De feiten en de rechtsgang
Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Amsterdam van
7 oktober 2026 (volmacht ontvangen op 6 oktober 2026), waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beschikking van die rechtbank.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman mr. Y. Moszkowicz.
Bij de behandeling in raadkamer heeft de raadsman namens de verdachte een mondeling schorsingsverzoek gedaan.
De beoordeling
Het hof verenigt zich met de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de gronden waarop deze berust.
Het hof verwijst ten aanzien van de ernstige bezwaren en de gronden naar de motivering van de rechtbank van 5 oktober 2026 en van de rechter-commissaris van 25 september 2026 en neemt deze over. Ook verwijst het hof naar het binnengekomen schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie als reactie op de op voorhand toegezonden pleitaantekeningen van de raadsman.
Het hof benadrukt nog dat het dossier concrete aanwijzingen bevat dat de verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld in de feiten zoals vermeld op de vordering. Het hof wijst daarbij onder meer op de koppeling van de verdachte aan de aliassen ‘[alias 1]’, ‘ [alias 2] ’ en ‘ [alias 3] ’ en het wegsluizen van cryptovaluta.
Met betrekking tot het vluchtgevaar overweegt het hof dat de verdachte langdurig in de VAE verbleven en is hij pas na een uitleveringsprocedure op basis van een Red Notice naar Nederland overgebracht, wat er ook zij van de stelling van de verdachte dat hij ‘vrijwillig’ had willen terugkeren.
Met betrekking tot de recidivegrond merkt het hof op dat de verdenkingen waarop de voorlopige hechtenis thans berust weliswaar geen zesjaars feiten zijn, maar dat dat onverlet laat dat de te vrezen feiten (zoals witwassen) dat wel kunnen zijn. Het hof overweegt in dat kader dat de verdachte en zijn medeverdachten vermoedelijk nog altijd kunnen beschikken over een groot gedeelte van de investeringen (de cryptovaluta) en die aldus kunnen verhullen. Het hof stelt vast dat een overgroot deel van het ingelegde cryptobetalingen thans nog niet getraceerd is.
Gelet op de aard en de ernst van de verdenkingen, de grootschaligheid en de professionaliteit ervan is het hof van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a derde lid van het Wetboek van Strafvordering zich thans niet voordoet.
Met betrekking tot het door de verdachte (mondeling) gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis geldt dat dit verzoek moet worden afgewezen, omdat het belang dat de verdachte heeft bij zijn invrijheidstelling niet opweegt tegen de gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die in het bevel tot zijn gevangenhouding zijn aangewezen, welke ook thans nog grond geven tot voortduring van zijn vrijheidsbeneming.
De aangenomen aanwezige gronden verhouden zich niet met een schorsing. Daarbij komt dat het reclasseringsrapport (dat is aangevraagd volgens de advocaat-generaal) dient te worden afgewacht. Dat de verdachte zijn paspoort wenst in te leveren biedt bij de huidige stand van zaken dan ook onvoldoende waarborgen om het reële vluchtrisico te ondervangen.
De beslissing
Het hof:
WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze beschikking is gegeven op 14 oktober 2026 in raadkamer van dit hof door
mr. M.M.H.P. Houben, voorzitter,
mrs. P.J. van Eekeren en H. Sytema, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.R. Chabboe als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 14 oktober 2026,
de advocaat-generaal