GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.355.960/01
zaak- / rolnummer rechtbank Amsterdam : C/ 13 /760475 / KG ZA 24-980
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 oktober 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto te Amstelveen,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. N. de Bont-Bakker te 's-Gravenhage.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde 1] hebben [appellant] opdracht gegeven hun woning te verbouwen. In dit kort geding vorderen zij veroordeling tot afgifte van de kalendering/heirapporten en de constructieberekening, hervatting van bouwwerkzaamheden, uitvoering van een nieuwe constructieberekening en betaling van een contractuele boete. [appellant] vordert als tegeneis onder meer betaling van meerwerk. Bij vonnis zijn de vorderingen van [geïntimeerde 1] toegewezen en van [appellant] afgewezen. Het hof zal het vonnis grotendeels bekrachtigen.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 14 april 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 maart 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerde 1] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 16 september 2025 heeft het hof de incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met producties;
- memorie van antwoord met producties.
Op 28 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] was niet aanwezig. De advocaten hebben de zaak toegelicht, mr. De Bont-Bakker aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben bij deze gelegenheid, beide met een begeleidende brief, nadere producties ingediend. [geïntimeerde 1] en de advocaten hebben vragen van het hof beantwoord. Na afloop van de zitting is de zaak aangehouden voor verder (schikkings)overleg tussen partijen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten opgenomen die hij bij zijn beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hof gaat daarom ook van deze feiten uit. Samengevat en aangevuld met andere feiten, komen deze op het volgende neer.
[geïntimeerde 1] zijn eigenaar van de woning aan [straat] [nummer] te [plaats 2] (hierna: de woning).
[appellant] oefent een bouwbedrijf uit, de eenmanszaak Rembrandt bouwbedrijf.
Op 14 januari 2024 hebben partijen een aannemingsovereenkomst gesloten voor een verbouwing/renovatie van vrijwel de gehele woning voor een aanneemsom van € 145.250,00 inclusief btw. In deze overeenkomst staat onder meer dat de door [appellant] te realiseren aanbouw inclusief funderings- en heiwerkzaamheden is, wanneer [appellant] recht heeft op vergoeding van meerwerk en dat een schriftelijkheidsvereiste geldt voor wijzigingen in de afspraken.
[appellant] heeft ter voorbereiding van de bouwwerkzaamheden tekeningen laten opstellen door architect ir. [naam] (hierna: [naam] ) en heeft een constructeur ingeschakeld voor het opstellen van constructietekeningen.
De werkzaamheden zijn op 15 januari 2024 aangevangen.
[geïntimeerde 1] hebben per 19 maart 2024 (tenminste) € 98.750,00 van de aanneemsom betaald.
In maart 2024 ontstond bij [geïntimeerde 1] het vermoeden dat de heipalen voor de aanbouw verkeerd waren geplaatst. Naar aanleiding van de bouwtekeningen van de architect hebben [geïntimeerde 1] ontdekt dat de heipalen ongeveer 80/90 cm te kort op de gevel zijn geplaatst, waardoor de stalen funderingsbalk die daarop komt te rusten voor ongeveer 80/90 cm niet zou worden ondersteund door palen. [geïntimeerde 1] hebben contact opgenomen met de architect, die dat heeft bevestigd en die contact heeft opgenomen met [appellant] .
Bij whatsappbericht van 21 maart 2024 heeft [appellant] onder meer geschreven:
“De heipalen zijn geslagen door een gecertificeerd bedrijf. Daar komt een funderingsbalk overheen. De metingen die door jullie zijn gedaan stelt niks voor omdat de funderingsbalk erop komt volgens de eisen en normen die daar ook voor bedoelt zijn. De paar centimeters die kunnen afwijken en dat is normaal ten opzichte van tekeningen en praktijk. Dat noemen wij correctie. Het gaat erom dat de palen volgens de normen en eisen in het praktijk geslagen zijn en dat de funderingsbalken op de juist plek komen.
(...)
Het is verder van belang om het werk aan ons over te laten en erop te vertrouwen dat wij de oplevering volgens vorige bericht op 27 april op te leveren.”
In reactie hierop hebben [geïntimeerde 1] bij whatsappbericht van 22 maart 2024 laten weten graag juridisch te laten toetsen en bouwkundig te laten keuren of de misplaatsing van de heipalen binnen de toegestane norm valt, alvorens de fundering te laten storten. Dezelfde dag heeft [appellant] in zijn reactie laten weten dat de constructeur de berekeningen gaat nakijken.
Op 31 maart 2024 hebben partijen een addendum op de aannemingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer staat:
“1. In overeenstemming met het wettelijk vastgestelde percentage van 0,025% van de totaal overeengekomen aanneemsom per dag, zal de aannemer een vergoeding betalen aan opdrachtgever voor elke dag vanaf 27 april 2024 waarop de volledige woning niet volledig is opgeleverd, zoals overeengekomen door beide partijen.
2. Beide partijen erkennen dat de nieuwe uiterste opleverdatum is vastgesteld op 26 april 2024.”
In opdracht van [appellant] heeft TB Construction de gevolgen van de paalmisstand voor de fundering van de aanbouw onderzocht. In haar rapport ‘Statische berekening’ van 11 april 2024 staat onder meer:
“1.2 Gebruikte stukken
Voor dit constructierapport worden de hoofdberekeningen en tekeningen van de hoofdconstructeur, evenals die van de aannemer/architect, gebruikt als uitgangspunten. Aan de hand van het hoofdrapport en de tekeningen worden (…) de funderingsbalken en nieuwe paalbelastingen van de uitbouw gecontroleerd.
De volgende tekeningen/berekeningen zijn als uitgangspunt gebruikt voor dit constructieve rapport:
• DO_NDS_Lienden_Aanbouw_ Versie3
• CN_NDS-006_hoofdrapport_rev01
(…)
Controle nieuwe paalbelasting tgv paalmistand
Uit de berekeningen van het TS-balkenrooster blijkt dat de nieuwe maximaal optredende paalbelasting 132 kN bedraagt. De paalpuntniveau van de palen bevind zich op een diepte van 1,50 m NAP. Uit de hoofdrapport van de hoofdconstructeur is af te leiden dat op een diepte van -1,50 m NAP de palen maximaal een paalbelasting van 147 kN mogen hebben. De paalmistanden zullen dus geen gevolgen hebben voor de fundering van de uitbouw en wordt het constructief gezien goedgekeurd.
(…)
Conclusie
Uit de funderingsberekening blijkt dat de huidige wapening in de funderingsbalken 1, 3 en 4 voldoet aan de gestelde eisen. Voor balk 2 is het echter noodzakelijk om extra bijlegwapening van 2Ø10 toe te passen, vanaf de achterste paal tot aan balk 4 (…)”
[geïntimeerde 1] hebben bij de architect navraag gedaan naar TB Construction en de conclusie in het rapport. [naam] heeft in verschillende whatsappberichten van 16 april 2024 het volgende gestuurd:
“Ze moeten denk ik nieuw rij palen instaan. En die laten berekenen en hierop garantie geven.
Want hoofd constructie rapport is al niet meer van kracht.
Daarom is er een nieuw gemaakt die er voor moet zorgen dat het wel kloppend wordt gemaakt of met extra palen. Diepte testen en of meer wapening.
[ [geïntimeerde 2] : Oplossing is dus gewoon extra palen heien?]
Letterlijk lig vast waar de diepte van de palen zitten en daarnaast een rij nieuw palen en die laten berekenen door onafhankelijke partij zodat alles klopt
Alleen coördinaties van de huidige klopt niet. En hierom kan je mijn berekening niet meer gebruiken en is niet zo maar aan te passen omdat de palen in de grond zitten.
En welke diepte die heeft kan je achter halen bij de heipalen bedrijf die het heeft uitgevoerd.
Daarna of je funderingsstrook verstevigen met meer wapening die de uitkraging kan opvangen.
Maar liever extra rij heipalen op juiste positie. Dus de laatste rij weer correct maken.
Maar de heier moet zwart op wit de diepte aangeven.
Van de palen.”
Bij whatsappbericht van dinsdag 16 april 2024 heeft [appellant] laten weten maandag verder te gaan met de aanbouw. In reactie daarop heeft [geïntimeerde 2] onder meer gevraagd om informatie over TB Construction en het heirapport. Verder staat in dit bericht:
“Voor de heiwerkzaamheden die te dichtbij zijn uitgevoerd staat nadrukkelijk (ook in dit rapport [hof: van TB Construction] weer) benoemd dat het specifiek 80 cm moet zijn. Dat is het nu niet en er is ook geen oplossing voor benoemd.
De achterste zijde mist fundering overeenkomstig met de huidige situatie. Daar zal dus eerst een aanpassing voor moeten komen in de vorm van extra versteviging zoals extra heipalen.
Ook voor deze nieuwe situatie geldt... de eerdere berekeningen zijn nu dus niet meer toepasbaar, gezien de situatie door foutief heien volledig is veranderd. Er zal na schriftelijke vaststelling van de exacte huidige constructie incl. de daadwerkelijke diepte van de heipalen dus een nieuwe constructieberekening moeten komen met een nieuw funderingsplan dat niet gebaseerd is op voorgaande metingen maar uitgaat van de daadwerkelijke diepte en plaatsing van de palen.”
In reactie hierop heeft [appellant] bij whatsappberichten van 18 april 2024 gevraagd of zijn begrip dat [geïntimeerde 1] niet willen dat hij maandag gaat starten, juist is. Ook heeft hij in die berichten opgemerkt dat hij beschikt over het rapport van TB Construction met goedkeuring, constructieberekeningen, sondeerrapport en tekeningen van de architect en garantie geeft op het uitvoeren van de aanbouw, maar dat dit nog steeds niet voldoende is voor [geïntimeerde 1] Daarop heeft [geïntimeerde 2] dezelfde dag gereageerd met onder meer:
“Starten graag! (…) Binnen kan nog gewoon voortgezet worden. Maar voor de aanbouw willen we graag eerst een schriftelijke garantie van een onafhankelijk expert en daarbij de bevindingen van de juridische bouwspecialisten die ons hierin bijstaan.
Doordat jullie (hei-expert) niet de originele constructie berekeningen heeft nageleefd is er een andere situatie ontstaan waarbij we de zekerheid willen dat er nu wel constructief juist gehandeld zal worden.
Hiervoor hebben wij vragen gesteld over het rapport en de herkomst.
Misschien dat je daar ook antwoord op kan geven?”
[appellant] heeft uiteindelijk niet het heirapport verstrekt en heeft geen informatie gegeven over TB Construction. Op 18 april 2024 heeft [appellant] het werk gestaakt.
In een brief van 30 april 2024 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde 1] [appellant] in gebreke gesteld vanwege het niet nakomen van de (uitgestelde) termijn van 26 april 2024 en heeft hij een boete aangezegd. Verder heeft de gemachtigde voorgesteld een bouwbegeleider (J. Kok) in te schakelen om de boel vlot te trekken, en is verzocht om een derde in te schakelen voor het maken van een nieuwe constructieberekening in verband met de verkeerd geplaatste heipalen en de draagconstructie van de eerste verdieping (waar [appellant] een cementvloer heeft neergelegd). Ook heeft de gemachtigde vragen gesteld over onder andere de vloer op de begane grond die te dik is omdat die over de bestaande vloer heen is gelegd, waardoor deuren niet meer passend zijn. [appellant] is verzocht binnen een week een planning te maken voor de nog openstaande werkzaamheden en het oplossen van de genoemde problemen, en om in te stemmen met het inschakelen van een derde voor het maken van een constructieberekening waarbij de kosten worden gedragen op basis van ongelijk.
Bij e-mail van 22 mei 2024 heeft (de advocaat van) [appellant] aansprakelijkheid van de hand gewezen, kort gezegd omdat de vertraging volgens hem te wijten is aan [geïntimeerde 1] Hetzelfde geldt voor de dikkere ondervloer; die is het gevolg van de wens van [geïntimeerde 1] voor een noppenvloer. Daarnaast zijn er kosten voor meerwerk, onder meer in verband met plaatsing van harmonicadeuren en voor elektrawerk. Met het inschakelen van een bouwbegeleider is [appellant] akkoord gegaan.
Bij e-mail van dinsdag 25 juni 2024 heeft (de advocaat van) [appellant] laten weten dat hij het werk dinsdag zal hervatten. Tevens heeft hij daarin opgemerkt dat de kosten van het meerwerk partijen nog verdeeld houdt, maar dat de verwachting is dat dit op te lossen is. Bij email van 28 juni 2024 heeft (de advocaat van) [appellant] de hervattingsmededeling herhaald.
Op 5 juli 2024 hebben Kok en [appellant] contact met elkaar gehad. Bij e-mailbericht van 8 juli 2024 aan [appellant] heeft Kok het besprokene vastgelegd. [appellant] heeft het besprokene niet bevestigd en er is opnieuw discussie ontstaan. Bij e-mail van 20 september 2024 heeft [appellant] meegedeeld dat hij zich op zijn opschortingsrecht beroept als betaling van de kosten van het meerwerk uitblijft. [appellant] heeft de werkzaamheden tot op heden niet hervat.
In opdracht van de advocaat van [appellant] heeft Socotec onderzoek gedaan naar de huidige waarde van het door [appellant] verrichte werk en de constructie (heipalen en vloer) onderzocht/berekend. Onder meer staat in haar rapport van 13 mei 2026 dat zij de waarde van het geleverde werk inschat op € 51.310,00. Verder staat daarin:
“Op de begane grond is een nieuwe cementdekvloer op de bestaande vloer aangelegd met een dikte van ongeveer 6 centimeter. Hoewel de kwaliteit van de vloer behoorlijk is, lijkt er geen rekening te zijn gehouden met de hoogte van de vloer toen opzichte van de binnendeuren en voordeur. Bij de voordeur is een uitsparing in de nieuwe dekvloer aanwezig (afbeeldingen 14 en 15). De voordeur draait open tegen de rand van de sparing en kan dus beperkt geopend worden. Er is onzes inziens ook geen mogelijkheid de sparing van 6cm diep deugdelijk en praktisch af te werken met behoud van toegang tot het kruipluik en de deur alsnog verder open te kunnen draaien zonder aanpassing van het kozijn en de deur. Ook is de doorloophoogte bij de binnendeuren 6cm lager geworden, waardoor geen standaardmaten binnendeuren afgehangen kunnen worden.
Ook brengt het gewicht van de cementdekvloer een extra belasting met zich mee voor de fundering. Het is niet duidelijk in hoeverre deze daarop berekend is. Onzes inziens was het technisch niet noodzakelijk een nieuwe cementdekvloer aan te leggen. Voor een vlakke afwerking van de bestaande cementdekvloer had het aanleggen van een laag egaline van enkele millimeters dikte volstaan en ook had de vloerverwarming in de bestaande vloer kunnen worden gelegd met behulp van freeswerk.
(…)
De nieuw aangelegde cementdekvloer op de begane grond is onnodig en technisch ongewenst; deze zal moeten worden verwijderd waarna de ondervloer moet worden geheeld.”
Socotec heeft [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) opdracht gegeven aanvullend onderzoek te doen naar de huidige staat van de paalfundatie van de aanbouw. Haar rapport van 6 mei 2026 is onder andere gebaseerd op het rapport van TB Construction en een sondeerrapport van 31 januari 2024. In haar rapport heeft zij onder meer genoteerd dat vier van de zes heipalen voor de aanbouw naast positie volgens tekening staan en geconcludeerd:
“Ter plaatse van paal 6 kan een beton verbreding (neusje) met extra wapening aangebracht worden.
Ter plaatse van palen 1, 2 en 3 dient de constructeur dit aan te passen in zijn berekening met eventueel een extra aanpassing in de hoeveelheid wapening.
Zoals in de herberekening door T.B. Construction d.d. 11-4-2024 zijn berekend en bepaald, zijn akkoord (…).”
4. Procedure bij de rechtbank
Samengevat hebben [geïntimeerde 1] in conventie bij de rechtbank gevorderd om [appellant] te veroordelen de gevraagde kalendering/heirapporten en de hoofdconstructeursberekening ter beschikking te stellen en de werkzaamheden die zonder belemmering van een nieuwe constructieberekening kunnen worden uitgevoerd te hervatten, een en ander op straffe van een dwangsom. Ook hebben zij gevorderd [appellant] te veroordelen om een nieuwe constructieberekening betreffende de maximale belasting van de badkamervloer te laten uitvoeren door de hoofdconstructeur en de contractuele boete te betalen, met proceskosten.
In reconventie heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerde 1] te veroordelen tot betaling van (een voorschot op) het verrichte meerwerk, met rente, en de proceskosten.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting, gehouden op [nummer] januari 2025, hebben partijen toen onder andere afgesproken:
“1. [appellant] zal op kosten van ongelijk zo spoedig mogelijk de hoofdconstructeur opdracht geven om een constructieberekening uit te voeren, met name naar de vraag of de misplaatste heipalen voldoende constructief vermogen hebben voor de gewenste bouwplannen, of de doorbraak in de achtergevel naar de nieuwe uitbouw verantwoord is en of plaatsing van een jacuzzi op de eerste verdieping verantwoord is. Het rapport zal aan [geïntimeerde 1] worden toegestuurd.”
In het bestreden vonnis is geoordeeld dat [appellant] deze afspraak niet is nagekomen. Verder zijn daarin in conventie de vorderingen van [geïntimeerde 1] toegewezen, waarbij de vordering inzake de nieuwe constructieberekening is toegewezen conform de hiervoor geciteerde afspraak. In reconventie zijn de door [appellant] gevraagde voorzieningen geweigerd. Hij is veroordeeld in de proces- en nakosten.
5. Conclusies in hoger beroep
[appellant] concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde 1] en toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerde 1] concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
6. Beoordeling
[appellant] heeft vijf grieven tegen het bestreden vonnis geformuleerd. Grief I bestrijdt dat [geïntimeerde 1] een spoedeisend belang hebben. Grief II komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde 1] belang hebben bij een nieuwe constructieberekening, dat [appellant] deze berekening, alsook de kalendering/heirapporten en hoofdconstructieberekening aan hen moet verstrekken en dat hij cementdekvloeren moet verwijderen. Grief III betoogt dat de contractuele boete ten onrechte is toegewezen en komt op tegen het oordeel dat [appellant] zijn werkzaamheden moet hervatten. Volgens grief IV had de eis in reconventie moeten worden toegewezen. In een ongenummerde grief komt [appellant] op tegen de dwangsomveroordeling. Het hof zal deze grieven hierna in een andere volgorde, namelijk per onderwerp, bespreken.
[appellant] had bij de begeleidende brief bij zijn nadere producties vergoeding van gemaakte deskundigenkosten gevorderd. Ter zitting heeft de advocaat van [appellant] deze vordering ingetrokken wegens gebrek aan spoedeisend belang.
Kalendering/heirapporten en berekening hoofdconstructeur
[appellant] is veroordeeld om de kalendering/heirapporten en de berekening van de hoofdconstructeur aan [geïntimeerde 1] te geven. Ten onrechte, volgens [appellant] in grief II.
Hoewel [geïntimeerde 1] mogelijk recht hebben op en belang hebben bij afgifte van de kalendering/heirapporten, is het naar het voorlopig oordeel van het hof aannemelijk geworden dat er geen kalendering/heirapporten beschikbaar zijn. Het betrokken heibedrijf heeft min of meer bevestigd dat die niet beschikbaar zijn door per whatsapp aan [appellant] te laten weten ‘bijna wel zeker’ te weten dat het geen ‘kalenders’ heeft, hem naar de factuur te verwijzen voor ‘wat erin gegaan is’ en te bevestigen dat een kalendering niet wettelijk verplicht is. [appellant] heeft bij e-mail van 16 april 2025 het heibedrijf nog eens gevraagd om de ‘kalendering van de heipalen’ te geven, maar hij zegt die niet te hebben ontvangen. [geïntimeerde 1] hebben een en ander niet betwist en volstaan met te benadrukken welk belang zij hebben bij inzage in het heirapport. Aangezien daarom vooralsnog de conclusie is dat de kalendering/heirapporten er niet zijn, kan [appellant] deze niet afgeven, zodat er geen grond was de daarop gerichte voorziening van [geïntimeerde 1] toe te wijzen. In zoverre slaagt grief II.
Daarentegen faalt grief II voor zover die is gericht tegen de afgifte van de berekening van de hoofdconstructeur, op grond van het volgende. In het rapport van TB Construction wordt onder andere verwezen naar de berekening van de hoofdconstructeur en [appellant] heeft op dat rapport een beroep gedaan. Ook [bedrijf] is van (de berekeningen in) het rapport van TB Construction uitgegaan. [geïntimeerde 1] hebben daarom recht op en belang bij afgifte van de berekening van de hoofdconstructeur, zodat zij de berekeningen in het rapport van TB Construction kunnen (laten) nagaan. Naar het voorlopig oordeel van het hof is aannemelijk dat de berekening van de hoofdconstructeur bestaat. Een aanwijzing daarvoor kan reeds worden gevonden in de verwijzing naar die berekening in het rapport van TB Construction. [appellant] heeft ook aangevoerd dat hij die berekening heeft overgelegd (maar wat niet zo is) en hij heeft niet (uitdrukkelijk) aangevoerd dat die berekening er niet zou zijn. Verder heeft hij gesteld dat hij [naam] per e-mail om een nieuwe constructieberekening heeft gevraagd. In die e-mail vraagt hij om een ‘aangepaste of aanvullende constructieberekening’. Een en ander veronderstelt dat er een (eerdere) constructieberekening is. Het hof zal daarom de beslissing van voorzieningenrechter op dit punt bekrachtigen.
Nieuwe constructieberekening
Ter zitting in eerste aanleg heeft [appellant] ermee ingestemd om de hoofdconstructeur opdracht te geven om een nieuwe constructieberekening te laten uitvoeren en die berekening met [geïntimeerde 1] te delen (zie 4.3 hiervoor). Het uitgangspunt is dat hij deze afspraak moet nakomen. Daartoe is hij ook veroordeeld. In grief II bestrijdt hij dit oordeel, opnieuw omdat een nieuwe constructieberekening volgens hem niet noodzakelijk is.
Anders dan door de voorzieningenrechter is geoordeeld, is er volgens [appellant] geen reden om twijfels te hebben bij het rapport van TB Construction. [appellant] miskent echter dat het rapport blijkens de daarin genoemde gebruikte stukken mede zou zijn gebaseerd op een berekening van de hoofdconstructeur, terwijl die niet bij dat rapport is gevoegd. Ook blijkt niet waarop de aanname in dat rapport dat de punten van de heipalen zich op -1,50 m NAP bevinden is gebaseerd. Een heirapport is niet bij het rapport gevoegd en hiervoor is geconcludeerd dat dat er niet is. Het rapport van [bedrijf] , waaruit volgens [appellant] blijkt dat de heipalen met extra wapening een voldoende sterke fundering vormen om de constructie van de aanbouw te kunnen dragen, ontneemt [geïntimeerde 1] ook niet het belang bij een nieuwe constructieberekening. Dit rapport is mede gebaseerd op het rapport van TB Construction, waarvan hiervoor is geconcludeerd dat dit onderbouwing mist, zodat het ook geen onderbouwing kan vormen van het rapport van [bedrijf] . Bovendien hebben [geïntimeerde 1] terecht aangevoerd dat uit de conclusie in het rapport van [bedrijf] ook volgt dat de constructeur een nieuwe berekening zal moeten maken.
Met zijn stelling dat uit de door de architect geopperde oplossing van het plaatsen van een extra rij heipalen op de juiste positie zou volgen dat een nieuwe constructieberekening voor de draagconstructie van de uitbouw en de badkamervloer op de eerste verdieping niet noodzakelijk is, doet [appellant] geen recht aan de whatsappberichten tussen [geïntimeerde 2] en [naam] , waarnaar hij verwijst. In die berichten laat [naam] immers weten dat zijn berekeningen niet meer te gebruiken zijn en dat er een nieuwe rij palen moet worden ingeslagen, die moeten worden berekend.
[appellant] heeft niet bestreden dat volgens de architect geen rekening is gehouden met het gewicht van een jacuzzi in de badkamer. Hij heeft erkend dat uit de aannemingsovereenkomst volgt dat hij verantwoordelijk is voor de plaatsing van de jacuzzi in de badkamer. [appellant] had er daarom voor moeten zorgen dat ook het gewicht daarvan (naast dat van de cementdekvloer) in de constructieberekening werd meegenomen. [appellant] heeft hiertegen ingebracht dat hij niet bekend was met het type en gewicht van de jacuzzi, omdat [geïntimeerde 1] deze zonder overleg met hem hebben gekocht. Daarmee gaat hij er echter aan voorbij dat hij een constructieberekening heeft laten maken en daarin niet een jacuzzi heeft laten meenemen. Voor zover de kenmerken van de jacuzzi voor die berekening relevant waren, had hij die bij [geïntimeerde 1] kunnen en moeten opvragen.
Uit het voorgaande volgt dat vooralsnog geen van de argumenten van [appellant] tegen de veroordeling om een nieuwe constructieberekening te maken slaagt en grief II in zoverre faalt. [geïntimeerde 1] hebben dus recht op en belang bij de nieuwe constructieberekening en inzage daarin. Zij wensen dan ook terecht een dergelijke berekening, omdat zij erop moeten kunnen vertrouwen dat de fundering en balken de nieuwe uitbouw en badkamer kunnen dragen. Tegen deze aangenomen wens heeft [appellant] ook niet (expliciet) gegriefd.
Voor zover [appellant] heeft willen stellen dat de hoofdconstructeur geen nieuwe berekening kan of wil maken, overweegt het hof dat dit niet kan worden geconcludeerd uit zijn enkele verzoek daartoe aan [naam] – overigens zonder betaling aan te bieden – en het, naar zeggen van [appellant] , uitblijven van een reactie daarop.
Meerwerk
De vordering in reconventie van [appellant] strekt tot betaling van een geldsom. Grief IV bestrijdt tevergeefs het oordeel dat het bestaan en de omvang van die vordering onvoldoende aannemelijk zijn geworden. Daartoe is het volgende redengevend.
Naar het voorlopig oordeel van het hof blijkt uit de aannemingsovereenkomst dat eventueel meerwerk schriftelijk moet zijn overeengekomen en dat [appellant] dan duidelijk moet maken dat daarvoor een vergoeding is vereist (bladzijde 2, 5e bullet, en artikelen 7 en 15 daaruit). [appellant] draagt de stelplicht en zo nodig bewijslast van overeengekomen meerwerk. [geïntimeerde 1] hebben betwist dat meerwerk deugdelijk is overeengekomen. Dit blijkt ook niet uit de door [appellant] overgelegde stukken. [appellant] heeft zelf gesteld dat het meerwerk mondeling is overeengekomen. Verder heeft hij onder andere verwezen naar overgelegd whatsappverkeer tussen hem en [geïntimeerde 1] en opgesomd wat volgens hem meerwerk is. Uit die stellingen blijkt niet (concreet) dat sprake is van (overeengekomen) aanvullingen op of wijzigingen van de overeenkomst noch dat [appellant] heeft vermeld wat de kosten daarvan dan zouden zijn of dat daarvoor klaarblijkelijk een vergoeding is vereist. Wat betreft elektrawerk heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt welke door hem – op zeer globale wijze – opgevoerde kosten op welke manier met [geïntimeerde 1] als meerwerk zijn besproken. Ook noemt [appellant] posten die wel in de overeenkomst staan. In de overeenkomst is vermeld ‘timmerwerkzaamheden compleet afwerking + nieuwe wanden’, zodat onduidelijk is waarom timmerwerk meerwerk zou zijn, en zijn vermeld vloerverwarming, noppenplaat en harmonicadeuren, zodat onduidelijk is waarom deze onderdeel van meerwerk zouden zijn. [appellant] heeft zijn gestelde extra tijdsbesteding en zijn schade/tijdsderving vanwege vertraging met de warmtepomp in het geheel niet onderbouwd.
De door [appellant] overgelegde facturen onderbouwen vooralsnog ook niet dat meerwerk is overeengekomen. Zijn aan [geïntimeerde 1] gerichte factuur bevat omschrijvingen van meerwerkposten waarvan hiervoor voorlopig is geconcludeerd dat onvoldoende aannemelijk is dat dit meerwerk is. Uit die factuur blijkt ook niet anderszins dat het daarin genoemde, niet nader gespecificeerde totaalbedrag is overeengekomen. Bij deze factuur heeft [appellant] facturen van zijn onderaannemers gevoegd, waarvan hij stelt dat die meerwerk betreffen wat hij mag doorberekenen aan [geïntimeerde 1] [appellant] heeft niet toegelicht wat de oorspronkelijke afspraken met zijn onderaannemers waren, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van meerwerk, en hij heeft niet toegelicht dat hij dat meerwerk vervolgens met [geïntimeerde 1] is overeenkomen.
Omdat niet voldoende aannemelijk is dat sprake is van (overeengekomen) meerwerk, wordt niet toegekomen aan een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 BW.
Werkhervatting
Grief III bestrijdt onder andere dat [appellant] zijn werkzaamheden moet hervatten. In dit verband stelt [appellant] dat hij het werk bevoegd heeft opgeschort vanwege zijn vordering uit hoofde van meerwerk. Hiervoor is voorlopig geoordeeld dat [appellant] die vordering niet heeft, zodat hem daarom geen opschortingsrecht toekomt.
Tevens stelt [appellant] dat [geïntimeerde 1] niet wensten dat het werk werd hervat, althans dat niet verder werd gegaan zonder afspraken met de bouwbegeleider. [appellant] geeft de positie van [geïntimeerde 1] echter verkeerd weer, omdat zij juist meermaals hebben aangedrongen op hervatting van de werkzaamheden, voor zover daarvoor geen nieuwe constructieberekening nodig was. [appellant] heeft bovendien erkend dat hij heeft ingestemd met het aanstellen van Kok als bouwbegeleider. Kok heeft ook geprobeerd om met [appellant] tot afspraken te komen, zoals blijkt uit het whatsappverkeer waarnaar [appellant] zelf verwijst, maar [appellant] heeft daar niet op gereageerd en nadien – ten onrechte – zijn werkzaamheden opgeschort en niet hervat. Hieruit blijkt naar het voorlopig oordeel van het hof dat het [appellant] was die voorkwam dat de werkzaamheden onder begeleiding van Kok konden worden hervat.
Verwijderen cementdekvloeren
Uit het voorgaande volgt dat grief III faalt voor zover het gericht is tegen de beslissing dat [appellant] het werk moet hervatten. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat [appellant] bij die hervatting de cementdekvloeren op de begane grond en de eerste verdieping moet verwijderen. Daartegen komt hij op in grieven II en III.
Over de begane grond heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet is afgesproken dat een nieuwe cementdekvloer over de oude zou worden gelegd. Hiertegen heeft [appellant] niet gegriefd, zodat in dit hoger beroep uitgangspunt is dat [appellant] zelf tot die wijze van uitvoering heeft besloten. Verder is naar het voorlopig oordeel van het hof het door [appellant] in het geding gebrachte rapport van Socotec, waarop ook [geïntimeerde 1] een beroep hebben gedaan, zorgvuldig opgesteld en voldoende onderbouwd, zodat het hof de daarin opgenomen conclusies ten aanzien van de cementdekvloer op de begane grond overneemt. [geïntimeerde 1] hebben dan ook terecht aangevoerd dat die vloer door deze uitvoering onder meer te hoog is geworden, waardoor onder andere deuren niet meer passen, en verwijderd zal moeten worden.
Ten aanzien van de cementdekvloer op de eerste verdieping komt het hof tot een ander voorlopig oordeel. De vraag is gerezen of de houten vloer van de eerste verdieping geschikt is om (het gewicht van) die dekvloer (en ter plaatse van de badkamer een jacuzzi) te dragen (zie 6.9 hiervoor). Als uit de constructieberekening blijkt dat de cementdekvloer op de eerste verdieping constructief onjuist is, zal die moeten worden verwijderd. Als daaruit blijkt dat die niet constructief onjuist is, behoeft die niet te worden verwijderd. Dat de vloer moet worden verwijderd, staat dan ook onvoldoende vast.
De grieven II en III falen voor zover zij zijn gericht tegen de verwijdering van de cementdekvloer op de begane grond en slagen voor zover zij gericht zijn tegen de verwijdering van die vloer op de eerste verdieping.
Contractuele boete
Grief III betoogt dat de contractuele boete ten onrechte is toegewezen, omdat [geïntimeerde 1] debet zijn aan de ontstane vertraging. Volgens [appellant] hebben [geïntimeerde 1] de warmtepomp te laat laten leveren, hebben zij foute metingen gedaan en meerwerk opgedragen. Deze stellingen heeft [appellant] vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Uit de correspondentie waarnaar hij verwijst blijkt niet welke aanvankelijke datum van levering van de warmtepomp was afgesproken, laat staan in welke mate die is overschreden. Bovendien kan daaruit worden afgeleid dat [appellant] instemde met installatie op 15 april 2024, wat vóór de opleverdatum is. Ook heeft [appellant] niet concreet gemaakt in welke mate daardoor die opleverdatum niet gehaald kon worden. Ditzelfde geldt voor de beweerde foute metingen. [appellant] verwijst naar whatsappverkeer van 17 januari 2024 (twee dagen na aanvang van de werkzaamheden en ruim vóór het addendum waarbij de boete is overeengekomen) en ongedateerd whatsappverkeer, maar daaruit blijkt niet concreet wat voor welke vertraging heeft gezorgd. Ook kan worden betwijfeld of het aan [geïntimeerde 1] is om juiste metingen te verrichten. Tot slot is bij de behandeling van grief IV al aan de orde gekomen dat vooralsnog de conclusie is dat geen meerwerk is overeengekomen.
Subsidiair heeft [appellant] een beroep op matiging van de contractuele boete gedaan. Volgens [appellant] is de boete buitensporig, omdat [geïntimeerde 1] grotendeels debet zijn aan de vertraging. Hiervoor in 6.22 heeft het hof vooralsnog anders geoordeeld. Tevens is volgens [appellant] sprake van een wanverhouding tussen de schade en de hoogte van de boete, omdat [geïntimeerde 1] niet hebben onderbouwd dat zij in een stacaravan wonen in de tuin van de woning. Ook daarover oordeelt het hof vooralsnog anders, omdat [geïntimeerde 1] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij (aanzienlijke) kosten hebben moeten maken door de ontstane impasse, waaronder opslagkosten, kosten voor inwoning en de aanschaf en installatie van een stacaravan om in te wonen. In de aard van de overeenkomst, inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen, ziet het hof evenmin aanleiding om de boete te matigen.
De slotsom is dat de contractuele boete terecht is toegewezen en grief III in zoverre faalt.
Spoedeisend belang
[appellant] heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat partijen in een impasse verkeren en dat uit de stukken niet blijkt dat [appellant] zich vanaf 26 april 2024 heeft ingespannen om uit die impasse te komen. Hij heeft ook erkend dat het werk sindsdien stil ligt en vanwege zijn standpunt bestaat er geen zicht op dat hij zijn werk zal hervatten. [geïntimeerde 1] hebben verder onder meer toegelicht hoe zij wonen in de stacaravan en wat de impact van de situatie op hun leven is. Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerde 1] spoedeisend belang hadden en onverminderd hebben bij de gevraagde voorzieningen en (voor zover toewijsbaar) dat dat prevaleert boven de belangen van [appellant] . De overige stellingen van [appellant] doen hier niet aan af, zodat grief I faalt.
Dwangsommen
De ongenummerde grief tegen de toegewezen dwangsommen is gebaseerd op het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde 1] Voor zover het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, faalt deze grief.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
Het hoger beroep heeft beperkt succes. Alleen grieven II, III en de ongenummerde grief slagen gedeeltelijk. Het bestreden vonnis wordt voor het overige bekrachtigd. Aan eventuele bewijslevering komt het hof vanwege de aard van deze kortgedingprocedure niet toe. [appellant] is in het hoger beroep voornamelijk in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 851,00
- salaris advocaat € 4.704,00 (tarief IV, 2 punten)
Totaal € 5.555,00
7. Beslissing
Het hof:
- vernietigt het bestreden vonnis voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld om de gevraagde kalendering/heirapporten aan [geïntimeerde 1] te doen toekomen (7.1), de vloer op de eerste verdieping te verwijderen (7.2) en om een dwangsom te betalen voor het niet voldoen aan deze veroordelingen onder 7.1 en 7.2 (7.4) en wijst deze onderdelen van de gevraagde voorziening alsnog af;
- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.555,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
- veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Boeve, D. Kingma en E.J. Bellaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.