GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.365.440/01
zaaknummer rechtbank: 11984693 EB VERZ 25-11362
beschikking van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak van
[rechthebbende] ,
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de rechthebbende,
advocaat: mr. M.A. Kanning te Haarlem,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- Beaufin B.V. (hierna: de bewindvoerder).
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de vraag of voortzetting van het bewind voor de rechthebbende nog nodig is.
De rechthebbende is het daar niet mee eens en wil dat het inleidende verzoek tot voorzetting van haar bewind voor onbepaalde tijd wordt afgewezen en het bewind wordt opgeheven. De bewindvoerder is het hiermee eens.
2. De procedure in hoger beroep
De rechthebbende is op 20 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter).
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de bewindvoerder van 15 september 2026;
- een bericht van de zijde van de rechthebbende van 21 september 2026.
De bewindvoerder en de rechthebbende hebben bij berichten van respectievelijk 15 september 2026 en 21 september 2026 te kennen gegeven dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan.
3. De feiten
De rechthebbende is geboren [in] 2001 te [plaats] (Soedan).
Op 26 juli 2022 heeft de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld voor de duur van vijf jaar wegens verkwisting/het hebben van problematische schulden, met benoeming van Beaufin B.V. tot bewindvoerder.
4. De omvang van het hoger beroep
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking bepaald dat het bewind ten behoeve van de rechthebbende voor onbepaalde tijd zal worden voortgezet op grond van haar lichamelijke/geestelijke toestand.
De rechthebbende verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de bewindvoerder tot voortzetting van het bewind voor onbepaalde tijd alsnog af te wijzen en het bewind op te heffen.
De bewindvoerder verzoekt het bewind van de rechthebbende op te heffen.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:449, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het bewind kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
De rechthebbende is van mening dat zij geen lichamelijke of geestelijke toestand heeft als gevolg waarvan zij tijdelijk of duurzaam niet in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen. Ook is er volgens haar geen sprake van problematische schulden. De rechthebbende meent dan ook dat het bewind dient te worden opgeheven.
De bewindvoerder is het eens met de opheffing van het bewind, nu is gebleken dat de rechthebbende voldoende zelfredzaam is. Dit heeft de bewindvoerder geconcludeerd na gesprekken met de rechthebbende zelf, haar advocaat en haar begeleider.
De beoordeling door het hof
Voor de voortzetting van een bewind op grond van de lichamelijke/geestelijke toestand van de rechthebbende is vereist dat zij als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Naar het oordeel van het hof is hiervan niet gebleken.
Uit de stukken van het dossier komt naar voren dat de rechthebbende in 2022 samen met haar toenmalige partner onder bewind is gesteld wegens problematische schulden. In 2024 is de rechthebbende samen met haar dochter door haar toenmalige partner tegen haar wil vastgehouden in Afrika. Zij is in 2025 met haar dochter naar Nederland gevlucht en is in een Blijfgroep terecht gekomen. De rechthebbende heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank.
Zowel de rechthebbende als de bewindvoerder stellen dat de noodzaak voor het bewind ontbreekt. Doordat de communicatie tussen de rechthebbende en de bewindvoerder eerder via de ex-partner en de Blijfgroep verliep, had de bewindvoerder geen beeld van de zelfredzaamheid van de rechthebbende. Inmiddels is dat beeld wel verkregen en concludeert de bewindvoerder dat de rechthebbende voldoende zelfredzaam is.
Het hof heeft op basis van de stukken van het dossier geen aanwijzingen dat de rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Ook is niet gebleken van problematische schulden. Het hof is dan ook met de rechthebbende en de bewindvoerder van oordeel dat er geen noodzaak is voor voortzetting van het bewind. Dit brengt mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het bewind per heden zal opheffen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij na heden het bewind voortduurt over de goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] , geboren te [plaats] (Soedan) [in] 2001, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
heft op, met ingang van heden, het bewind over de goederen van [rechthebbende] ;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Amsterdam overlegt;
gelast de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, sectie kanton, in verband met aantekening in het centraal curatele- en bewindregister;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. A.V.T. de Bie en
mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op
27 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.