Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Omvang van en ontvankelijkheid in het hoger beroep
Het hof gaat voor het ten laste gelegde uit van een impliciet cumulatieve tenlastelegging met betrekking tot de verschillende gedachtestreepjes. Ter zake van het eerste, tweede, vierde, zevende, achtste, negende, tiende, twaalfde en veertiende gedachtestreepje is de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken.
Openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Per appelschriftuur van 12 april 2022 heeft het openbaar ministerie laten weten dat het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van de voorbereidingshandelingen met betrekking tot de in- en uitvoer van cocaïne en de opgelegde straf. In een e-mail van 31 december 2025 heeft de advocaat-generaal medegedeeld het hoger beroep ten aanzien van de in- en uitvoer van cocaïne niet meer te handhaven. Dat betekent dat het appel zich in hoger beroep nog slechts richt tegen de door de rechtbank opgelegde straf.
Ontvankelijkheid verdachte
Namens de verdachte is tegen het vonnis van de rechtbank van 15 maart 2022 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Derhalve is het hoger beroep gericht tegen de gehele tenlastelegging.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen vrijspraken geen hoger beroep open. Het hof zal op grond van het bovenstaande de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de voor het eerste, tweede, vierde, zevende, achtste, negende, tiende, twaalfde en veertiende gedachtestreepje gegeven partiële vrijspraken.
Nu het openbaar ministerie het hoger beroep tegen de in- en uitvoer van cocaïne niet meer handhaaft, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv en het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren, ten aanzien van de voor het eerste, tweede, vierde, zevende, achtste, negende, tiende, twaalfde en veertiende gedachtestreepje gegeven partiële vrijspraken, aangezien ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig nader onderzoek van dat feit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is, voor zover hij daarvan niet door de rechtbank is vrijgesproken, tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van september 2020 tot en met 15 november 2021 te Amsterdam en/of Leimuiden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een of meer feit (en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk vervaardigen van cocaïne en/of methamfetamine en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door (met zijn mededader(s));
- diverse gesprekken te voeren met een of meer van zijn mededader (s) en/of andere perso(o)n(en) met betrekking tot het opzetten van een lab, bestemd voor de productie van crystal meth en/of (andere) synthetische (verdovende) middelen (als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet) en/of de productie van crystal meth en/of andere synthetische verdovende middelen (als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet) en/of
- diverse goederen/onderdelen, nodig voor het opzetten van dat -lab, waaronder een vacuüm pomp en/of een cryogene cooler en/of een circulatiepomp en/of een glazenreactoropstelling te bestellen en/of naar de (beoogde) locatie (s) van het op te zetten lab te brengen en/of aldaar te bewaren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte op de hoogte was van de materialen die zich in de palletkisten bevonden, dat deze geschikt zijn voor een lab om methamfetamine te maken uit efedrine en dit ook kan worden afgeleid uit de opgenomen telefoongesprekken.
Vrijspraak
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat in het dossier bewijsmiddelen ontbreken die erop zouden duiden dat de verdachte methamfetamine zou gaan produceren uit efedrine. Er wordt nergens gesproken over methamfetamine. De verdachte heeft daarbij zelf aangevoerd dat hij een poging heeft gedaan tot het produceren van efedrine dan wel informatie heeft verzameld voor de productie van ketamine, maar dat het maken van methamfetamine nooit ter sprake is gekomen.
Het staat vast dat bij de inval van [adres 2] materialen zijn aangetroffen die geschikt zijn om een laboratoriumopstelling te maken. Een LFO-medewerker heeft aangegeven dat deze opstelling/materialen (zeer) geschikt zijn voor het vervaardigen van ‘crystal meth’ en ketamine.
Het dossier bevat verschillende processtukken – waaronder een OVC-gesprek van 15 januari 2021, het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het document [bestand] en het OVC-gesprek van 2 juni 2021 – waarin wordt gesproken over de vervaardiging van efedrine dan wel ketamine, maar daaruit valt niet de intentie van de verdachte af te leiden dat de voorbereidingen die werden gedaan voor de bouw van het laboratorium, gericht waren op de vervaardiging van methamfetamine.
Met de raadsman is het hof daarom van oordeel dat niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid gezegd kan worden dat bij de verdachte sprake is geweest van voorbereidingshandelingen die zien op de vervaardiging van methamfetamine. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
De verdachte is in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren. De tenuitvoerlegging van deze straf is door Nederland overgenomen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat er gronden waren om de straf om te zetten naar een gevangenisstraf van 10 jaren (parketnummer 13-054670-18). Op 15 maart 2018 heeft de minister van Justitie en Veiligheid een erkenningsbeslissing genomen, inhoudende de tenuitvoerlegging van deze straf.
De veroordeelde is krachtens een besluit van 8 december 2020 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend per 7 januari 2021. De proeftijd besloeg een periode van 1217 dagen.
Naar aanleiding van het tenlastegelegde heeft de officier van justitie op 28 december 2021 een schriftelijke vordering ingediend, strekkend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 1217 dagen omdat de verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.
De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is ook in hoger beroep aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op de vordering dezelfde beslissing dient te worden genomen als de rechtbank heeft gedaan.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling primair dient te worden afgewezen en de proeftijd moet worden verlengd, subsidiair een gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling dient te worden toegewezen dan wel in plaats van de gevangenisstraf een taakstraf wordt opgelegd.
Nu het hof de verdachte vrijspreekt van het tenlastegelegde, zal het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de voor het eerste, tweede, vierde, zevende, achtste, negende, tiende, twaalfde en veertiende gedachtestreepje gegeven partiële vrijspraken.
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de voor het eerste, tweede, vierde, zevende, achtste, negende, tiende, twaalfde en veertiende gedachtestreepje gegeven partiële vrijspraken.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. P. Greve en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. C. van der Laan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2026.
Mr. De Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]