanleiding; de zorgen over de reactie van de vader waren uit de lucht gegrepen. Daarnaast is het NIFP-onderzoek volgens de vader onzorgvuldig tot stand gekomen en betwist hij de uitkomst van het onderzoek. Ten tijde van het onderzoek was hij bovendien ziek, maar is hij onder druk gezet om mee te werken. De vader meent verder dat er geen sprake is geweest van een onafhankelijk onderzoek, omdat het onderzoek is verricht in opdracht van de GI. Een nader (raads)onderzoek zal zich volgens de vader vooral moeten richten op de mogelijkheden van een thuisplaatsing en welke hulp daarbij nodig is.

De GI voert aan dat de rechtbank op goede gronden geoordeeld heeft dat de (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De beslissing is gebaseerd op uitgebreid en onafhankelijk onderzoek, en is nadien opnieuw inhoudelijk getoetst en bevestigd. Uit het NIFP-onderzoek volgt dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Vastgesteld is dat de vader structureel de opvoedsituatie bij de moeder ondermijnt, onvoldoende inzicht toont in de impact van zijn handelen en geneigd is de behoeften en gevoelens van [minderjarige] vanuit zijn eigen beleving in te vullen. Op basis hiervan is terecht geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij bij de moeder opgroeit en dat het contact met de vader beperkt en begeleid wordt vormgegeven, aldus de GI. De GI vindt dat de vooruitgang van de vader tot op heden beperkt en onvoldoende concreet en bestendig is om tot een ander opvoedperspectief te kunnen leiden.

De moeder voert aan dat de kinderrechter terecht de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verleend en verlengd. De wet stelt niet als voorwaarde dat voorafgaand aan een machtiging tot uithuisplaatsing een NIFP-onderzoek wordt verricht. Bovendien brengt een spoedverzoek met zich dat enkel een voorlopige toetsing plaatsvindt. Bij de definitieve toewijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing was het NIFP-onderzoek wel beschikbaar. Volgens de moeder moet veel waarde worden gehecht aan het NIFP-onderzoek. De moeder vindt dat het verzoek tot een contra-expertise terecht is afgewezen door de rechtbank. Een contra-expertise zal volgens de moeder tot onrust en strijd leiden.

Het advies van de raad

De raad heeft op de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikkingen ten aanzien van de uithuisplaatsing ongewijzigd te laten. De raad acht het van belang dat [minderjarige] opgroeit in veilige en rustige omstandigheden bij haar primaire opvoeder, de moeder. Volgens de raad lijkt het de vader niet te lukken de inprenting van het beeld dat de moeder niet te vertrouwen is, te stoppen. De vader lijkt het ook lastig te vinden [minderjarige] niet te beïnvloeden met zijn opvattingen, wat schadelijk is voor haar ontwikkeling. De raad is van oordeel dat [minderjarige] last heeft van het gedrag van de vader. De vader heeft de heldere adviezen van het NIFP niet opgepakt en de raad vindt het gebrek aan reflectievermogen van de vader zorgelijk. Volgens de raad zal een raadsonderzoek geen toegevoegde waarde hebben, omdat het zou worden uitgevoerd op basis van dezelfde stukken waarop het NIFP-onderzoek gebaseerd is.

De beoordeling door het hof

Hoewel de termijn waarvoor de kinderrechter de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 5 maart 2026 en de aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van 18 maart 2026 heeft verleend inmiddels is verlopen, heeft de vader, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn gezinsleven, toch belang om de rechtmatigheid van de spoedmachtiging en de aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te laten toetsen.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en de behandeling ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De verhouding tussen de ouders is al vele jaren ernstig verstoord en kenmerkt zich door onderling wantrouwen en zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de andere ouder. Hierdoor werd [minderjarige] voortdurend geconfronteerd met spanningen. Ondanks de inzet van hulpverlening tijdens de ondertoezichtstelling is deze verhouding niet verbeterd en leken de spanningen voor [minderjarige] toe te nemen. Omdat de dynamiek tussen de ouders zo lastig te doorgronden en zeer hardnekkig bleek, en de zorgen over de opvoedingssituatie van [minderjarige] bleven bestaan, ontstond er volgens de GI de noodzaak om een onderzoek door een deskundige te laten uitvoeren. In november 2025 is het NIFP, op verzoek van de GI, een onderzoek gestart naar de ontwikkelings- en opvoedbehoeften van [minderjarige] en ook naar de persoonlijkheid van de ouders, hun mogelijkheden om bij [minderjarige] aan te sluiten en wat dit betekent voor gezag en omgang. Op 5 maart 2026 heeft het NIFP een conceptrapport uitgebracht en op 23 maart 2026 het definitieve NIFP-rapport.

Anders dan de vader betoogt zal het hof het NIFP-rapport en de conclusies en adviezen van de deskundige wel bij de beoordeling betrekken. Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd. Zo heeft de deskundige duidelijk aangegeven van welke stukken zij heeft kennisgenomen, welke gesprekken zij heeft gevoerd en heeft zij vermeld welke onderzoekstechnieken en testen zijn gebruikt. Uit het rapport blijkt dat de onderzoeksvragen zijn beantwoord na psychologisch onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van diverse onderzoeksmiddelen, waaronder gespreksvoering, intelligentietesten, gedrags- en interactieobservaties, vragenlijsten, tekeningen en een Familie Relatie Test, waarvan uitvoerig verslag is gedaan. Het hof is van oordeel dat het onderzoek en de daarbij gebruikte onderzoeksmethoden de conclusies en adviezen van de deskundige kunnen dragen en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Dat daarbij niet ook gebruik is gemaakt van de Masic methode of de Module Intieme Terreur, zoals de vader stelt, maakt niet dat de onderzoeksresultaten ondeugdelijk zijn. Anders dan de vader stelt is het hof van oordeel dat de deskundige consistent is in de beoordeling van de problematiek van de vader. Daartoe heeft zij ter zitting in hoger beroep nader toegelicht dat de nadruk niet zozeer op de kwalificatie van de stoornis moet liggen, maar vooral op het gedrag van de vader dat schadelijk is voor [minderjarige] .

Niet gebleken is dat aan de wijze van totstandkoming van het rapport gebreken kleven. De door de vader genoemde omstandigheid dat de deskundige kennisgenomen zou hebben van een YouTube of een TikTok filmpje waarin de vader bepaalde uitlatingen heeft gedaan en het betreffende filmpje niet is vermeld in de rapportage of in het geding is gebracht, maakt dit niet anders. Dit betreft namelijk een openbaar online platform en niet is gebleken dat de conclusie en het advies van de deskundige hierop (in overwegende mate) zijn gebaseerd. De door de vader genoemde omstandigheid dat de inhoudsopgave van het rapport geen melding maakt van een brief die door de vader zou zijn gestuurd (naar het hof begrijpt: een brief die in het verleden naar de ouders van de moeder zou zijn gestuurd, hetgeen de vader betwist) maakt evenmin dat het rapport om die reden onzorgvuldig en niet deugdelijk is. Nog los van het antwoord op de vraag of de deskundige deze brief zelf heeft gelezen dan wel de informatie van de moeder heeft verkregen, betreft dit een omstandigheid uit het verleden en is de conclusie en het advies van de deskundige ook hierop niet in overwegende mate gebaseerd. Het enkele feit dat het onderzoek in opdracht van de GI heeft plaatsgevonden maakt niet dat het onderzoek niet onafhankelijk is geweest. Dat slechts drie gesprekken met de vader hebben plaatsgevonden en door hem aangedragen informanten niet zijn meegenomen kan, zonder nadere toelichting, evenmin tot deze conclusie leiden. De vader heeft gesteld dat hij tijdens het onderzoek ziek was. De gesprekken zijn om die reden echter uitgesteld en daarna heeft de vader volledig meegewerkt aan het onderzoek. Dat dit onder druk is gebeurd heeft hij niet nader onderbouwd. Aan de stelling van de vader dat geen hoor en wederhoor is toegepast gaat het hof ook voorbij, omdat voor de totstandkoming van het definitieve rapport van 23 maart 2026 de bevindingen van de deskundige en het conceptrapport met de vader zijn besproken. Dat eerder op basis van het conceptrapport maatregelen zijn getroffen is ingegeven door de ernstige zorgen die bestonden over de veiligheid van de moeder en [minderjarige] en acht het hof gerechtvaardigd, mede in aanmerking nemende dat het rapport direct de dag erna op 6 maart 2026 met de vader is besproken.

Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen van de deskundige en zal – zoals gezegd – haar conclusies en de adviezen bij de beoordeling betrekken.

In het rapport van 23 maart 2026 is door de deskundige op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten geconcludeerd dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd, voornamelijk omdat zij opgroeit in een onveilige, instabiele, weinig voorspelbare en onbetrouwbare opvoedingssituatie.

In het NIFP-rapport zijn ernstige zorgen naar voren gekomen over de opvoedvaardigheden van en de opvoedsituatie bij de vader. Bij de vader is sprake van gedrag met kenmerken die passen bij een narcistische persoonlijkheidsstoornis en vanuit die problematiek is hij geneigd de behoeften van [minderjarige] vanuit eigen behoeften in te vullen. Hierdoor wordt de ontwikkeling van eigenheid en autonomie van [minderjarige] verstoord. Verder wordt geconcludeerd dat de vader, door de moeder consequent te devalueren, de leefsituatie voor [minderjarige] bij de moeder onveilig maakt. Volgens de deskundige is door de aantijgingen van de vader over de moeder, de ontwikkeling van het zelfvertrouwen en het vertrouwen in anderen van [minderjarige] verstoord. De deskundige adviseert voor de vader een behandeling bij De Waag gericht op zijn persoonlijkheidsstoornis. Intensieve pedagogische ondersteuning ligt niet in rede, omdat de vader weinig van een ander aanneemt. Hij heeft geen besef van zijn problematiek, zodat een effectieve werkrelatie met de vader niet te verwachten is. Als het met therapie lukt om tot zelfinzicht te komen en de onwrikbaarheid van zijn overtuigingen te doorbreken, heeft een behandeling gericht op het ontwikkelen van de pedagogische en affectieve vaardigheden mogelijk kans van slagen.

Met betrekking tot de moeder wordt geconcludeerd dat sprake is van goed genoeg ouderschap. Wel zijn er zorgen met betrekking tot de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] , omdat de moeder vanuit een leefsituatie met chronische conflicten en psychische overbelasting [minderjarige] geen gevoel van vertrouwen en veiligheid heeft kunnen geven. De moeder heeft hulpverlening nodig om de verhouding draaglast-draagkracht in balans te krijgen en de deskundige adviseert traumatherapie in combinatie met schematherapie. Voor de moeder en [minderjarige] samen wordt hechtingstherapie geadviseerd.

Uit het NIFP-rapport komt verder naar voren dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is dat meer dan gemiddeld behoefte heeft aan basisveiligheid en een overzichtelijke, voorspelbare, veilige, warme consequente en gestructureerde leef- en opvoedingssituatie. Geconcludeerd wordt dat een verder opgroeien van [minderjarige] bij de vader haar gehele ontwikkeling verder zal beschadigen en daarom niet in haar belang is. Geadviseerd wordt de zorgregeling te wijzigen in die zin dat [minderjarige] door de moeder wordt opgevoed en verzorgd, met dien verstande dat intensieve hulp voor de moeder en [minderjarige] wordt ingeschakeld, aldus het NIFP rapport.

Verder bestaat volgens het NIFP-rapport de kans dat vader na kennisname van deze conclusies, gelet op zijn problematiek, [minderjarige] en de moeder in gevaar brengt en daarom zorgvuldige aandacht nodig is voor hun veiligheid.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de kinderrechter in de beschikking van 5 maart 2026 terecht heeft geoordeeld dat de gronden voor een spoeduithuisplaatsing aanwezig waren. De GI heeft gesteld dat de behandeling ter zitting niet kon worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Zo heeft de GI aangegeven dat het afwachten van een zitting te veel risico’s met zich bracht omdat de vader in contact met de GI zeer onbetrouwbaar en onvoorspelbaar is, in zijn vele mails verward overkomt, vader eerder gedreigd heeft [minderjarige] te ontvoeren naar Frankrijk en hij een bepaalde controle en dwang lijkt uit te oefenen op [minderjarige] en daarmee ook op moeder. Naar het oordeel van het hof heeft de GI de acute noodzaak voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] met het NIFP-rapport voldoende onderbouwd en was het spoedeisende karakter van het verzoek gerechtvaardigd. Weliswaar was het rapport op dat moment nog niet definitief, maar gezien de zorgen over de vader die uit het conceptrapport van het NIFP naar voren kwamen, is het hof met de kinderrechter van oordeel dat de spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van vier weken noodzakelijk was in het belang van haar verzorging en opvoeding. Op grond van het voorgaande slaagt het beroep van de vader op artikel 6 EVRM niet.

Het hof is van oordeel dat de gronden voor de aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder ten tijde van de bestreden beschikkingen van 18 maart 2026 en 21 april 2026 ook aanwezig waren. Het hof onderschrijft de ter zitting naar voren gebrachte conclusie van de raad dat [minderjarige] , zo blijkt ook uit de observaties van de GI, zich in veiligere en rustigere omstandigheden bij de moeder lijkt te bevinden. Gebleken is dat de moeder het advies om intensieve hulpverlening in te schakelen heeft opgevolgd. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij drie weken intensieve hulpverlening heeft gevolgd bij een behandelcentrum en dat zij op de wachtlijst staat voor schematherapie. [minderjarige] staat op dit moment volgens de GI op de wachtlijst voor paardentherapie. Mede gelet hierop en gezien de zorgen over de opvoedvaardigheden en uitlatingen van de vader, is het hof van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige] bij de moeder noodzakelijk is.

Naar het oordeel van het hof zijn de gronden voor de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder ook nu nog aanwezig. De vader heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven zich niet te herkennen in de diagnose van het NIFP. Daarnaast heeft hij de zorgen over zijn opvoedvaardigheden en uitlatingen ontkend. Hij is niet voornemens de geadviseerde behandeling bij De Waag te volgen. Wel is hij in plaats daarvan in gesprek gegaan met GGZ [gemeente] over een behandeling gericht op PTSS, maar heeft hij niet eigener beweging inzage gegeven in het behandelplan van de GGZ [gemeente] . Het hof is van oordeel dat de vader daarmee onvoldoende inzicht en reflectief vermogen laat zien en heeft er onvoldoende vertrouwen in dat een minder vergaande maatregel dan een uithuisplaatsing op dat moment volstond en nog steeds volstaat. Het hof zal de beschikkingen van 18 maart 2026 en 21 april 2026 bekrachtigen.

Nader onderzoek

Uit artikel 810a, tweede lid, Rv volgt dat de rechter in zaken over de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming of een gecertificeerde instelling in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a, tweede lid, Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen als de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep een breed raadsonderzoek verzocht en zijn (subsidiaire) verzoek om een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a tweede lid Rv ingetrokken. In zijn brief van 7 september 2026 bevestigt de vader zijn intrekking, maar verzoekt hij het hof ambtshalve een contra-expertise te gelasten.

Het hof ziet geen aanleiding om een deskundigenonderzoek op grond van artikel 810a, tweede lid, Rv te gelasten. Het hof is van oordeel dat met name het belang van [minderjarige] zich verzet tegen een nieuw deskundigenonderzoek. Dit geldt eveneens voor een raadsonderzoek, zoals de vader verzocht heeft. Een nieuw onderzoek zal [minderjarige] opnieuw belasten terwijl zij zich nu in rustigere omstandigheden bij de moeder bevindt. Het is van groot belang dat die rust nu niet verstoord wordt door een nieuw onderzoek waarin zij opnieuw gesproken en onderzocht zal moeten worden en het afwachten van de uitslag weer een onzekere periode voor haar zal brengen. [minderjarige] moet juist de tijd krijgen om gewend te raken aan de nieuwe situatie waarin zij zich nu bevindt. Het hof zal het verzoek van de vader op dit punt dan ook afwijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.371.771/01 (zorgregeling)

Het wettelijk kader

Op grond van het bepaalde in artikel 1:265g, eerste lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

De standpunten

De vader stelt dat hij zich niet kan verenigen met de beslissing van de kinderrechter wat betreft de wijziging van de zorgregeling. Volgens de vader waren zowel [minderjarige] als hijzelf blij met de uitbreiding van de zorgregeling en ging de uitvoering daarvan probleemloos. De vader vindt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de omstandigheden zijn gewijzigd na de beschikking van 11 december 2025 of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De huidige zorgregeling doet volgens de vader absoluut geen recht aan de belangen van [minderjarige] op een goed contact met beide ouders. Volgens de vader heeft de rechtbank deze beslissing volledig gebaseerd op het NIFP-onderzoek, waarvan de vader stelt dat het een dergelijke ingrijpende wijziging van de zorgregeling niet kan dragen. De vader heeft ook ten aanzien van de zorgregeling om een breed raadsonderzoek verzocht.

De GI voert aan dat de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat de wijziging van de zorgregeling noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hoewel de omgangsmomenten over het algemeen positief verlopen, blijft het contact voor [minderjarige] belastend. [minderjarige] heeft bij de GI aangegeven dat de vader in de interactie nog regelmatig sturend en invullend is, waardoor [minderjarige] onvoldoende ruimte ervaart om haar eigen gevoelens en gedachten te uiten. Dit maakt dat uitbreiding van de omgang op dit moment niet in haar belang is en dat voortzetting van begeleid contact noodzakelijk blijft.

De moeder voert aan dat de kinderrechter terecht de zorgregeling heeft gewijzigd. De moeder ondersteunt de visie uit het NIFP-rapport. Ook stelt de moeder dat [minderjarige] door de vader bang gemaakt is voor de moeder. Sinds de nieuwe zorgregeling is [minderjarige] rustiger geworden en praat zij over haar gevoelens. Volgens de moeder gaat het goed op school en zijn de resultaten sterk verbeterd. [minderjarige] heeft rust nodig en het is niet in haar belang dat de huidige zorgregeling wordt uitgebreid, aldus de moeder.

Het advies van de raad

De raad heeft op de zitting in hoger beroep ten aanzien van de zorgregeling verklaard dat het belangrijk is dat contactverlies tussen [minderjarige] en de vader tegengegaan wordt. Tegelijkertijd vindt de raad dat er ook moet worden gekeken naar wat het contact [minderjarige] oplevert, en of het contact schadelijk is voor [minderjarige] . Volgens de raad zijn de omstandigheden die ervoor hebben gezorgd dat het contact tussen de vader en [minderjarige] beperkt is, niet veranderd. Naar het hof begrijpt heeft de raad ook ten aanzien van de zorgregeling aangegeven dat een raadsonderzoek geen toegevoegde waarde zal hebben, omdat het zou worden uitgevoerd op basis van dezelfde stukken waarop het NIFP-onderzoek gebaseerd is.

De beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat de zorgregeling op goede gronden is gewijzigd en verwijst daarvoor naar de overwegingen hiervoor die betrekking op de machtiging tot uithuisplaatsing. Gezien de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en zijn gedrag waarmee hij stelselmatig de moeder ondermijnde is het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding terecht bij de moeder neergelegd en de zorgregeling gewijzigd. De vader erkent zijn aandeel in de ontstane situatie niet en toont geen inzicht in de schadelijke gevolgen van zijn houding ten opzichte van de moeder en is evenmin bereid gebleken de geadviseerde intensieve hulpverlening bij De Waag aan te gaan. Met betrekking tot de hulpverlening die de vader wel is aangegaan is vooralsnog geen inzicht gegeven. Gezien de zorgen om de veiligheid van [minderjarige] en haar belasting van gesprekken met de vader ziet het hof het belang om de zorgregeling begeleid te laten verlopen.

Het hof overweegt dat de situatie voor [minderjarige] waarbij het contact met de vader begeleid en beperkt is en daardoor rust geeft, bestendigd moet worden. Van belang is dat de GI de begeleide omgang monitort en zodra het veilig en in het belang van [minderjarige] is nagaat of en welke mogelijkheden bestaan om de contacten uit te breiden. Voor nu is van belang dat de situatie wordt gestabiliseerd en de moeder en [minderjarige] in alle rust kunnen toekomen aan de verdere opbouw van een veilige hechtingsrelatie. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd over de situatie en zal het verzoek van de vader afwijzen om een nieuw raadsonderzoek te gelasten. Daarbij komt dat het hof een nieuw onderzoek niet in het belang van [minderjarige] acht. Het hof verwijst ook hiervoor naar de overwegingen hiervoor die betrekking hebben op het verzochte raadsonderzoek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing.

Het hof is daarom – met de kinderrechter - van oordeel dat de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling het meest in het belang is van [minderjarige] is. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof het verzoek van de vader zal afwijzen en de bestreden beschikking van 21 april 2026 voor wat betreft de zorgregeling bekrachtigt.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.369.700/01 (machtiging tot uithuisplaatsing)

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

In de zaak met zaaknummer 200.371.771/01 (zorgregeling)

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. J.M. van Baardewijk en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.L. Lusink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand