GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.365.796/01
zaaknummer rechtbank: C/15/370314/FA RK 25-5048
beschikking van de meervoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verweerder in het incident,
hierna: de vader,
advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verzoekster in het incident,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C.R. Hettema te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (14 jaar) en [minderjarige 2] (17 jaar). De rechtbank heeft op verzoek van de moeder een eerder tussen partijen gemaakte afspraak over de kinderalimentatie gewijzigd en bepaald dat de vader een hogere kinderalimentatie aan de moeder moet betalen. De vader is het daar niet mee eens. Hij wil dat dat het verzoek van de moeder tot wijziging van de kinderalimentatie alsnog wordt afgewezen. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.
2. De procedure in hoger beroep en in het incident
De vader is op 3 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
De moeder heeft op 11 mei 2026 een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft zij tevens een incidenteel verzoek als bedoeld in artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gedaan.
De vader heeft op 9 juni 2026 een verweerschrift in het incident ingediend.
Bij het hof zijn de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de vader van 26 augustus 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 augustus 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 27 augustus 2026 met bijlagen;
Op verzoek van het hof zijn verder nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 4 september 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2026 met bijlagen.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 2] de gelegenheid gegeven om schriftelijk te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
De zitting heeft op 7 september 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn [in] 2009 gehuwd. Hun huwelijk is op 23 mei 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2022 in de registers van de burgerlijke stand. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2009 in [plaats B] , en
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2012 in [plaats B] (hierna gezamenlijk: de kinderen). De kinderen wonen bij de moeder.
De ouders zijn na hun uiteengaan overeengekomen dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) van € 100,- per week aan de moeder zou betalen. Deze afspraak is neergelegd in een door de ouders op 31 maart 2022 ondertekend ouderschapsplan, dat aan voornoemde echtscheidingsbeschikking van 18 mei 2022 is gehecht en daarvan deel uitmaakt.
In 2023 hebben de ouders hun afspraken over de kinderalimentatie gewijzigd en zijn zij een nieuw ouderschapsplan overeengekomen. Zij hebben onder meer afgesproken dat de vader € 177,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder zou betalen. In het aangepaste ouderschapsplan is, voor zover nu van belang, het volgende opgenomen:
“ Kinderalimentatie
Het netto gezinsinkomen tijdens huwelijk bedroeg € 3.829. Dit is opgebouwd uit een netto maandinkomen aan kant van de vader van € 2.399 en een netto maandinkomen aan kant van de moeder van € 1.143 en kindgebondenbudget € 288.
De behoefte van de kinderen bedraagt dan ook volgens de gangbare tabellen (Nibud- en Trema) € 437 per maand per kind.
(…)
Partijen komen derhalve, de behoefte van de kinderen in aanmerking nemende en de draagkracht van beide ouders om in die behoefte te voorzien, nader overeen dat de vader met € 177 per maand per kind bijdraagt in de kosten voor verzorging en opvoeding van de kinderen in het huishouden van de moeder.
(…)
Indexering
De kinderalimentatie en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie worden jaarlijks verhoogd met het door de Minister van Justitie vastgestelde percentage, voor het eerst per 1 januari 2024. In overleg kan een grotere stijging worden afgesproken.
(…)
Herberekening
De ouders komen met elkaar overeen dat zij bij het zich voordoen van de volgende situaties, een herberekening van de kinderalimentatie en/of bijdrage in de kosten van het levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige kinderen kunnen laten uitvoeren.
(…)
• Indien het inkomen en/of draagkracht (met meer dan 15%) wijzigt.
(…).”
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 18 mei 2022 en het op 31 maart 2022 ondertekende ouderschapsplan in zoverre, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 606,- per maand met ingang van 13 maart 2025. Deze beslissing is gegeven op verzoek van de moeder. De vader is in deze procedure niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
in hoger beroep
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de moeder tot wijziging van de kinderalimentatie (alsnog) af te wijzen, althans een zodanige bijdrage vast te stellen met ingang van een datum die het hof in goede justitie juist acht.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de vader af te wijzen, dan wel de door de vader te betalen kinderalimentatie vast te stellen op een hoger bedrag dan de in 2022 overeengekomen en vastgestelde kinderalimentatie van € 100,- per week.
in het incident
Ter zitting bij het hof heeft de advocaat van de moeder desgevraagd aangegeven dat met het processtuk van 11 mei 2026 - anders dan de titel van het processtuk doet vermoeden - niet is beoogd incidenteel hoger beroep in te stellen. Het processtuk moet worden opgevat als een verweerschrift met daarin opgenomen een incidenteel verzoek om de vader te bevelen zijn aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2022 tot en met 2025 te overleggen.
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
in hoger beroep
Wijziging van omstandigheden
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Aan het hof ligt de vraag voor of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van voornoemde bepaling. Het hof constateert dat de rechtbank de tussen partijen in 2022 overeengekomen kinderalimentatie, zoals neergelegd in het op 31 maart 2022 ondertekende ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 18 mei 2022, heeft gewijzigd en de door de vader te betalen kinderalimentatie opnieuw heeft vastgesteld. In hoger beroep is echter gebleken dat de ouders de in 2022 gemaakte afspraak over de kinderalimentatie in 2023 herzien hebben. Zij zijn in dat jaar een nieuw ouderschapsplan overeengekomen, waarin is opgenomen dat de vader € 177,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder zou betalen. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd te kennen gegeven dat zij een wijziging beoogt van het tussen partijen in 2023 overeengekomen ouderschapsplan. Dit volgt ook uit het verweerschrift van de moeder in hoger beroep, waarin zij zich uitdrukkelijk beroept op de afspraken die zijn neergelegd in het ouderschapsplan dat de ouders in 2023 hebben opgesteld. Het hof begrijpt het (inleidend) verzoek van de moeder aldus dat zij wijziging verzoekt van de in 2023 tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie van € 177,- per kind per maand, zoals neergelegd in het aangepaste ouderschapsplan zoals hierboven onder 3.3 omschreven. Het hof zal hierna dan ook beoordelen of de in 2023 tussen de ouders gemaakte afspraak over de kinderalimentatie nadien door wijziging van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Voor zover hierna bedragen worden genoemd, zal het hof deze telkens afronden, tenzij anders vermeld. De door het hof gemaakte berekeningen in het kader van de kinderalimentatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken hiervan deel uit.
Volgens de vader is geen sprake van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Hij betwist de stelling van de moeder dat zijn inkomen na 2023 is gestegen. Daarnaast stelt hij af te lossen op diverse schulden, waardoor hij onvoldoende draagkracht heeft om meer kinderalimentatie te betalen dan in 2023 is overeengekomen.
De moeder blijft bij haar stelling dat het inkomen van de vader na 2023 is gestegen, waardoor hij meer kinderalimentatie kan betalen. Zij betwist het bestaan van de door de vader gestelde schulden, althans dat daarmee rekening moet worden gehouden in het kader van de door hem te betalen kinderlimenatie.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten tijde van het opstellen van het (tweede) ouderschapsplan en het berekenen van de kinderalimentatie in 2023 is uitgegaan van een bruto arbeidsinkomen aan de zijde van de vader van € 34.000,- per jaar en een netto besteedbaar inkomen van € 2.397,- per maand. Om te beoordelen of het inkomen van de vader nadien is gestegen, zal het hof hierna het netto besteedbaar inkomen van de vader berekenen in 2025, het jaar waarin de moeder om wijziging van de kinderalimentatie heeft verzocht.
De vader heeft een eenmanszaak, genaamd [X] . Omdat het exploiteren van een onderneming met zich brengt dat de resultaten van jaar tot jaar kunnen verschillen, zal het hof het netto besteedbaar inkomen van de vader in het jaar 2025 berekenen aan de hand van de gemiddelde winst uit onderneming over drie jaren. Uit de door de vader overgelegde fiscale rapporten volgt dat de winst over de jaren 2023 en 2024 respectievelijk € 51.358,- en € 51.306,- bedroeg. De winst over 2025 bedroeg € 37.096,-, zo blijkt uit de overgelegde jaarrekening. De gemiddelde winst over deze drie jaren bedroeg aldus € 46.587,- waaruit een netto besteedbaar inkomen volgt van € 3.214,- per maand. Het hof zal aan de hand van dit gemiddelde inkomen bezien of er sprake is van een wijziging van omstandigheden.
Voor zover de moeder stelt dat de genoemde jaarcijfers van de vader niet tot uitgangspunt kunnen worden genomen, omdat deze niet controleerbaar zijn, gaat het hof daaraan voorbij. De vader heeft voor de jaren 2023 en 2024 brieven van zijn boekhouder overgelegd, met daarin een bevestiging dat de aangifte over het betreffende jaar is gedaan en een uitdraai van de specificatie van de aangifte (productie M). Bovendien stroken de bedragen uit deze aangiften met de bedragen in de door de vader overgelegde IB-aanslagen over de jaren 2023 en 2024. Het hof ziet geen aanleiding om aan de cijfers van de vader, zoals opgenomen in de stukken van de boekhouder, te twijfelen. Ten aanzien van het jaar 2025 is gebleken dat de IB-aangifte en -aanslag nog niet bekend zijn, om welke reden het hof voor dat jaar uitgaat van de winst uit onderneming zoals volgt uit de overgelegde jaarrekening.
Verder gaat het hof ook voorbij aan de overige stellingen van de moeder over het inkomen van de vader, gelet op de door de vader overgelegde stukken en zijn toelichting hierop ter zitting in hoger beroep. De moeder heeft haar standpunt dat van een hoger inkomen dient te worden uitgegaan derhalve niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Het hof concludeert dat het netto besteedbaar inkomen van de vader in 2025 (€ 3.214,- per maand), aanzienlijk is gestegen ten opzichte van het netto besteedbaar inkomen op basis waarvan de kinderalimentatie in 2023 (€ 2.397,- per maand) is berekend. Het hof ziet hierin aanleiding een herberekening te maken om te bezien wat de gevolgen van de inkomensstijging zijn voor de door de vader te betalen kinderalimentatie, mede gelet op de afspraak van partijen hierover in het in 2023 overeengekomen ouderschapsplan.
Ingangsdatum
Het hof zal de kinderalimentatie opnieuw berekenen met ingang van 2 oktober 2025, de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift van de moeder bij de rechtbank, omdat de vader in ieder geval vanaf toen rekening kon houden met een eventuele wijziging van de kinderalimentatie.
Behoefte kinderen
In het in 2023 overeengekomen ouderschapsplan is de behoefte van de kinderen vastgesteld op € 437,- per kind per maand. Ter zitting in hoger beroep hebben partijen te kennen geven dat van deze behoefte uitgegaan dient te worden. De behoefte bedraagt, na indexatie, in 2025 € 494,- per kind per maand en € 988,- per maand voor de kinderen gezamenlijk.
Draagkracht moeder
De moeder ontvangt een WIA-uitkering. Uit de jaaropgave over 2025 blijkt dat haar uitkering in dat jaar € 21.409,- bedroeg. Uit de aan deze beschikking gehechte berekening blijkt dat hieruit een draagkracht volgt van € 180,- per maand. Het hof zal van deze draagkracht uitgaan.
Draagkracht vader
Het hof zal de draagkracht van de vader vaststellen aan de hand van het gemiddelde bedrijfsresultaat van zijn eenmanszaak over de jaren 2023, 2024 en 2025 en verwijst in dit kader naar hetgeen hierboven onder 5.4 is overwogen.
Daarnaast zal het hof rekening houden met een aflossing van € 315,- per maand op een schuld van de vader aan de Belastingdienst. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het bestaan van de schuld en de aflossing hierop door de vader naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan, terwijl er geen aanleiding is om aan te nemen dat de schuld vermijdbaar of verwijtbaar is. Rekening houdend met deze aflossing berekent het hof het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen op € 438,- per maand. Het hof zal niet verder ingaan op de overige door de vader gestelde schulden, omdat reeds op grond van deze uitgangspunten kan worden geconcludeerd (zie hierna onder 5.11) dat geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van de ouders samen is (€ 180 + € 438 =) € 618,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van in totaal € 988,- per maand te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven en de vader in beginsel zijn gehele beschikbare draagkracht van € 438,- per maand dient bij te dragen in de kosten van de kinderen.
Zorgkorting
De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Gebleken is dat de kinderen al geruime tijd om het weekend bij de vader verblijven alsmede ieder jaar de helft van de zomervakantie en afwisselend de herfst- en de voorjaarsvakantie. Daarnaast verblijft [de vader] ook nog om de week een dag bij de vader. Gelet op deze zorgregeling gaat het hof uit van een zorgkorting van 25%, wat neerkomt op een bedrag van (0,25 x € 988 =) € 247,- per maand.
Nu de ouders samen onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort gelijkelijk tussen hen verdeeld en wordt het aan de vader toerekenbare deel van dat tekort in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt in mindering gebracht op het aandeel van de vader in de behoefte van de kinderen.
Het tekort bedraagt (€ 988 -/- € 618 =) € 370,- per maand, waarvan de helft aan de vader wordt toegerekend en in mindering wordt gebracht op de zorgkorting van € 247,- per maand. Er blijft dan nog een bedrag aan zorgkorting over van (€ 247 -/- € 185 =) € 62,- per maand, welk bedrag in mindering dient te worden gebracht op het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen. Het hof komt zo tot een resterende draagkracht van de vader van (€ 438 -/- € 62=) € 376,- per maand, aldus € 188,- per kind per maand.
Conclusie
Uit bovenstaande berekening volgt dat vader met ingang van 2 oktober 2025 € 188,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder zou moeten betalen. Deze bijdrage is lager dan de bijdrage die de vader in 2025 dient te betalen op grond van het in 2023 overeenkomen ouderschapsplan. De afgesproken bijdrage van € 177,- per kind per maand dient immers met ingang van 1 januari 2024 geïndexeerd te worden, zoals de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen en bovendien volgt uit de wet (artikel 1:402a lid 1 BW). Geïndexeerd per 1 januari 2025 bedroeg de in 2023 overeengekomen kinderalimentatie € 200,- per kind per maand.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat niet gebleken is dat de in 2023 tussen de ouders gemaakte afspraak over de kinderalimentatie in 2025 door een wijziging van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het hof gaat ervan uit dat dit in 2026 niet anders zal zijn, aangezien niet gesteld en/of gebleken is dat de financiële situatie van de ouders in 2026 aanzienlijk is veranderd ten opzichte van 2025. Er is dus geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW.
Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en het verzoek van de moeder tot wijziging van de door de vader aan haar te betalen kinderalimentatie alsnog afwijzen. Dit betekent dat de in 2023 tussen de ouders gemaakte afspraak over de kinderalimentatie herleeft.
in het incident
De moeder verzoekt op grond van artikel 195 Rv de vader te bevelen zijn aangiften en aanslagen inkomstenbelasting van de jaren 2022 tot en met 2025 te overleggen. Het hof heeft geconstateerd dat deze stukken voorafgaand aan de zitting bij het hof in het geding zijn gebracht voor zover het de jaren 2022, 2023 en 2024 betreft. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat niet de daadwerkelijke aangiftes in het geding zijn gebracht, maar alleen een fiscaal rapport van de boekhouder. In dit kader verwijst het hof naar hetgeen hierboven onder 5.4 reeds is overwogen.
Verder is voldoende gebleken dat de IB-aangifte en -aanslag over 2025 nog niet bekend zijn, waardoor de vader deze ook niet in het geding kan brengen.
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de moeder afwijzen.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
in hoger beroep
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst af het inleidend verzoek van de moeder tot wijziging van de door de vader aan haar te betalen kinderalimentatie;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
in het incident
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. J.M. van Baardewijk en mr. S.E. Landheer, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 27 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.