ECLI:NL:GHAMS:2026:3058

ECLI:NL:GHAMS:2026:3058

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 200.362.475/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Kortgeding-vonnis deels vernietigd. Zorgregeling in verband met afstemmingsregel conform de - na het kg-vonnis gewezen – beschikking in de bodemzaak. Toestemming vakantie vernietigd evenals veroordeling afgifte paspoort onder dwangsom

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.362.475/01 KG

zaaknummer rechtbank : C/13/776654 / KG ZA 25-809 EAM/EV

arrest van de meervoudige familiekamer van 27 oktober 2026

inzake

[de moeder] ,

wonend te [plaats A] ,

appellante,

advocaat: mr. D. den Hartog te Amsterdam,

tegen

[de vader] ,

wonend te [plaats B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.R. Hettema te Amsterdam.

Partijen worden hierna de moeder en de vader genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

De moeder is bij dagvaarding van 10 november 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 13 oktober 2025, nader uitgewerkt bij vonnis van 27 oktober 2025, dat in kort geding is gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). De dagvaarding bevat de grieven.

De vader heeft een memorie van antwoord ingediend.

Vervolgens is arrest gevraagd.

De moeder heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal bepalen dat de in het bestreden vonnis opgelegde dwangsomveroordeling wordt geschrapt, althans - op de voet van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - op nihil wordt gesteld, althans wordt geschorst met terugwerkende kracht tot de datum van de uitspraak, althans wordt gematigd tot een door het hof in redelijkheid te bepalen bedrag;

2. zal bepalen, met toepassing van artikel 351 Rv, dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst;

3. het bestreden vonnis zal vernietigen;

4. de veroordeling tot afgifte van het paspoort van [minderjarige 1] zal schrappen;

5. zal bepalen dat de bij beschikking van 7 juli 2025 vastgestelde voorlopige zorgregeling wordt gewijzigd in die zin dat de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] plaatsvindt van zaterdag 15:00 uur tot zondag 18:30 uur, althans totdat de hulpverlening bij Levvel daadwerkelijk is opgestart;

6. de vader zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, althans te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

De vader heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de moeder in de proceskosten.

2. Feiten

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2010, (hierna: [minderjarige 2] ); en

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2017, (hierna: [minderjarige 1] ).

Het huwelijk van partijen is op 9 september 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 10 april 2024 in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 7 juli 2025 heeft de rechtbank Amsterdam bepaald dat stapsgewijs wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij de vader [minderjarige 1] vanaf het einde van de zomervakantie een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur bij zich heeft en een schooldag per week tot 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] uit school haalt. Voor [minderjarige 2] is geen zorgregeling bepaald. Daarnaast is bepaald dat partijen een (bemiddelings)traject zullen volgen (Ouderschap Blijft). Iedere verdere beslissing op het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag te belasten is aangehouden.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij het bestreden vonnis de moeder veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 7 juli 2025 bepaalde zorgregeling. Aan de vader is vervangende toestemming verleend, in de plaats van de vereiste toestemming van de moeder, om met [minderjarige 1] in de periode van 18 oktober 2025 tot 25 oktober 2025 naar [plaats C] in Egypte te reizen en aldaar te verblijven. De moeder is veroordeeld om het paspoort van [minderjarige 1] uiterlijk op 14 oktober 2025 te 17.00 uur aan de vader te overhandigen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- ineens. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd.

De rechtbank Amsterdam heeft in haar beschikking van 21 mei 2026 met ingang van 30 mei 2026 een voorlopige verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige 1] bepaald, waarbij [minderjarige 1] om de week bij de vader verblijft van vrijdag 16.00 uur tot (naar het hof uit de rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 van de rechtbank begrijpt: zondag) 18.30 uur, de vader [minderjarige 1] uit school haalt en na de omgang weer naar de moeder terugbrengt. Als er geen school is, haalt de vader [minderjarige 1] op bij de moeder. De rechtbank heeft de verdere behandeling van de verzoeken pro forma aangehouden tot 21 augustus 2026. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de voorlopige zorgregeling beperkt wordt gewijzigd, in die zin dat de doordeweekse dag niet meer wordt opgenomen in de voorlopige zorgregeling. Dit omdat de vader had aangegeven dat [minderjarige 1] niet meer doordeweeks bij hem kan verblijven omdat de vader in [plaats B] is gaan wonen en de afstand daarmee te groot is geworden.

3. Beoordeling

De vrouw komt tegen het bestreden vonnis op met drie grieven.

Afstemmingsregel

De rechter die in kort geding beslist over een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter een beschikking in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn oordeel af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of de beschikking van de bodemrechter in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dit kan het geval zijn als de beschikking van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, of zich na de beschikking een zodanige wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, als hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (zie HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015).

Het hof heeft partijen in deze procedure op 26 mei 2026 in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 9 juni 2026 bij akte uit te laten over wat in verband met de hiervoor genoemde afstemmingsregel de gevolgen van de beschikking van de rechtbank van 21 mei 2026 in de bodemzaak zijn voor de onderhavige procedure.

De vader heeft het hof daarop - kort samengevat - bericht dat de moeder de door de rechter vastgestelde regeling heeft genegeerd en [minderjarige 1] alleen aan de vader meegaf als het haar uitkwam. Volgens de vader wil [minderjarige 1] graag naar hem toe, maar houdt de moeder dat tegen.

De moeder heeft het hof - kort samengevat - bericht dat zij zich nog steeds ernstige zorgen maakt over de situatie. Zij ervaart dat nog altijd, ook na de beschikking van 26 mei 2026, sprake is van onduidelijkheid en risico’s die een nadere beoordeling rechtvaardigen. Zij maakt zich zorgen over de huidige wijze van uitvoering en verzoekt het hof dan ook om kennis te nemen van deze ontwikkeling en de actuele stand van zaken in de bodemprocedure, en om zowel de betwisting van de aantijgingen van de zijde van de vader als de aanhoudende zorgen te betrekken bij de verdere beoordeling van het hoger beroep.

Gelet op de afstemmingsregel neemt het hof de beslissing van de rechtbank in de beschikking van 26 mei 2026 bij de beoordeling van de grieven en vorderingen tot uitgangspunt. In voornoemde beschikking is - zoals hiervoor in r.o. 2.6 uiteen is gezet en voor zover hier van belang - bepaald dat [minderjarige 1] om de week bij de vader verblijft van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.30 uur, de vader [minderjarige 1] uit school haalt en de vader [minderjarige 1] na de omgang weer naar de moeder terugbrengt. Als er geen school is, haalt de vader [minderjarige 1] op bij de moeder.

Met grief 1 komt de moeder op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 7 juli 2025 dient te worden nageleefd. Gelet op hetgeen de rechter in die bodemzaak omtrent de zorgregeling heeft overwogen en bepaald - te weten nakoming van die regeling behoudens, op verzoek van de vader, de zorg op een doordeweekse dag - slaagt de eerste grief van de moeder niet. Dat de beslissing van de rechtbank in de bodemzaak op een of meer klaarblijkelijke misslagen berust is door de moeder niet gesteld. De moeder heeft naar het oordeel van het hof ook geen relevante wijzigingen van feiten en omstandigheden sinds de datum van de beschikking in de bodemzaak gesteld, die zouden rechtvaardigen dat een uitzondering op de afstemmingsregel wordt gemaakt. Het hof zal de vorderingen onder 2 en 5 dan ook afwijzen.

De moeder stelt met grief 2 de juistheid aan de orde van het oordeel van de voorzieningenrechter omtrent de aan de vader verleende vervangende toestemming voor een vakantie met [minderjarige 1] naar Egypte. De moeder is van mening dat deze toestemming ten onrechte is verleend. Zij voert hiertoe aan dat de voorzieningenrechter bij zijn oordeel niet heeft meegenomen of sprake was van voldoende omgangscontact tussen de vader en [minderjarige 1] voorafgaand aan de reis, of duidelijkheid bestond over de praktische voorbereidingen (onder meer een geldig paspoort) en of [minderjarige 1] gelet op zijn leeftijd en emotionele gesteldheid, veilig en comfortabel deel kon nemen aan de reis. Volgens de moeder heeft de voorzieningenrechter daarmee een beslissing genomen die vooruitliep op het hulpverleningstraject bij Levvel. De moeder komt in haar derde grief op tegen de veroordeling tot betaling van de aan de afgifte van het paspoort verbonden dwangsom van € 1.000,-.

Volgens de vader was het wel degelijk in het belang van [minderjarige 1] om met hem mee te gaan met vakantie, [minderjarige 1] had zich er ook op verheugd. Bovendien bood de vakantie [minderjarige 1] de mogelijkheid om tijd door te brengen met de familie van de vader en zijn nieuwe broertje, juist na een lange periode van afwezigheid.

Het hof stelt voorop dat in een kort geding een voorlopige voorziening in spoedeisende zaken kan worden verkregen. De voorgenomen vakantie van de vader met [minderjarige 1] naar [plaats C] , Egypte, zou vanaf 18 oktober 2025 plaatshebben. De veroordeling van de moeder tot afgifte van het paspoort op uiterlijk 14 oktober 2025 zag op deze reis. Hoewel het spoedeisend belang van de vader bij zijn vordering tot vervangende toestemming voor deze vakantie in hoger beroep dus niet meer aan de orde is, dient het hof alsnog te beoordelen of deze toestemming terecht is verleend, nu daarmee samenhangt de vraag of de moeder het paspoort van [minderjarige 1] aan de vader moest afgegeven op straffe van een dwangsom.

Het hof overweegt dat het feit dat de voorzieningenrechter toestemming heeft verleend voor een verblijf van [minderjarige 1] met de vader voor de duur van een volle week in Egypte, moeilijk te rijmen valt met de situatie rond de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader ten tijde van de behandeling van het kort geding bij de voorzieningenrechter. De bodemrechter heeft in de beschikking van 7 juli 2025 in afwachting van de resultaten van een door de ouders te volgen hulptraject een voorlopige regeling bepaald, waarin stapsgewijs werd toegewerkt naar een zorgregeling van een weekend per twee weken en een schooldag per week. Voor het bepalen van een voorlopige vakantieregeling heeft de bodemrechter destijds geen aanleiding gezien. Het stapsgewijs opbouwen was mede ingegeven door de omstandigheid dat [minderjarige 1] zijn vader al vanaf mei 2024 niet had gezien. Uit de dagvaarding van de vader in eerste aanleg in deze kort geding-procedure begrijpt het hof dat na de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2025 niet of nauwelijks invulling is gegeven aan het opbouwen van de zorgregeling.

De vader heeft in dit verband betoogd dat [minderjarige 1] heel graag bij hem wilde zijn en met hem met vakantie zou willen. Feit is echter dat [minderjarige 1] ten tijde van het bestreden vonnis al lange tijd geen of nauwelijks contact met zijn vader had, er grote spanningen tussen de ouders bestonden en dat in het kader van het in te zetten hulpverleningstraject via Levvel daarin verbetering zou moeten komen. Onder deze omstandigheden acht het hof een vakantie van een volle week niet in het belang van [minderjarige 1] en is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg, in afwijking van de beslissing van de bodemrechter, verleende toestemming voor een vakantie in het buitenland te voortvarend is geweest. De toestemming voor de vakantie is naar het oordeel van het hof dan ook ten onrechte verleend en dit deel van het vonnis zal daarom worden vernietigd.

Gezien het oordeel van het hof over de vakantie valt de grond onder de veroordeling tot afgifte van het paspoort en de daaraan verbonden dwangsom weg. Ook deze delen van het vonnis zullen worden vernietigd.

Gelet op de uitkomst van deze procedure en gezien de aard van het geding zal het hof de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De verzoeken over en weer tot veroordeling in de proceskosten zullen worden afgewezen.

4. Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarin vervangende toestemming is verleend aan de vader om met [minderjarige 1] met vakantie te gaan en de moeder is veroordeeld tot afgifte van het paspoort van [minderjarige 1] op straffe van een dwangsom;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering van de vader tot vervangende toestemming om met [minderjarige 1] een week in Egypte te verblijven alsmede de vordering tot de veroordeling van de moeder tot afgifte van het paspoort van [minderjarige 1] op straffe van een dwangsom, alsnog af;

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover de moeder daarin is veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling;

- compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. A.R. Sturhoofd, mr. J.F. Miedema en mr. R.M. Troost en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.F. Miedema
  • mr. R.M. Troost

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand