Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 januari 2026.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkend tot
niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De raadsvrouw heeft per e-mailbericht van 27 januari 2026 en ter terechtzitting in hoger beroep op
28 januari 2026 namens de verdachte te kennen gegeven dat hij zijn oorspronkelijke bezwaren tegen het vonnis niet langer wenst te handhaven en dat hij het hof verzoekt hem in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De advocaat-generaal heeft het hof per e-mailbericht van 27 januari 2026 geïnformeerd dat zij zich niet zal verzetten tegen het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in hoger beroep.
Nu het hof overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak heeft het hof op 27 januari 2026 per e-mailbericht op voorhand aan partijen bericht dat het hof voornemens is de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep.
Gelet op bovenstaande, en gehoord de advocaat-generaal, wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. E.J Hofstee en mr. A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
28 januari 2026.
Mrs. E.J. Hofstee, A.M.A. Keulen en L.C. de Groot zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.