proces-verbaal
__________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.369.195/01 OK
Proces-verbaal van het verhandelde ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2026.
Tegenwoordig zijn mr. W.A.H. Melissen, voorzitter en mr. C.H. Rombouts en mr. M.P. Nieuwe Weme, raadsheren en mr. D.E.M. Aleman MBA en K. Smit, raden, in tegenwoordigheid van mr. S. IJntema, griffier.
Aan de orde is de behandeling van het verzoekschrift van
[A],
wonende te Almere
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. F.L. Jansen, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FAMILY CARE ALMERE OVERGOOI B.V.,
gevestigd te Almere,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. B.P.M.J. Vloeijberghs en mr. J.P. Van der Kooij, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
1. [B],
wonende te Lelystad
BELANGHEBBENDE,
2. [C]
wonende te Lelystad,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. B.P.M.J. Vloeijberghs en mr. J.P. Van der Kooij, kantoorhoudende te Amsterdam,
3. [D],
wonende te Almere
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. R. Jethoe, kantoorhoudende te Almere,
Ter terechtzitting zijn aanwezig:
- [A] (hierna: [A]), bijgestaan door mr. Jansen voormeld;
- [B] (hierna: [B]), voor zichzelf en in zijn hoedanigheid van bestuurder van Family Care Almere Overgooi B.V. (hierna: FCAO), en [C] (hierna: [C]), bijgestaan door mrs. Vloeijberghs en Van der Kooij, voormeld;
- [D] (hierna: [D]), bijgestaan door mr. Jethoe, voormeld.
Verzoekster heeft in deze procedure de Ondernemingskamer verzocht – kort samengevat – een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van FCAO vanaf 28 december 2021, om bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen en FCAO te veroordelen in de kosten. Bij verweerschriften hebben FCAO, [B] en [C], en [D] verzocht om het verzoek af te wijzen en [A] te veroordelen in de kosten van het geding.
De advocaten lichten de standpunten van de onderscheiden partijen toe aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartijen gezonden nadere productie(s). Partijen en hun advocaten beantwoorden vragen van de Ondernemingskamer en verstrekken inlichtingen.
De voorzitter van de Ondernemingskamer schorst de behandeling ter terechtzitting.
Na hervatting van de behandeling deelt de voorzitter mede dat mondeling uitspraak zal worden gedaan.
De Ondernemingskamer doet als volgt mondeling uitspraak:
1. Uit de behandeling ter zitting en de stukken is voldoende gebleken dat er sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van FCAO. Deze gegronde redenen hebben betrekking op onder meer het volgende.
i. Sinds de oprichting op 28 december 2021 heeft er slechts één aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden, te weten op 1 juli 2025, en niet jaarlijks zoals in de statuten is bepaald.
ii. De jaarrekeningen van 2023 en 2024 zijn niet opgemaakt. De jaarrekening van 2022 is gedeponeerd als vastgesteld bij de Kamer van Koophandel, maar nimmer vastgesteld op een aandeelhoudersvergadering.
iii. Er is niet voorzien in de statutair vereiste raad van commissarissen en cliëntenraad. [D] lijkt bij oprichting te zijn benoemd en ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel als zodanig, maar ontkent zelf ooit commissaris geweest te zijn.
iv. [B] heeft op 23 december 2024 aan de Kamer van Koophandel doorgegeven dat hij met terugwerkende kracht per 1 juli 2023 zelfstandig bevoegd was om FCAO te vertegenwoordigen, terwijl er sprake was van een gezamenlijke vertegenwoordigingsbevoegdheid.
v. Er zijn grote bedragen overgemaakt naar [C], zonder dat de tussen haar en de vennootschap over haar inzet gemaakte afspraken deugdelijk zijn vastgelegd. De bedragen die aan haar zijn betaald lijken bovendien buitensporig.
vi. Er is niet voldaan aan de verplichting ten opzichte van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) om een jaarverantwoording 2024 op te maken.
vii. Uit de als productie 26 bij het verzoekschrift overgelegde uitdraai van de bankrekening van FCAO blijkt dat er grote bedragen contant worden opgenomen. Onduidelijk is gebleven wat de titel is van deze opnames en waar deze bedragen precies aan zijn besteed.
viii. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat wordt voldaan aan de administratieplicht voortvloeiend uit art. 2:10 BW.
ix. De onduidelijke geldstromen en de ogenschijnlijke gebrekkige administratie klemmen te meer nu het hier gaat om een zorgonderneming die wordt gefinancierd met publieke middelen.
x. De (ex-)bestuurders hebben kennelijk werkzaamheden voor FCAO verricht en menen ook aanspraak te kunnen maken op een vergoeding, maar wat de afspraken hierover zijn is onduidelijk gebleven.
2. De slotsom is dat de Ondernemingskamer oordeelt dat het noodzakelijk is dat een onderzoek naar dat beleid en die gang van zaken wordt verricht. Een belangenafweging leidt niet tot een andere uitkomst.
3. De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van FCAO, zoals die blijkt uit het voorgaande, het nodig maakt bij wijze van onmiddellijke voorzieningen naast de huidige bestuurder een nader aan te wijzen persoon tot bestuurder wordt benoemd met beslissende stem die bevoegd zal zijn FCAO zelfstandig te vertegenwoordigen en zonder wie FCAO niet vertegenwoordigd kan worden. Deze te benoemen bestuurder mag het tot zijn taak rekenen om de vereiste verantwoordingen op te maken en deze met een nadere toelichting over het beleid en de gang van zaken van FCAO met IGJ en eventuele andere instanties te delen.
4. De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en van de te benoemen bestuurder voor rekening brengen van FCAO.
5. De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen. Indien het komt tot aanwijzing van een onderzoeker, zal de Ondernemingskamer de onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.
6. De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker voorlopig aanhouden om te bezien of al door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder van partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
7. De Ondernemingskamer ziet ten slotte aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
De Ondernemingskamer:
a. beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van FCAO vanaf 28 december 2021;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon om het onderzoek te verrichten;
houdt de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na de beschikking waarbij hij/zij als onderzoeker wordt aangewezen een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van FACO en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van zijn/haar werkzaamheden zekerheid moeten stellen;
benoemt mr. W.A.H. Melissen tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van FCAO met beslissende stem en bepaalt dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is FCAO te vertegenwoordigen en dat zonder deze persoon FCAO niet kan worden vertegenwoordigd;
bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder voor rekening komen van FCAO;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
i. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
De voorzitter meldt dat een proces-verbaal van de mondelinge behandeling met de beslissing wordt opgemaakt en aan partijen wordt verzonden.
De voorzitter sluit de behandeling ter terechtzitting.
Waarvan proces-verbaal,