GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.374.323/01
insolventienummer rechtbank : C/15/26/198 F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellante,
thans zonder advocaat, voorheen: mr. M.W. Schüller te Hoofddorp,
tegen
1. [geïntimeerde 1] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.N. Mense te Haarlem.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd en voor zover nodig afzonderlijk aangeduid met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
1. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij op 9 september 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem , van 1 september 2026, waarbij [appellant] op verzoek van [naam] (hierna: [naam] ), [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in staat van faillissement is verklaard, met benoeming van mr. M.W. Koenis, lid van voornoemde rechtbank als rechter-commissaris, en met aanstelling van mr. B.H.A. Brauers als curator.
Mr. Schüller heeft op 1 oktober 2026 het hof laten weten dat hij zich heeft onttrokken.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 6 oktober 2026. Bij die behandeling is [appellant] verschenen. Namens [geïntimeerden] is mr. Mense voornoemd verschenen. Verder is ter zitting verschenen de curator die zijn standpunt heeft toegelicht aan de hand van het hierna te noemen verslag.
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingediend:
voormeld beroepschrift, met bijlage 1 en 2;
het dossier van de rechtbank, waaronder de processen-verbaal van de verhoren in raadkamer in eerste aanleg op 2 juni, 28 juli en 25 augustus 2026;
het verslag van de curator van 5 oktober 2026.
Partijen en de curator hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over deze stukken.
2. Beoordeling
[naam] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben aan hun verzoek tot faillietverklaring van [appellant] vorderingen ten grondslag gelegd tot een totaalbedrag van € 18.564,36. Daarbij gaat het om een vordering van [naam] wegens belastingadvieswerkzaamheden van € 8.752,33 in hoofdsom uit hoofde van een in rekening gebrachte opeisbare vergoeding, een vordering van [geïntimeerde 1] wegens het verzorgen van een begrafenis van € 4.251,15 in hoofdsom uit hoofde van een opeisbaar (verstek)vonnis van 30 april 2025 en een vordering van [geïntimeerde 2] wegens verhuiswerkzaamheden van € 5.560,88 in hoofdsom uit hoofde van een opeisbare factuur, telkens vermeerderd met rente en kosten.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van verzoekster (het hof begrijpt: [naam] en/of [geïntimeerden] ) en dat voldoende is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Ter zitting is gebleken dat [naam] aan zijn advocaat, mr. Mense, heeft laten weten zijn verzoek tot faillietverklaring van [appellant] niet te willen handhaven.
[appellant] heeft in hoger beroep betoogd dat het faillissement ten onrechte is uitgesproken en dat het faillissementsvonnis daarom moet worden vernietigd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten eerste verkeert [appellant] niet in de toestand van te hebben opgehouden te betalen nu zij in staat en bereid is met [geïntimeerden] en eventuele andere schuldeisers een regeling te treffen, althans de vorderingen te voldoen. Er is op dit moment sprake van een tijdelijk liquiditeitsgebrek. Dat gebrek is ontstaan doordat haar inkomstenbron uit de onderneming(en) die zij dreef met haar ex-partner wegviel nadat haar ex-partner de relatie had beëindigd. [appellant] stelt vorderingen op haar ex-partner te hebben die zij in een civiele procedure wil innen. Zodra die vorderingen liquide zijn, kan zij al haar schuldeisers voldoen.
Ter zitting heeft zij verklaard dat zij ongeneeslijk ziek is. Naast de op dit moment bij de curator bekende schulden is zij ook nog leningen aangegaan van in totaal circa € 4.000.000,00. Zij is die leningen persoonlijk aangegaan voor de onderneming(en) die zij dreef met haar ex-partner. Ook de schulden aan het CJIB en de Belastingdienst vloeien voort uit die onderneming(en). De schulden aan [geïntimeerden] kan [appellant] met hulp van derden voldoen, evenals de kosten van de curator en van de faillissementsaanvraag. Tot slot is een faillissement volgens [appellant] in niemands belang en zal het de schuldeisers alleen maar benadelen.
De curator heeft in het hiervoor genoemde verslag en ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij onvoldoende informatie heeft ontvangen om de gestelde betalingsmogelijkheden en regelingen te kunnen beoordelen, mede doordat de advocaat van [appellant] zich kort voor de zitting heeft onttrokken. Het boedelsaldo bedraagt € 0,00 en op korte termijn zijn geen baten voor de boedel te verwachten. Na de faillietverklaring is gebleken van vorderingen van acht schuldeisers, onder wie de Belastingdienst, het CJIB, [naam] en [geïntimeerden] , tot een totaalbedrag van € 67.210,91. Gelet op de eigen verklaring van [appellant] dat er daarnaast nog een schuld van circa € 4.000.000,00 is, is te verwachten dat die schuld nog bij de curator zal worden gemeld. Daarnaast stelt [appellant] dat zij [geïntimeerden] en de faillissementskosten kan voldoen met financiële middelen die derden beschikbaar stellen. De curator heeft echter geen bewijsstukken ontvangen van de beschikbaarheid van die middelen en voor zover [appellant] daarvoor regelingen heeft getroffen met de betreffende schuldeisers, van daarover gemaakte afspraken. Ook heeft hij geen onderbouwing gezien van de door [appellant] gestelde vorderingen op haar ex-partner. De curator kan daarom niet positief adviseren over het verzoek tot vernietiging van het faillissement. Er is volgens hem geen grond voor vernietiging.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6, derde lid, Faillissementswet (Fw) de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden welke aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient de rechter in hoger beroep uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat ten minste één van de schuldeisers een opeisbaar vorderingsrecht dient te hebben en dat er daarnaast ook andere schuldeisers dienen te zijn die niet betaald zullen kunnen worden.
Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerden] opeisbare vorderingen hebben op [appellant] , die al geruime tijd onbetaald worden gelaten. Daarnaast is summierlijk gebleken van vorderingen van het CJIB en de Belastingdienst, die eveneens al langere tijd onbetaald worden gelaten. [naam] heeft de namens hem ingediende aanvraag tot faillietverklaring van [appellant] weliswaar ingetrokken, maar dit laat onverlet dat er kennelijk nog wel sprake is van een vordering van [naam] die nog niet is betaald. Er zijn aldus meerdere schuldeisers die niet betaald kunnen worden, zodat aan het vereiste van pluraliteit is voldaan. Met betrekking tot de vraag of [appellant] ook verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, is van belang dat [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij geen inkomsten heeft; een oom en tante onderhouden haar momenteel. Alleen als een procedure tegen haar ex-partner succesvol zou zijn, zou er uitzicht kunnen zijn op gelden waarmee de schulden mogelijk voldaan kunnen worden. Het is echter onduidelijk wat daarin de stand van zaken is en of er al geprocedeerd wordt. Volgens de curator is niet onderbouwd dat de gestelde vorderingen op de ex-partner bestaan, laat staan dat deze op korte termijn liquide kunnen worden gemaakt. Deze feiten en omstandigheden maken dat [appellant] thans verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Dat er volgens [appellant] sprake is van een tijdelijk liquiditeitsgebrek, dat het faillissement in niemands belang is en dat zij de vorderingen van [geïntimeerden] kan voldoen met behulp van derden, leidt niet tot een ander oordeel. In hoger beroep is niet gebleken dat er geen sprake is van een faillissementstoestand.
De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
3. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, K. van Dijk en A. van Zanten-Baris en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad