GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.359.431/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/758723 /HA ZA 24-1183
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] , Spanje,
appellant,
advocaat: mr. M. Russchen te Amersfoort,
tegen
1. [geïntimeerde 1] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend te [plaats 3] ,
3. [geïntimeerde 3],
wonend te [plaats 3] ,
geïntimeerden,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd. Geïntimeerden gezamenlijk worden ook wel als [geïntimeerden] aangeduid.
1. De zaak in het kort
[appellant] heeft aan [geïntimeerden] en aan enkele zakelijke relaties e-mails gestuurd met beschuldigingen over het exploiteren van muziekwerken zonder de rechten daarop te hebben, en over andere al dan niet vermeende misdragingen van [geïntimeerden] vorderen een verklaring voor recht dat dit onrechtmatig is en schadevergoeding. De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen. Het hof wijst deze alsnog af. Gelet op de achtergrond van deze zaak, het zakelijke geschil en de uitlatingen van [geïntimeerden] zelf, heeft [appellant] niet onrechtmatig gehandeld.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 11 september 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2025, voor zover onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in de hoofdzaak, gedaagden in het verzet, en [appellant] als gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het verzet.
Tegen [geïntimeerden] is verstek verleend.
[appellant] heeft daarna een memorie van grieven, met producties, ingediend. [appellant] heeft vervolgens nog nadere producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, [geïntimeerden] zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] naar aanleiding van het vonnis aan hen heeft betaald, met rente en met beslissing over de proceskosten.
3. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1, 3.2 en 3.12 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil. Zij dienen daarom ook het hof als uitgangspunt en luiden, aangevuld met andere vaststaande feiten, als volgt.
[geïntimeerde 1] exploiteert muziekwerken van verschillende internationale artiesten. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zijn bestuurders van [geïntimeerde 1] . Tallin Music Service AS (hierna: TMS), later genoemd Target Music Group AS (hierna: TMG) was een vennootschap van [geïntimeerde 2] in Estland. PCA Holding BV (hierna: PCA) is de holdingvennootschap van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] .
[appellant] is in een vroeg stadium als producent betrokken geweest bij de carrière van de Noorse zangeres [naam 1] (verder: [naam 1] ) in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Noorse vennootschap Showtime Records AS (hierna: Showtime).
In een artiestenovereenkomst gedateerd 11 december 2001 tussen [naam 1] en Showtime staat dat Showtime de exclusieve rechten verkrijgt voor de muziekopnamen van [naam 1]
gedurende de contractperiode (hierna: de back catalogue). Op 4 oktober 2004 is Showtime failliet verklaard.
In een artiestenovereenkomst gedateerd 2 juni 2005 tussen TMS en [naam 1] staat dat TMS de exclusieve rechten verkrijgt voor de vanaf dat moment gedurende de contractperiode te produceren muziekopnamen van [naam 1] . Deze opnamen tezamen met de back catalogue worden hierna aangeduid als: de HH-catalogus.
In een aanvullende artiestenovereenkomst van 30 november 2006 tussen TMS en [naam 1] staat dat [naam 1] haar right of first refusal voor de verkoop van de back catalogue - uit hoofde van artikel 24 van de artiestenovereenkomst met Showtime - overdraagt aan TMS.
In een overeenkomst gedateerd 28 maart 2008 tussen TMS en de curator in het faillissement van Showtime staat dat de curator de rechten op de back catalogue uit het faillissement overdraagt aan TMS.
In een overeenkomst gedateerd 28 september 2009 staat dat TMS - inmiddels TMG geheten - en [geïntimeerde 2] een overeenkomst sluiten over de overdracht van haar complete catalogus, waaronder de HH-catalogus, aan [naam 3] .
In een verkoopovereenkomst van 1 augustus 2022 tussen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] en PCA staat dat eerstgenoemden de immateriële eigendomsrechten op hun complete catalogus, waaronder de HH-catalogus, verkopen aan PCA.
In een verkoopovereenkomst van 1 augustus 2022 staat dat PCA de immateriële eigendomsrechten op haar complete catalogus, waaronder de HH-catalogus, verkoopt aan [geïntimeerde 1] .
Sinds 2018 heeft [appellant] , althans Skaidi Music PLT Ltd (Skaidi) de HH-catalogus geëxploiteerd. Eerst gebeurde dit alleen via YouTube, daarna via Spotify en Deezer, en vanaf 2023 ook via Amazon Music en Apple Music.
Sinds 17 december 2022 heeft [appellant] uitlatingen gedaan over de bestuurders van [geïntimeerde 1] in e-mails aan onder meer:
- het Engelse advocatenkantoor Lee & Thompson,
- ( voormalig) muziekdistributeur van [geïntimeerde 1] genaamd Believe Music,
- muziekdistributeur van [appellant] genaamd The Orchard,
- muziekdistributeur lndigoBoom,
- de huidige raadsman van [geïntimeerde 1] ,
- de Noorse raadsman van [geïntimeerde 1] ,
- de Noorse politie,
- andere (internationaal bekende) artiesten voor wie [geïntimeerde 1] muziek beheert en/of exploiteert,
- Independent IP B.V. handelend onder de naam FUGA, de huidige muziekdistributeur van [geïntimeerde 1] .
In deze e-mailberichten heeft [appellant] onder andere bericht dat [geïntimeerde 1] niet de rechthebbende is op de HH-catalogus en heeft hij [geïntimeerden] beschuldigd van onder andere fraude en belastingontduiking.
4. Eerste aanleg
[geïntimeerde 1] heeft in een samenhangende zaak gevorderd:
in het incident:
-een gebod aan [appellant] om te staken met het doen van uitlatingen waarin hij beweert dat de
HH-catalogus niet de eigendom is van [geïntimeerde 1] , maar van hem,
en in de hoofdzaak:
-een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde 1] door de HH-catalogus zonder toestemming van [geïntimeerde 1] te exploiteren en door het doen van
uitlatingen waarin hij beweert dat [geïntimeerde 1] niet de eigenaar van de HH-catalogus zou zijn, met nevenvorderingen waaronder een voorschot op de vergoeding van vermogensschade.
De rechtbank heeft bij vonnis van 23 juli 2025 (na rolvoeging met de onderhavige zaak) overwogen dat niet is vast komen te staan dat [geïntimeerde 1] rechthebbende is van de naburige rechten op de HH-catalogus, en de vorderingen afgewezen. [geïntimeerde 1] heeft van dit vonnis hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep nog loopt.
[geïntimeerden] hebben in deze zaak gevorderd, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang:
-een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerden] middels zijn
uitlatingen en dat hij aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade;
-een bevel deze uitlatingen te staken op straffe van verbeurte van een dwangsom;
-vergoeding van de materiële schade van € 70.000 en € 25.000.
De rechtbank heeft, met vernietiging van het eerder gewezen verstekvonnis, de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen, zij het dat de zaak voor de bepaling van de omvang van de schade is verwezen naar de schadestaatprocedure.
5. Beoordeling
5.1.1 De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 15 januari 2025 beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [geïntimeerden] Zij overwoog daartoe dat de vordering is gegrond op onrechtmatige daad, dat in een geval als het onderhavige op grond van (de uitleg van) artikel 7 lid 2 van de Brussel I bis-verordening (onder meer) bevoegd is de rechter van de lidstaat waar zich het centrum van de belangen van de benadeelde bevindt, en dat [geïntimeerden] onbetwist hebben gesteld dat dat centrum van hun belangen zich in Nederland bevindt. Het hof sluit zich aan bij deze overweging en beslissing van de rechtbank.
3.1.2 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, kort samengevat, overwogen dat het in deze zaak gaat om een botsing tussen twee fundamentele grondrechten, enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting dat [appellant] toekomt en anderzijds het belang van [geïntimeerden] bij bescherming van hun eer en goede naam en reputatie en de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Er moet een belangenafweging worden gemaakt die ertoe strekt om, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, na te gaan welk recht zwaarder weegt. De rechtbank komt na weging van die omstandigheden tot de conclusie dat de belangenafweging in het nadeel van [appellant] uitvalt en oordeelt dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door de uitlatingen te doen.
3.1.3 De grieven I tot en met XI van [appellant] komen erop neer dat de rechtbank de belangen van partijen onjuist heeft gewogen en ten onrechte heeft beslist dat de belangenafweging in zijn nadeel uitvalt. Hij wijst daartoe op de feitelijke onderbouwing van zijn beweringen (grief II, VII en X), de ernst van de misstand (grief V), het achterliggende zakelijke geschil en de toon van de wederzijdse uitspraken (grief I, III, IV, VIII en XI), en ten slotte de reikwijdte van zijn uitlatingen (grief VI en IX). Het hof zal deze omstandigheden in het navolgende bespreken.
Steun in het feitenmateriaal
3.2.1 De klacht van [geïntimeerden] is dat [appellant] hen beschuldigt van het plegen van strafbare feiten zoals belastingontduiking, fraude, bedreiging, oplichting, diefstal en valsheid in geschrifte en dat hij zich uitlaat over hun, volgens [appellant] , negatieve financiële situatie. De beweringen zouden voor een deel betrekking hebben op (de rechten op) de HH-catalogus. Zij verwijzen naar een groot aantal emails die [appellant] heeft verzonden, waarin zij een aantal passages hebben gemarkeerd.
3.2.2 [appellant] verwijst ter onderbouwing van zijn beweringen onder meer naar het vonnis in de onder 4.1 gememoreerde samenhangende zaak en naar enkele met die zaak samenhangende stukken die ook in dit geding zijn overgelegd. Uit een en ander zou blijken dat [geïntimeerden] niet over de rechten op de HH-catalogus beschikken. Het hof concludeert naar aanleiding daarvan als volgt. Uit de overwegingen van het bedoelde vonnis en de ook in deze zaak overgelegde onderliggende stukken blijkt dat er voldoende feitenmateriaal is op grond waarvan ernstig kan worden betwijfeld of [geïntimeerden] over rechten op de HH-catalogus beschikken. Ook kunnen veel vragen worden gesteld over de authenticiteit van een akte waarop [geïntimeerden] zich ter zake van hun rechten beroepen, aldus rechtsoverweging 5.18 van het vonnis in de samenhangende zaak. [geïntimeerden] hebben dit een en ander in dit hoger beroep niet betwist, nu zij immers niet zijn verschenen.
3.2.3 [appellant] verwijst verder naar vonnissen van Noorse gerechtelijke instanties in zaken tussen (een bedrijf van) [geïntimeerde 2] en [naam 2] , een Noorse auteursrechtenorganisatie. [geïntimeerde 2] verloor deze procedure omdat hij niet kon bewijzen dat hij bepaalde muziekrechten had, en hij liet 1,4 miljoen Noorse Kronen aan proceskosten onbetaald, zo blijkt daaruit. [geïntimeerden] hebben dit onvoldoende bestreden. [appellant] wijst voorts op een Noors strafrechtelijke vonnis uit 1996 waarbij [geïntimeerde 2] wegens verzekeringsfraude is veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf waarvan 45 dagen voorwaardelijk, en op een Spaans civiel vonnis uit 2021 waarbij [geïntimeerde 3] bij verstek is veroordeeld tot betaling van € 26.943 aan een derde. Dit ondersteunt zijn beweringen van fraude,oplichting en wanbetaling, aldus [appellant] . Het hof volgt bij gebrek aan verweer ook hierin [appellant] .
3.2.4 Wat de feitelijke onderbouwing betreft voert [appellant] ten slotte aan dat het in het bestreden vonnis genoemde DN-artikel weliswaar later verscheen maar dat dit artikel de juistheid van zijn beweringen wel bevestigt en dat hij ten tijde van zijn uitlatingen al over (voldoende) ander feitenmateriaal beschikte. [appellant] heeft onbestreden gesteld dat het gaat om een artikel in een gerenommeerde Noorse zakenkrant Dagens Naeringsliv (verder: DN) met een substantiële oplage, en dat het artikel is geschreven na grondig journalistiek onderzoek. Het artikel documenteert dat [geïntimeerde 2] meer dan 20 jaar muziekrechten heeft geëxploiteerd van 205 artiesten zonder royalties over 500 miljoen streams te betalen. Dat [geïntimeerde 2] over de rechten beschikt is niet verifieerbaar en er is een patroon van faillissementen en kortlopende bedrijven. Het artikel bevestigt aldus de bewering van [appellant] over fraude, oplichting en wanbetaling.
3.2.5 Het hof volgt [appellant] in een en ander. Ten tijde van de gewraakte uitlatingen beschikte [appellant] in ieder geval over de vonnissen gewezen in zaken tussen (een bedrijf van) [naam 3] en [naam 2] , zo blijkt uit zijn e-mails van 19 januari en 16 maart 2023. Dat betekent dat hij toen al aanwijzingen had dat [geïntimeerde 2] muziekrechten exploiteerde die hij niet bezat en dat hij schulden onbetaald liet. Het is onduidelijk of hij destijds al over de andere door hem genoemde stukken beschikte. Dat is echter van ondergeschikte betekenis. [appellant] had immers voldoende aanleiding om aan de zuiverheid van handelen van [geïntimeerden] te twijfelen. Het vonnis van de rechtbank Amsterdam in de samenhangende zaak bevestigt achteraf de beweringen van [appellant] dat [geïntimeerde 1] (c.s.) niet over de rechten van de HH-catalogus beschikt (beschikken). Ook het DN-artikel bevestigt het grootste deel van zijn beweringen, en onderbouwt bovendien dat [geïntimeerde 2] (Gerrie) [naam 3] en zijn bedrijven zich structureel schuldig maken aan het niet doorbetalen van royalties aan artiesten. Dit achteraf aan het licht gekomen feitenmateriaal is naast het voorgaande van gewicht voor het oordeel of de beweringen van [appellant] al dan niet onrechtmatig zijn.
Ernst van de misstand
3.3.1 [appellant] voert aan dat er rond [geïntimeerden] een patroon van verrijking bestaat ten koste van artiesten die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van royalties. Artiesten zijn volgens hem vaak de zwakkere partij tegenover distributeurs. Het algemeen belang vereist dan dat artiesten worden beschermd tegen uitbuiting. Het aan de kaak stellen van misstanden als hier aan de orde is essentieel voor die bescherming en dus in het algemeen belang en met name in het belang van de muziekindustrie, aldus [appellant] .
3.3.2 Het hof volgt [appellant] in die zin dat de exploitatie van muziekwerken zonder het afdragen van royalties aan de makers van die werken een misstand is van zodanige aard dat het uiten daarvan, zoals [appellant] heeft gedaan, het algemeen belang dient om de redenen zoals [appellant] heeft aangevoerd.
Het zakelijke geschil en de toon van de uitlatingen
3.4.1 [appellant] betwist niet dat de toon van zijn uitlatingen scherp was. Hij wijst er echter op dat hij zijn uitlatingen heeft gedaan in een langlopend zakelijk geschil waarbij [geïntimeerde 2] zich als eerste in zeer agressieve bewoordingen heeft uitgelaten. Hij wijst voorts erop dat hij met zijn uitlatingen heeft gepoogd zijn eigen rechten op de HH-catalogus te beschermen en distributeurs te waarschuwen dat zij mogelijk meewerken aan inbreuk op de rechten van derden. Het was daarom noodzakelijk om Notice and Takedown procedures te starten bij digitale distributeurs. Het offline krijgen van de catalogus van [geïntimeerden] was geen doel op zichzelf maar het logisch gevolg daarvan. Het was voor hem in elk geval noodzakelijk om te communiceren met betrokken partijen, aldus nog steeds [appellant] .
3.4.2 [appellant] heeft gewezen op een openbaar bericht dat [geïntimeerde 2] in 2018 op de facebookpagina van [naam 1] heeft geplaatst, welke pagina door [appellant] werd beheerd. [naam 3] schrijft in dat bericht ‘ [naam 1] Country Girl [appellant] you are not the Country Girl [naam 1] !, this is a fake FB site, and what kind of documents do you have? You stole [naam 1] intellectual property rights sound recording for the first time in 2005 from your own bankrupt company Showtime Records AS and in the courtroom you were sentenced to 1 year in prison for this in 2007. Now you have stolen the same intellectual property rights of [naam 1] for the second time!’ [geïntimeerde 2] schrijft kort daarop in een privé bericht aan [appellant] ‘Do you want another prison sentence? Just try playing pirate again, and you’re back in the hands of law enforcement. All parties are copied, including the police, bankruptcy authorities, and all relevant parties, including all platforms, with information about your various convictions in this case.’ [geïntimeerde 2] uit zich in deze deels openbare communicatie op dezelfde toon en met dezelfde soort onzakelijke - door [appellant] overigens betwiste - beweringen als [geïntimeerden] [appellant] verwijten. Op 20 juli 2020 stuurt [geïntimeerde 2] een email aan [appellant] waarin hij hem een crimineel noemt, zonder geld, en hij de hoop uitspreekt dat [appellant] zijn werk kan voortzetten als pooier in de gevangenis. Op 28 november 2022 schrijft [geïntimeerde 2] , namens [geïntimeerde 1] , aan The Orchard, de digitale distributeur van [appellant] ‘This is not the first time that [appellant] have been taken for piracy he made a Pirate CD in Poland of [naam 1] -Best of in 2007 and this was stoped by Police, Nordic Copyright agency(NCB) and my company. In 2009 he paid 2 people 5.000 Euro to beat [geïntimeerde 1] up. So [appellant] have a long crime history. There was a big court case in Norway in 2005 for embezzlement in the bankruptcy estate, In addition, he went straight out of the courtroom when Showtime Records AS was publicly bankrupt and took out all the money that the company had in an ATM cash machine in the skin, Norway. The story does not stop here, after seeing that nothing was useful he became a pimp for his own wife.’ Ook deze uitlatingen zijn gedaan in dezelfde onzakelijke, harde en – met name in de laatste zin – diffamerende toon van de zijde van [geïntimeerden]
3.4.3 [appellant] heeft in dit geding niet onderbouwd dat hij de rechthebbende is op de HH-catalogus. Dit wordt door [geïntimeerden] betwist; zij claimen immers zelf rechthebbende te zijn. De uitlatingen moeten dan ook worden bezien in het licht van een zakelijk geschil over die rechten, met een thans onzekere uitkomst. In verband met of mede naar aanleiding van dit geschil heeft ook [geïntimeerde 2] zich, deels namens [geïntimeerde 1] , over [appellant] uitgelaten op een harde, beledigende en onzakelijke toon. Met een en ander dient rekening te worden gehouden bij de beoordeling van de uitlatingen van [appellant] .
De reikwijdte van de uitlatingen
3.5.1 [appellant] wijst ten slotte erop dat zijn beweringen zijn gericht tot een beperkt publiek, namelijk [geïntimeerden] zelf, hun advocaten en diverse distributeurs van muziek, en niet aan het algemene publiek. Hij heeft de distributeurs benaderd in het kader van een verzoek om opnamen offline te halen die [geïntimeerden] exploiteren en waarvan zij niet kunnen bewijzen dat zij de rechten bezitten. Het betreft professionele partijen die dagelijks te maken hebben met geschillen over rechten en die zelf onderzoek zullen doen naar de beschuldigingen, aldus [appellant] . Daar tegenover staat dat [geïntimeerde 2] zich met zijn facebookpost wel publiekelijk heeft uitgelaten over [appellant] , zo stelt hij.
3.5.2 Het hof zal ook deze feiten - die [geïntimeerden] niet hebben betwist - meewegen als een relevante omstandigheden om de rechtmatigheid van de uitlatingen van [appellant] te beoordelen.
Afweging
3.6.1 Het komt erop neer dat [appellant] uitlatingen heeft gedaan die, in elk geval in grote lijnen, steun vinden in het feitenmateriaal. Hier en daar is hij over de schreef gegaan; voor belastingontduiking zijn er bijvoorbeeld geen aanwijzingen. Wel zijn er aanwijzingen voor strafbare feiten als fraude (de verzekeringsfraude) en valsheid in geschrifte (de in het vonnis in de samenhangende zaak genoemde akte), en voor gedragingen die raken aan oplichting en diefstal (het exploiteren van opnamen waarvan betwijfeld kan worden of [geïntimeerden] daarvan de rechten hebben). Ook zijn er voldoende aanwijzingen dat [geïntimeerden] , althans [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , schulden onbetaald hebben gelaten.
3.6.3 De uitlatingen zijn gedaan in beperkte kring. Voor zover de uitlatingen alleen zijn gericht aan [geïntimeerden] of één van hen, dienen deze te worden bezien in het licht van het door [appellant] geschetste zakelijke geschil tussen partijen, waarbij ook van de zijde van [geïntimeerden] - zelfs voorafgaand aan de door haar in het geding gebrachte e-mails - in scherpe bewoordingen zware beschuldigingen richting [appellant] zijn geuit en ook beledigende taal is gebruikt. In deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [appellant] zich zodanig kwetsend heeft uitgelaten dat dit een onrechtmatige daad oplevert. Voor zover de uitlatingen (mede) zijn gedaan in de richting van de advocaten van [geïntimeerden] geldt hetzelfde. Daarbij dient bovendien in aanmerking te worden genomen dat deze personen zijn benaderd in hun professionele rol. Bovendien zijn zij geen partij in dit geschil.
3.6.4 Bij de uitlatingen gericht aan de distributeurs dient eveneens te worden uitgegaan van hun professionele rol en van het zakelijke geschil tussen partijen. Het stond [appellant] in beginsel vrij de distributeurs in te lichten over het zakelijke geschil en zijn standpunt daarin, en hen te vragen opnamen offline te halen waarvan [geïntimeerden] niet de rechten zouden bezitten. Dat hij daarbij andere argumenten heeft aangehaald dan het enkele feit dat [geïntimeerden] die rechten niet bezaten, en die de betrouwbaarheid of reputatie van [geïntimeerden] betroffen, voert wel ver maar leidt in de gegeven omstandigheden niet tot de conclusie dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld. [geïntimeerde 2] had zich immers ook al publiekelijk uitgelaten met niet duidelijk gefundeerde beweringen die enkel de reputatie van [appellant] betroffen. [geïntimeerden] hadden bovendien, ook al eerder dan de gewraakte e-mails van [appellant] aan de distributeurs, de distributeur van [appellant] benaderd met eveneens ver gaande beschuldigingen aan het adres van [appellant] .
3.6.5 Voor zover de berichten mede naar de Noorse politie zijn gegaan dient eveneens een ruime marge te worden genomen. Het staat een ieder immers vrij mogelijke strafbare feiten aan de politie te melden die daar vervolgens zelfstandig en in haar professionele rol een oordeel over zal vormen.
3.6.6 Een en ander leidt tot de conclusie dat in dit geval de belangen van [appellant] bij zijn vrijheid van meningsuiting dienen voor te gaan op de belangen van [geïntimeerden] om verschoond te blijven van de aantasting van hun eer en goede naam en reputatie. Er is dan ook niet vast komen te staan dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld.
Afsluiting
3.7.1 Er is gelet op het voorgaande geen grond voor toewijzing van enig onderdeel van de vordering van [geïntimeerden] , voor zover deze aan dit hoger beroep is onderworpen. Het bestreden vonnis zal dan ook worden vernietigd en deze vorderingen zullen alsnog worden afgewezen.
3.7.2 Voor zover [appellant] bij zijn grieven heeft gesteld dat bij [geïntimeerden] eigen schuld aanwezig is dan wel dat het causaal verband met enige schade ontbreekt, heeft hij bij bespreking daarvan gelet op het voorgaande geen belang.
3.7.3. De vordering tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] naar aanleiding van het vonnis aan [geïntimeerden] heeft betaald (uit hoofde van de proceskostenveroordeling), met rente, is toewijsbaar. [geïntimeerden] is in het hoger beroep alsnog in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Deze worden begroot zoals vermeld in het dictum. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven nog aanspraak gemaakt op proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Daarvoor is gelet op het onderwerp van dit geschil geen aanleiding. Bovendien is niet gebleken dat [appellant] deze eisvermeerdering aan [geïntimeerden] heeft doen betekenen.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering van [geïntimeerden] , voor zover aan dit hoger beroep onderworpen, alsnog af;
veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis, vermeerderd met wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betaling door [appellant] tot aan de dag van terugbetaling door [geïntimeerden] ;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op: € 3.888,97 voor de eerste aanleg (€ 1325,- aan griffierecht, € 135,97 aan dagvaardingskosten en € 2.428,- voor advocatensalaris), € 1.746,47 voor het hoger beroep (€ 362,- aan griffierecht, € 144,47 aan kosten dagvaarding en € 1.240,- voor advocatensalaris) en € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, en te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, L. Alwin en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.