ECLI:NL:GHAMS:2026:3059

ECLI:NL:GHAMS:2026:3059

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 27-10-2026
Datum publicatie 02-11-2026
Zaaknummer 200.362.817/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Artikel 1:431 lid 1 BW. Vernietiging bewind; niet aan de wettelijke gronden voor onderbewindstelling voldaan.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.362.817/01

zaaknummer rechtbank: 11716803 BM VERZ 25-1346/DBa

beschikking van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak van

[rechthebbende] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: rechthebbende,

advocaat: mr. D.J. Klock te Haarlem,

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- FHV Castricum B.V. (hierna: de bewindvoerder),

- [stichting] (hierna: [stichting] ),

- [de vader] (de vader),

- [de zus] (de zus),

- [broer 1] (broer [broer 1] ), en

- [broer 2] (broer [broer 2] ).

De hierboven genoemde belanghebbenden broers [broer 1] en [broer 2] hebben desgevraagd aan het hof bericht dat zij in deze zaak geen post willen ontvangen. Het hof zal hen daarom geen afschrift van deze beschikking zenden.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of een bewind voor rechthebbende nodig is. De kantonrechter heeft de goederen van rechthebbende onder bewind gesteld. Rechthebbende is het daar niet mee eens en wil dat de beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd.

Het hof zal de beslissing van de kantonrechter tot instelling van het bewind vernietigen en legt hierna uit hoe het tot deze beslissing komt.

2. De procedure in hoger beroep

Rechthebbende is op 4 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter).

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van rechthebbende van 15 januari 2026 met bijlagen,

- een bericht van de zijde van de bewindvoerder van 4 mei 2026, en

- een bericht van de zijde van [stichting] van 8 juni 2026.

De zitting heeft op 16 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat, en

- [naam 1] Leest namens de bewindvoerder vergezeld van een collega, [naam 2] .

Een vertegenwoordiger van [stichting] was, met bericht van afmelding, niet bij de zitting aanwezig. De voor deze zitting opgeroepen familie van rechthebbende was ook niet bij de zitting aanwezig.

3. De feiten

Rechthebbende is geboren [in] 1997 te [gemeente] .

Rechthebbende woont in een begeleide woonvoorziening van [stichting] , [X] .

Bij beschikking van 5 juni 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem een zorgmachtiging verleend ten behoeve van rechthebbende, voor de duur van zes maanden. Bij beschikking van 6 november 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem opnieuw een zorgmachtiging verleend, voor de duur van één jaar.

4. De omvang van het hoger beroep

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, met ingang van de dag na de datum van verzending van die beschikking, een bewind ingesteld over de goederen die rechthebbende (zullen) toebehoren, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van FHV Castricum B.V. tot bewindvoerder.

Rechthebbende verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en naar het hof begrijpt, het inleidende verzoek van [stichting] tot onderbewindstelling van rechthebbende alsnog af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren

a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.

Het bewind kan op grond van het derde lid van voornoemd artikel eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.

De standpunten

Rechthebbende stelt dat niet is voldaan aan de gronden voor instelling van een bewind. Vanaf 2 september 2025 verbleef rechthebbende op grond van een zorgmachtiging bij [stichting] . [stichting] heeft toen onderbewindstelling bij de kantonrechter verzocht, met als onderbouwing dat rechthebbende onder druk geld had overgemaakt. Dat was inderdaad het geval; de moeder en zus van rechthebbende, bij wie hij voorafgaande aan zijn opname bij [stichting] woonde, eisten geld van hem en mishandelden hem emotioneel en fysiek. Echter, die situatie doet zich sinds de opname bij [stichting] niet meer voor. Rechthebbende woont niet meer met zijn moeder en zus en heeft geen contact met hen. Ook zal hij daar niet terugkeren, maar zal hij binnen afzienbare tijd zelfstandig gaan wonen, in een beschermde woonvorm van [stichting 2] . Van schulden of het uitlenen van geld is geen sprake. Rechthebbende is dan ook zelf in staat om zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen.

De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Voorafgaand aan de instelling van het bewind had rechthebbende een lege bankrekening, had hij een creditcard schuld tot het maximum van € 1.000,- en maakte hij hoge kosten aan uitgaven voor openbaar vervoer. De bewindvoerder heeft toen een budgetplan gemaakt. Rechthebbende krijgt nu € 143,- leefgeld per week. Het gaat nu goed met het uitvoeren van het budgetplan, er zijn geen schulden en rechthebbende heeft ongeveer € 4.000,- gespaard voor de inrichting van zijn nieuwe woning. Het blijft voor de bewindvoerder echter nog wel de vraag of rechthebbende zonder bewind zijn financiën kan overzien en zelf zijn belangen op dit punt kan behartigen. De bewindvoerder is er voorstander van om eerst met een zelfredzaamheidstraject te starten. Dit gezien de geestelijke toestand van rechthebbende – hij is gediagnosticeerd met autisme en heeft een lager IQ dan gemiddeld – en omdat onduidelijk is of rechthebbende voor een langere aaneengesloten periode de zorg kan dragen voor zijn financiën, nu zijn weekgeld altijd op gaat. Tijdens het zelfredzaamheidstraject kan worden gekeken of en wanneer rechthebbende in staat is om zelf zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen.

De beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat niet was voldaan aan de gronden voor onderbewindstelling van rechthebbende ten tijde van de bestreden beschikking en dat daaraan ook op dit moment niet is voldaan. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep blijkt het volgende. Voor rechthebbende gold gedurende de periode van 5 juni 2024 tot en met 5 december 2024 een zorgmachtiging. Op 6 november 2025 is opnieuw een zorgmachtiging verleend, voor de duur van één jaar. Op grond van de zorgmachtiging is rechthebbende verplicht opgenomen geweest bij [stichting] , waar hij vanaf 2 september 2025 verbleef. Rechthebbende verblijft nu in een begeleide woonvoorziening van [stichting] , [X] , en hij staat op de wachtlijst voor beschermd wonen bij [stichting 2] . Rechthebbende ontvangt een Wajong-uitkering en krijgt zorgtoeslag.

Gebleken is dat in de meest recente procedure over de zorgmachtiging is vastgesteld dat rechthebbende is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis en bij hem mogelijk sprake is van een verstandelijke beperking. Naar het oordeel van het hof is echter niet vast komen te staan dat ten tijde van de instelling van het bewind de geestelijke toestand van rechthebbende tot gevolg had dat een behoorlijke behartiging van zijn vermogensrechtelijke belangen door hem onmogelijk was dan wel in voldoende ernstige mate werd bemoeilijkt. Er is geen, althans onvoldoende (medische) informatie beschikbaar waaruit dat volgt. Weliswaar waren er eerder wel zorgen over de financiële situatie van rechthebbende, maar een causaal verband met zijn geestelijke toestand is niet gebleken. Daar komt bij dat de oorzaak van die zorgen over de financiën al voorafgaand aan de instelling van het bewind was weggenomen. Het lijkt er immers op dat de toenmalige financiële problemen van rechthebbende vooral het gevolg waren van zijn thuissituatie bij zijn moeder en zus, waarin hij ervaarde dat hij financieel onder druk werd gezet en uitgaven deed, alleen om onder die druk uit te komen. Een andere oorzaak van de financiële problemen is niet gebleken. Door zijn opname bij [stichting] vanaf 2 september 2025 werd rechthebbende aan die situatie onttrokken. Rechthebbende zal ook niet teruggaan naar die situatie, nu hij in [X] verblijft, dit goed verloopt en hij mogelijk in de toekomst bij [stichting 2] in een beschermde woonomgeving zal gaan wonen.

Rechthebbende voert aan dat het bewind enkel is aangevraagd omdat dat het beleid van [stichting] was. Met rechthebbende is het hof van oordeel dat uit het verzoek tot het instellen van een onderbewindstelling van [stichting] ook niet volgt dat is voldaan aan de wettelijke gronden voor bewind. In het verzoekschrift staat enkel dat rechthebbende zijn belangen niet kan waarnemen, nu hij in het verleden onder druk geld heeft overgemaakt. Als onderbouwing voor het verzoek noemt [stichting] verder dat zij rechthebbende willen beschermen zodat hij geen verkeerde keuzes kan maken. Hieruit volgt echter niet dat het door [stichting] aangenomen onvermogen van rechthebbende om zelf zijn financiële belangen te behartigen verband houdt met zijn geestelijke toestand. Daar komt bij dat rechthebbende ter zitting bij het hof heeft laten zien voldoende inzicht te hebben in zijn financiële situatie. Hij is goed op de hoogte van zijn inkomsten en uitgaven en houdt zelfstandig zijn financiën bij via het online portaal van de bewindvoerder, waarmee hij zicht op de beheerrekening heeft.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat rechthebbende niet voldoende in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat beschermingsmaatregelen niet dieper mogen ingrijpen op het recht op zelfbeschikking dan strikt noodzakelijk is en moeten voldoen aan de eisen van proportionaliteit (alleen inbreuk voor zover nodig) en subsidiariteit (voorrang voor een minder zware maatregel). Het hof ziet wel dat rechthebbende baat zou kunnen hebben bij hulp bij zijn financiën, zoals de bewindvoerder ook heeft aangevoerd. Een budgetcoach kan daarbij uitkomst bieden. Naar het oordeel van het hof heeft rechthebbende het vertrouwen gegeven dat hij zich – waar nodig – zal laten bijstaan en volstaat het vrijwillig kader voor ondersteuning voor rechthebbende. De begeleiding van de (toekomstige) woonvoorziening van rechthebbende kan hem ondersteunen bij het aanvragen van die hulp. Ter zitting is naar aanleiding van vragen van het hof de mogelijkheid van een zelfredzaamheidstraject nog aan de orde geweest. Nu het hof echter tot het oordeel komt dat niet aan de wettelijke gronden voor de instelling van een onderbewindstelling is voldaan, behoort een zelfredzaamheidstraject in het kader van een bewind niet meer tot de mogelijkheden. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:384 BW juncto 1:448 lid 4 BW neemt, indien een beschikking waarbij bewind is uitgesproken in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en het verzoek tot onderbewindstelling alsnog wordt afgewezen, de taak van de bewindvoerder daags na deze uitspraak een einde. De inmiddels door de bewindvoerder of met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor rechthebbende verbindend.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan rechthebbende en een - zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, overlegt;

gelast de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, team kanton, in verband met aantekening in het centraal curatele- en bewindregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. J.M. van Baardewijk en mr. M.C. Braak, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 27 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. B.F. Beijderwellen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand