Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
28 januari 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 11 april 2021 te Purmerend in de gemeente Purmerend, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering krachtens artikel 23 lid 1 van de Wet op de economische delicten althans krachtens enig voorschrift van de Wet op de economische delicten gedaan door [verbalisant] , hoofdagent bij de eenheid Noord-Holland, namelijk in het belang van de opsporing, met het oog op de naleving van de voorschriften bedoeld in artikel 1 en/of 1a van de Wet economische delicten, onderzoeken van een vervoermiddel, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.
De raadsman refereert zich, voor wat betreft de bewezenverklaring, aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof maakt uit het dossier op dat een opsporingsambtenaar vermoedde dat de verdachte lachgas vervoerde en daarom in zijn voertuig wilde kijken. Omdat dit zonder medewerking van de verdachte niet lukte, heeft hij de verdachte gevorderd mee te werken aan de controle en (in dat kader) de laadruimte te openen. De verdachte heeft geweigerd hieraan mee te werken.
In artikel 23 Wet op de economische delicten (hierna: WED) is het volgende opgenomen:
lid 1
De opsporingsambtenaren zijn bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen te onderzoeken met het oog op de naleving van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
lid 2
Zij zijn bevoegd in het belang van de opsporing vervoermiddelen waarmee naar hun redelijk oordeel zaken worden vervoerd op hun lading te onderzoeken met het oog op de naleving van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 1 en 1a, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.
In artikel 24a lid 1 WED staat:
Een ieder is verplicht aan de opsporingsambtenaren binnen de door hen gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening van de hen krachtens deze titel toekomende bevoegdheden.
In Artikel 26 WED staat:
Het opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens enig voorschrift van deze wet gedaan door een opsporingsambtenaar, is een economisch delict.
De tenlastelegging lijkt te zijn toegespitst op een vordering krachtens artikel 23 lid 1 WED. Dit artikel, zoals hierboven opgenomen, ziet echter op de bevoegdheid van opsporingsambtenaren om een vervoermiddel te onderzoeken en niet op een bevoegdheid om van een ieder medewerking te vorderen.
Het hof stelt vast dat de opsporingsambtenaar, gelet op het bepaalde in artikel 24a lid 1 WED jo. artikel 23 lid 2 WED, wel bevoegd was deze vordering te doen. Nu die artikelen niet specifiek zijn opgenomen in de tenlastelegging, zal het hof (slechts) bewezen verklaren dat de verdachte niet heeft voldaan aan een vordering gegeven ‘krachtens enig voorschrift van de WED’.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 april 2021 te Purmerend, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering krachtens enig voorschrift van de Wet op de economische delicten gedaan door [verbalisant] , hoofdagent bij de eenheid Noord-Holland, in het belang van het onderzoeken van een vervoermiddel;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens enig voorschrift van de Wet op de economische delicten gedaan door een opsporingsambtenaar.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en een voorwaardelijke gevangenisstraf te overwegen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft niet voldaan aan een vordering van een opsporingsambtenaar. Door deze handelwijze heeft de verdachte inbreuk gemaakt op een voorschrift dat onder andere strekt tot controle op het transport van gevaarlijke stoffen.
In artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gewaarborgd het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan de verdachte aanspraak maken op een berechting binnen een redelijke termijn vanaf het moment waarop sprake is van een 'criminal charge'.
Het hof stelt vast dat op 16 augustus 2023 hoger beroep is ingesteld en het hof uitspraak doet op 11 februari 2026. In hoger beroep is de redelijke termijn derhalve met zes maanden overschreden. Gelet op de omstandigheid dat aan de verdachte een geldboete van minder dan € 1.000,00 wordt opgelegd, zal het hof evenwel volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 500,00 passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 1a, 2, 6, 23, 24a en 26 van de Wet op de economische delicten.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. J.J. Roos en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2026.
=========================================================================
[…]