Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 20 maart 2021 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk niet heeft voldaan aan een opdracht krachtens artikel 175 gemeentewet, te weten een (nood)bevel van de Burgemeester, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, gegeven door of namens de Burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met uitoefening van enig toezicht belast), immers heeft zij, verdachte toen en aldaar zich niet (op eerste vordering) verwijderd van het Museumplein en/of de omgeving van het Museumplein, te weten onder andere het Museumplein nadat dit was gevorderd door de politie, terwijl voornoemde opdracht inhield dat zij, verdachte, zich moest verwijderen van het Museumplein en/of haar omgeving.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.
De verdachte heeft om vrijspraak verzocht, omdat het noodbevel dat in de tenlastelegging wordt bedoeld in strijd is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft in eerdere zaken, zoals in de zaken met de kenmerken ECLI:NL:GHAMS:2025:2749, ECLI:NL:GHAMS:2025:2751 en ECLI:NL:GHAMS:2025:2755, geoordeeld dat de rechtmatigheid van het noodbevel afgegeven op 20 maart 2021 door de burgemeester van Amsterdam, niet kan worden vastgesteld in het kader van de subsidiariteitstoets. Dit is het gevolg van de discrepantie tussen enerzijds de inhoud van het noodbevel en anderzijds de inhoud van de door verbalisanten opgemaakte processenverbaal. In onderhavige zaak is geen aanvullende informatie ontvangen die de beoordeling van het verweten feit anders maakt.
Reeds hierom is er geen wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en zal het hof de verdachte vrijspreken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 28 september 2021 onder CJIB-nummer [CJIB-nummer] .
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J.L. Bruinsma en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van mr. J.W.B. Mullink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 oktober 2026.
De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]