afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001526-22
datum uitspraak: 10 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 23 mei 2022 (waaronder begrepen het herstelvonnis van dezelfde datum) in de strafzaak onder de parketnummers 15-141269-19 en 23-000554-17 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
27 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar-ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 en 3 ten laste is gelegd.
Door de verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken voor feiten 2 en 3.
De officier van justitie heeft eveneens onbeperkt hoger beroep ingesteld. Per e-mailbericht van
26 januari 2026 heeft de advocaat-generaal echter te kennen gegeven dat de grieven ten aanzien van de vrijspraken voor feiten 2 en 3 niet langer gehandhaafd worden.
Het hof zal, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met de behandeling van deze feiten in hoger beroep, ook de officier van justitie - gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de vrijspraken voor feiten 2 en 3.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 5 juni 2019 te Heerhugowaard , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer (grote) hoeveelheden middelen (elk) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten (onder meer):
- ( een) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ( een) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA en/of
- ( een) (grote) hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en/of
zijnde cocaïne en/of MDMA en/of heroïne elk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
1. subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 05 maart 2018 tot en met 05 juni 2019 te Heerhugowaard en/of Zeist en/of Purmerend en/of Hem en/of Heiloo en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, uitvoeren, bereiden bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en/of een of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, (elk) zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, /of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,
hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) en/of anderen (onder meer) daartoe:
- voorhanden een of meer (grote) hoeveelheden cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, althans een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of
- voorhanden versnijdingsmateriaal en/of
- een loods (te weten [adres 2] ) (laten) huren en het bijbehorende terrein voor die loods (behorende bij het perceel aan de [adres 2] ) en/of
- een huurovereenkomst (laten) ondertekenen en/of (laten) aangegaan (van de [adres 2] ) en/of
- de loodsopening van deze loods verhoogd (zodat opleggers naar binnen kunnen) en/of
- een of meer (contante) geldbedragen (huurpenningen voor de [adres 2] ) (ter hoogte van te weten: (telkens) (ongeveer) 1.500,00 euro) ontvangen en/of verstrekt en/of
- een loods (te weten: [adres 3] ) en het bijbehorende terrein voor die loods (behorende bij het perceel aan de [adres 3] ) (laten) huren en/of
- een huurovereenkomst (laten) ondertekenen en/of (laten) aangegaan (van de [adres 2] ) en/of
- een of meer (contante) geldbedragen (huurpenningen voor de [adres 3] ) (ter hoogte van te weten: (telkens) (ongeveer) 2.426,05 euro) ontvangen en/of verstrekt en/of
- ter beschikking gesteld en/of voorhanden een oplegger (met kenteken [kenteken 1] ) (met verborgen ruimten) en/of
- voorhanden een oplegger (met kenteken onbekend) (met verborgen ruimten) en/of
- voorhanden een truck (zogenaamde trekker) (met kenteken [kenteken 2] ) en/of
- voorhanden (twee) blenders en/of
- voorhanden (vier) brandblussers (met verborgen ruimte) en/of
- voorhanden vacuumeerapparaten en/of
- voorhanden (tuin)meubels (in de loods aan de [adres 3] en [adres 2] ) (en daarmee bonafide handel te veinzen) en/of
- voorhanden tassen en/of verpakkingsmateriaal en/of
- voorhanden een of meer PGP-telefoons;
4. 4.hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 06 januari 2018 tot en met 23 april 2019 te Purmerend en/of Landsmeer, althans (telkens) in Nederland, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad en/of gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste geschriften, te weten:
de (bedrijfs)administratie van “ [bedrijf] ” – zijnde die (bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en) (bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen), bestaande die valsheid hierin dat aan die (bedrijfs)administratie (valse) facturen zijn toegevoegd (onder meer, te weten:
- factuur “nummer 00002”, datum 06-01-2018 en/of
- factuur “nummer 00050”, datum 15-06-2018 en/of
- factuur “nummer 00078”, datum 21-09-2018 en/of
- factuur “nummer 00093”, datum 27-11-2018 en/of
- factuur “nummer 00097”, datum 04-01-2019 en/of
- factuur “nummer 00134 ”, datum 23-04-2019),
terwijl die (valse) facturen (ieder) zijn voorzien van (onder meer) (valse) naam- en adresgegevens (van de opdrachtgevers) en/of valse (gefactureerde) werkzaamheden, bestaande het afleveren en/of voorhanden hebben en/of gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemd facturen heeft toegevoegd aan zijn (bedrijfs)administratie en vervolgens die (bedrijfs)administratie heeft aangeboden aan zijn boekhouder, althans aan een of meer derde(n), terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit geschrift(en) bestemd is voor zodanig gebruik;
5. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 05 maart 2017 tot en met 05 juni 2019 te Purmerend en/of Hem , gemeente Drechterland, althans (telkens) in Nederland, een of meer voorwerpen te weten:
- ( telkens) een giraal geldbedrag (te weten: huurpenningen voor de [adres 2] , ter hoogte van te weten: (telkens) (ongeveer) 1.500,00 euro) (telkens) contant gestort en/of
- een zogenaamde "quad" (kenteken te weten: [kenteken 3] ) aangekocht met een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 2.000,00 euro, en/of
- een zogenaamde "quad" (kenteken te weten: [kenteken 4] ) aangekocht met een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 5.000,00 euro, en/of
- een zogenaamde "trike" (kenteken te weten [kenteken 5] ) aangekocht met een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 2.750,00 euro, en/of
- een motorfiets (merk te weten: Kawasaki, kenteken te weten [kenteken 6] ) aangekocht met een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 8.300,00, en/of
- door met een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 1.000,00 euro een crossmotorfiets (merk te weten: KTM, zonder kenteken) te kopen,
- een crossmotorfiets (merk te weten: KTM, zonder kenteken) aangekocht met een (contact) geldbedrag van (ongeveer) 1.000.00 euro,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of van een (of meer) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van die/dat voorwerp(en) heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) of die/dat voorwerp(en) was/waren en of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis (inclusief herstelvonnis) waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft, overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 4 en 5 tenlastegelegde feiten.
Ten aanzien van feit 5 heeft de advocaat-generaal zich aangesloten bij de door de rechtbank gegeven (partiële) vrijspraken voor het tweede tot en met het zesde gedachtestreepje in de tenlastelegging. Voor de objecten in het eerste en het zevende gedachtestreepje heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de tenlastegelegde witwashandelingen heeft verricht zoals door de rechtbank bewezen is verklaard, met uitzondering van het “omzetten” en het “verhullen van de aard”.
De verdediging heeft de bewezenverklaring van feit 4 en de (partiële) bewezenverklaring van feit 5 niet bestreden – in zoverre heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat geen sprake is van enige betrokkenheid van de verdachte bij de drugs die zijn aangetroffen in de loods aan de [adres 3] . De verdachte erkent dat hij meermalen bij de loods aan de [adres 3] is geweest, zo ook op de dag van de instap, maar hij was daar voor het inkopen van meubels. Uit het dossier blijkt volgens de verdediging niet dat de verdachte wetenschap dan wel beschikkingsmacht heeft gehad over de drugs die in de opleggers zijn aangetroffen. Nu van enige betrokkenheid van de verdachte bij de aangetroffen drugs niet is gebleken, dient hij volgens de raadsman te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 ten laste is gelegd.
Oordeel van het hof
Vrijspraak feit 1
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder feit 1 primair en subsidiair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt in dat verband het volgende.
Feit 1 primair (aanwezig hebben drugs)
Onder feit 1 primair wordt de verdachte het verwijt gemaakt dat hij op 5 juni 2019 samen met anderen opzettelijk grote hoeveelheden harddrugs heeft bereid, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, in de loods aan de [adres 3] . Met de rechtbank, het openbaar ministerie en de verdediging stelt het hof vast dat het dossier geen bewijs bevat dat op of omstreeks de in de tenlastelegging genoemde datum sprake is geweest van het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van (grote hoeveelheden) harddrugs, zodat het hof zich zal beperken tot de beoordeling van de vraag of de verdachte deze verdovende middelen op die datum opzettelijk aanwezig heeft gehad. Het debat op de zitting heeft zich ook op die vraag toegespitst.
Juridisch kader
Voor het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen hoeft niet te worden vastgesteld van wie deze middelen zijn. Evenmin is vereist dat bij de verdachte sprake is van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. Wel is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat deze zich in zijn machtssfeer bevinden. Voor de vereiste wetenschap geldt dat daaronder ook bewustheid van de aanmerkelijke kans dat die middelen in een bepaalde ruimte aanwezig zijn, kan worden geschaard.
Vaststellingen
Op grond van het dossier en wat er op zitting is besproken, stelt het hof het volgende vast.
Naar aanleiding van een melding op 5 juni 2019 hebben op die datum en de dag daarna doorzoekingen plaatsgevonden in een loods aan de [adres 3] . In de loods zijn twee opleggers aangetroffen met daarin 192,9 kilogram cocaïne, 14.038 XTC-pillen en ruim 4 kilo heroïne. Een deel van de drugs bevond zich in een verborgen ruimte in de vloer, op een paktafel en in een tas in de met twee hangsloten afgesloten oplegger (oplegger 1) en een deel bevond zich in een verborgen ruimte (deur) van de gesloten, maar niet afgesloten oplegger (oplegger 2). De sleutels van de hangsloten waarmee oplegger 1 was afgesloten lagen enigszins verborgen in de loods; één in een holle ruimte op de vloer onder een tafel achterin de loods en de andere op een rand van de buitenmuur ter hoogte van de achterzijde van oplegger 1, zijnde de oplegger die het meest achterin de loods stond. De sleutels lagen daarmee in ieder geval niet in het volle zicht.
Naast de twee opleggers stond in de open ruimte van de loods een grote hoeveelheid houten (tuin)meubels. Op één van de houten (tuin)tafels lag gereedschap en aanverwante artikelen en stond een vuilniszak met daarin onder meer mondkapjes.
De verdachte is – ook naar eigen zeggen – meermalen in deze loods aan de [adres 3] geweest, zo ook op 5 juni 2019, de dag dat de politie is binnengetreden. Verder is gebleken dat de verdachte bij of in de loods contact heeft gehad met de inmiddels veroordeelde [persoon 1] .
Op 2 juli 2019 is de politie binnengetreden in een loods aan de [adres 2]. Deze loods werd met ingang van maart 2019 gehuurd door de verdachte, op naam van een door hem in november 2018 opgericht klusbedrijf (eenmanszaak). In deze loods zijn onder meer houten (tuin)meubels, een werkbank met een decoupeerzaag en een handzaag aangetroffen. Het viel de verbalisanten op dat daar relatief veel nieuwe meubels stonden, soms met prijskaartje eraan, dat er bijna geen zaagsel of afval lag en dat er nagenoeg geen houtbewerkingsgereedschap aanwezig was.
De facturen namens zijn klusbedrijf zijn, zo heeft de verdachte verklaard, valselijk door hem opgemaakt.
Verklaringen van de verdachte
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij in 2017 in het uitgaansleven in Amsterdam ene ‘ [persoon 2] ’ heeft ontmoet, waarmee hij een aantal keer heeft gesproken. [persoon 2] wilde een oplegger stallen en vroeg de verdachte een bedrijf op te richten en een loods voor [persoon 2] te huren waar hij die oplegger zou kunnen stallen. De verdachte is op die verzoeken ingegaan. Hij heeft op
20 november 2017 een fictief klusbedrijf opgericht, is op zoek gegaan naar een loods en heeft vanaf maart 2018 de loods aan de [adres 2] gehuurd. In ruil voor dit alles ontving de verdachte van [persoon 2] € 3.000,00 contant per maand. De helft van dit bedrag was bedoeld voor het betalen van de huur en andere vaste lasten ten aanzien van de loods. De rest was een vergoeding die de verdachte zelf mocht houden.
De verdachte stelde op naam van het klusbedrijf gefingeerde facturen op, liet daarmee boekhouding voeren en betaalde omzetbelasting. In de loods aan de [adres 2] werd, volgens de verdachte, tot
april 2019 een oplegger van [persoon 2] gestald. Daarnaast gebruikte de verdachte de loods voor de opslag en het opknappen van (tuin)meubels. De verdachte heeft samen met [persoon 2] de ingang van de loods aan de [adres 2] verhoogd zodat de oplegger daar doorheen kon. De oplegger moest er soms uit en kwam meestal kort daarna weer terug. De verdachte moest dan komen om de deur van de loods te openen. De verdachte heeft geen contactgegevens van [persoon 2] , maar communiceerde met hem via een telefoon die hij van [persoon 2] had gekregen. Kort na de doorzoeking in de loods aan de [adres 3] heeft de verdachte in opdracht van [persoon 2] die telefoon weggegooid.
Verder heeft de verdachte verklaard dat hij tussen de zes en tien keer bij en in de loods in de [adres 3] is geweest, steeds voor het inkopen van meubels. De verdachte wilde immers zijn eigen meubelhandel starten en [persoon 2] had hem gezegd dat hij meubels bij hem kon kopen in de loods aan de [adres 3] . Van die loods had de verdachte geen sleutel, hij kon alleen naar binnen als iemand de loods voor hem ontsloot. Soms was hij daar met [persoon 2] en soms met [persoon 1] , soms ook met ‘ [persoon 3] ’ (vermoedelijk de huurder van de loods aan de [adres 3] , [persoon 3] ). De meubels die de verdachte kocht, sloeg hij op en knapte hij op in zijn loods aan de [adres 2] . Ook op 5 juni 2019 was de verdachte naar eigen zeggen bij de [adres 3] om meubels te bekijken en eventueel te kopen. Op die dag was er echter niets dat hem beviel, zodat hij zonder meubels weer is vertrokken. De verdachte stelt dat hij geen weet heeft gehad van de drugs die in de opleggers in die loods zijn aangetroffen.
In april 2019 zou de verdachte tegen [persoon 2] hebben gezegd dat hij wilde stoppen met het (fictieve) klusbedrijf en de stalling van de trailer voor [persoon 2] , omdat hij zich wilde richten op het zelf maken en verkopen van meubels. In april 2019 zou de oplegger definitief uit de loods aan de [adres 2] zijn weggehaald. In overleg met [persoon 2] heeft de verdachte de huur van de loods aan de [adres 2] opgezegd, ergens begin juni 2019, maar niet vanwege de inval in die loods. De verdachte heeft verklaard dat hij de huur wilde opzeggen, omdat hij wegens de kosten een kleinere werkplaats wilde huren voor het opstarten van zijn meubelproductie en -handel. Over de geconstateerde nieuwheid van de aangetroffen (tuin)meubels en de lage prijs waarvoor de verdachte die kon kopen heeft de verdachte verklaard dat hij dacht dat deze misschien van diefstal afkomstig waren.
Oordeel van het hof
Op grond van de hiervoor weergegeven vaststellingen en de overige inhoud van het dossier kan naar het oordeel van het hof niet bewezen worden dat de verdachte op of omstreeks 5 juni 2019 wetenschap heeft gehad van de in de opleggers aangetroffen drugs. Dat de verdachte meermalen in de loods is geweest, ook op de dag van de doorzoeking, is daartoe niet voldoende. De aangetroffen drugs lagen in een afgesloten oplegger, waarvan de sleutels op niet zichtbare plekken in de loods (enigszins) verborgen lagen, en in een verborgen ruimte van een tweede oplegger. De drugs (of andere voorwerpen die daarmee in verband kunnen worden gebracht) waren in de loods, buiten de opleggers, dus niet zichtbaar. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte in die opleggers is geweest. Forensisch of ander bewijs dat de verdachte in de opleggers is geweest, ontbreekt. Ook overigens blijkt uit het dossier niet dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de handel in of het voorhanden hebben van drugs. Dat de verdachte bij de loods contacten heeft gehad met (de inmiddels veroordeelde) [persoon 1] en [persoon 3] is, zonder bijkomende informatie over de aard en inhoud van die contacten, niet redengevend.
De bewezenverklaring van de rechtbank is in belangrijke mate gestoeld op de verklaringen die zijn afgelegd door de anonieme melder, in het bijzonder op de door hem bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. Het hof constateert echter dat de door de melder afgelegde verklaringen diverse onduidelijkheden bevatten en niet een zodanig beeld geven van de gang van zaken op 5 juni 2019 en eerdere momenten waarop de verdachte bij de loods aanwezig is geweest, dat daaruit buiten redelijke twijfel kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap van de aanwezigheid van de drugs had. Bovendien dient terughoudend te worden omgegaan met de weging van de latere verklaring van de melder bij de rechter-commissaris op detailniveau, nu hij toen het voorbehoud heeft gemaakt dat hij niet durft te zeggen dat zijn verklaring honderd procent accuraat is. Het bewijsminimum dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de drugs wordt al met al niet gehaald. Dat de verklaringen van de verdachte veelal niet te verifiëren en soms ronduit ongeloofwaardig zijn, is onvoldoende om tot een veroordeling te komen. Net als de rechtbank en de advocaat-generaal heeft het hof sterke twijfels bij de verklaringen van de verdachte. Bewijsmiddelen die de verdachte in verband – in de zin van wetenschap – brengen met de aangetroffen drugs en die schreeuwen om een ontzenuwende verklaring van de verdachte, ontbreken evenwel.
Evenals de officier van justitie in eerste aanleg heeft de advocaat-generaal betoogd dat de beschreven niet-verifieerbare en/of ongeloofwaardige verklaringen van de verdachte, tegenover de hem belastende feiten en omstandigheden, maken dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Waar het in dit geval gaat om de positieve vaststelling van wetenschap bij de verdachte schiet deze bewijsredenering naar het oordeel van het hof tekort.
Feit 1 subsidiair (voorbereidingshandelingen drugs)
Uit het voorgaande volgt dat ook niet bewezen kan worden hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd. Op grond van het dossier kan immers niet worden vastgesteld dat de verdachte met de huur van de loods aan de [adres 2] , het oprichten van een klusbedrijf met gefingeerde bedrijfsvoering en het aanwezig zijn bij de loods aan de [adres 3] , opzet heeft gehad op het voorbereiden of bevorderen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 of lid 5 van de Opiumwet.
De conclusie is dan ook dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de hem onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.
Bewijsoverweging feiten 4 en 5
Feit 4 (valsheid in geschrift)
Gelet op het dossier en de bekennende verklaring van de verdachte, acht het hof wettig en overtuigend bewezen hetgeen hem onder 4 ten laste is gelegd. Nu dit in overeenstemming is met de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging en er ook overigens geen belang is dat daartoe noopt, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.
Feit 5 (witwassen)
Met de rechtbank en partijen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de huurpenningen die de verdachte betaalde voor de loods aan de [adres 2] (eerste gedachtestreepje) en van de door hem (contant) betaalde KTM-crossmotorfiets (zevende gedachtestreepje). De verdachte heeft immers verklaard dat hij de huurpenningen (telkens) giraal heeft betaald met geldbedragen die hij eerst contant stortte op de bankrekening van zijn klusbedrijf. De crossmotor heeft hij contant betaald. Van deze contanten heeft hij verklaard die van ‘ [persoon 2] ’ te hebben ontvangen en dat het voorstel van [persoon 2] ‘te mooi om waar te zijn was’. Ook heeft de verdachte verklaard te hebben gedacht dat de nagenoeg nieuwe tuinmeubels die hij voor een zeer lage prijs van [persoon 2] kon kopen, van diefstal afkomstig waren. Bij het aannemen van maandelijks € 3.000,00 van [persoon 2] , waarvan hij (na aftrek van de kosten voor de loods aan de [adres 2] ) bijna de helft voor zichzelf mocht houden, heeft de verdachte zo bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door hem van [persoon 2] ontvangen geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Door (het) geld van [persoon 2] te gebruiken voor de aanschaf van de KTM crossmotor heeft de verdachte (dat) geld en die motor witgewassen.
Het hof stelt daarbij vast dat de verdachte door zijn handelen voornoemde geldbedragen en crossmotorfiets heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet. Gelet op de lange periode waarin de verdachte zich (telkens) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, heeft de verdachte hier een gewoonte van gemaakt.
Ten aanzien van de overige tenlastegelegde voertuigen sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank en de standpunten van partijen, inhoudende dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte deze voertuigen heeft witgewassen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
4. hij op tijdstippen in de periode van 6 januari 2018 tot en met 23 april 2019 in Nederland, telkens heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad een vals geschrift, te weten: de bedrijfsadministratie van “ [bedrijf] ” – zijnde die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, bestaande die valsheid hierin dat aan die bedrijfsadministratie facturen zijn toegevoegd, onder meer:
- factuur “nummer 00002”, datum 06-01-2018 en
- factuur “nummer 00050”, datum 15-06-2018 en
- factuur “nummer 00074 ”, datum 21-09-2018 en
- factuur “nummer 00093”, datum 27-11-2018 en
- factuur “nummer 00097”, datum 04-01-2019 en
- factuur “nummer 00134 ”, datum 23-04-2019,
terwijl die facturen zijn voorzien van (onder meer) valse naam- en adresgegevens van de opdrachtgevers en valse gefactureerde werkzaamheden,
bestaande het afleveren en voorhanden hebben hierin dat hij, verdachte, die bedrijfsadministratie heeft aangeboden aan zijn boekhouder, terwijl hij, verdachte, wist dat die geschriften bestemd waren voor zodanig gebruik;
5. hij op tijdstippen in de periode van 5 maart 2018 tot en met 5 juni 2019 in Nederland, voorwerpen, te weten:
25 april 2022.
€ 1.000,00,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,
terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij aldus van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Hetgeen onder 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Feit 4 (valsheid in geschrift)
Nu de verdachte het onder feit 4 bewezenverklaarde heeft bekend en door of namens hem voor dit feit geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:
- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
25 april 2022.
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
6 januari 2018 met factuurnummer 00002 (map AL, bijlage bij AMB1-26, dossierpagina 2021).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
5 juni 2018 met factuurnummer 00050 (map AL, bijlage bij AMB1-25, dossierpagina 2016).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
21 september 2018 met factuurnummer 00074 (map AL, bijlage bij AMB1-25, dossierpagina 2014).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
27 november 2018 met factuurnummer 00093 (map AL, bijlage bij AMB1-25, dossierpagina 2012).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
4 januari 2019 met factuurnummer 00097 (map AL, bijlage bij AMB1-26, dossierpagina 2022).
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een factuur van [bedrijf] d.d.
23 april 2019 met factuurnummer 00134 (map AL, bijlage bij AMB1-26, dossierpagina 2023).
Feit 5 (witwassen huurpenningen en crossmotorfiets)
Ten aanzien van feit 5 berust de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen. Voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, wordt deze slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
In opdracht van [persoon 2] heb ik de loods aan de [adres 2] gehuurd en heb ik [bedrijf] opgericht. Dit was een fake-bedrijf waarmee ik in werkelijkheid geen werkzaamheden verrichte. Ik ontving hiervoor van [persoon 2] € 3.000,00 per maand aan contante gelden. Met de helft daarvan betaalde ik de huur van de loods aan de [adres 2] . Ik stortte de gelden op de bankrekening van mijn fake-bedrijf en maakte vervolgens de huur vanaf die bankrekening over.
Bij de huur van de loods van de [adres 2] en het nepbedrijf dacht ik dat het om
gestolen meubels ging. Daarom heb ik niks verteld.
De KTM crossmotorfiets heb ik aangekocht met contant geld dat ik kreeg van [persoon 2] . De loods in de Hem staat op naam van mijn vader, maar ik gebruikte deze.
- Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 19 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (map AC, dossierpagina 437).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:
Hij (het hof begrijpt: [persoon 2] ) wilde een trailer ergens stallen. Ik moest een eigen bedrijf starten. Hij zou dan een lege trailer stallen. Ik kreeg in totaal € 3.000,00. Daarvan zou € 1.500,00 voor de huur van de bedrijfsruimte zijn en water, licht en belasting. Ik zou er € 1.500,00 aan verdienen. Maar het was gewoon allemaal fake. Ik had geen bedrijfsvoering. Het was allemaal te mooi om waar te zijn.
- Een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel uit de KvK met betrekking tot [bedrijf] (map AL, bijlage 1 bij proces-verbaal zaaksdossier 2, dossierpagina 1996).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Onderneming
Handelsnaam [bedrijf]
Rechtsvorm Eenmanszaak
Startdatum onderneming 20-11-2017
Naam eigenaar [verdachte]
Geboortedatum en -plaats [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats]
- Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht van stortingen op de zakelijke rekening van [bedrijf] (map AL, bijlage 6 bij proces-verbaal zaaksdossier 2, dossierpagina’s 2004-2005).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
- Een schriftelijk bescheid, te weten een overzicht van huurbetalingen van zakelijke rekening [bedrijf] aan [persoon 4] voor de loods [adres 2] (map AL, bijlage 2 bij proces-verbaal zaaksdossier 2, dossierpagina 1997).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
- Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming (met bijlagen) van 12 juni 2019, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (map AA, DZK3-01, dossierpagina’s 37-39).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van de verbalisanten of één van hen:
Op woensdag 12 juni 2019 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de loods, [adres 4] .
Tijdens de doorzoeking werd inbeslaggenomen: 1 KTM crossmotor.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 4 bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op, waardoor de verdachte ten aanzien van dat feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
Na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg is onder 4 aan de verdachte ten laste gelegd dat hij gebruik heeft gemaakt van valse geschriften door deze af te leveren en voorhanden te hebben als ware deze echt en onvervalst. Daarmee heeft het openbaar ministerie kennelijk artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht ten laste willen leggen. Volgens de wettekst van dat artikel is echter vereist dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Nu in de (gewijzigde) tenlastelegging het vereiste opzetbestanddeel niet is opgenomen, kan weliswaar bewezen worden hetgeen de verdachte onder 4 ten laste is gelegd, maar levert dat in het licht van de hiervoor genoemde strafbepaling geen strafbaar feit op. Dat de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd, maakt dit niet anders.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft gewezen op het feit dat de verdachte reeds (ruim) negen maanden in voorarrest heeft gezeten en heeft verzocht geen aanvullende gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een fors voorwaardelijk strafdeel. In het bijzonder heeft de verdediging daarbij gewezen op de psychische problemen waar de verdachte al langere tijd mee kampt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft daarbij gehandeld uit puur financieel gewin. Witwassen vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële verkeer aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2026 is hij niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Bij de strafoplegging heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Het hof is al met al van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf en acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend.
In deze zaak is echter in beide instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoel in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op 12 juni 2019 is de verdachte in verzekering gesteld. Het vonnis is gewezen op 23 mei 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim elf maanden is overschreden.
Het hoger beroep tegen dit vonnis is ingesteld op 3 juni 2022. Het hof wijst arrest op 10 februari 2026. Dit betekent dat ook in hoger beroep sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn van bijna één jaar en negen maanden.
Deze overschrijdingen dienen te leiden tot strafvermindering en maakt dat het hof in plaats van voornoemde gevangenisstraf, een gevangenisstraf voor de duur van tien weken zal opleggen, met aftrek van voorarrest.
Beslag
Het hof merkt op dat wordt uitgegaan van de beslaglijst van 19 april 2022, die door de officier van justitie in eerste aanleg is overgelegd en waaruit blijkt dat alleen op de op die beslaglijst opgenomen beslagnummers 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 15 nog een beslissing moet worden genomen. Daarbij stelt het hof eveneens vast dat de crossmotorfiets (KTM) abusievelijk tweemaal op de beslaglijst is opgenomen, namelijk onder de nummers 4 en 8 (goednummer 1028672).
De advocaat-generaal en de raadsman hebben verzocht om overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank op het beslag te beslissen.
Verbeurdverklaring
Het onder 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven crossmotorfiets (vermeld onder beslagnummers 4 en 8). Deze crossmotorfiets behoort de verdachte toe en zal daarom worden verbeurdverklaard.
Teruggave aan de verdachte
Niet kan worden vastgesteld dat de overige onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen geheel of grotendeels zijn verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde, noch dat het bewezenverklaarde is begaan met behulp of met betrekking tot de voorwerpen. Derhalve zijn de voorwerpen niet vatbaar voor verbeurdverklaring en is het hof van oordeel dat de navolgende onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan hem moeten worden teruggeven:
2. 1 STK Personenauto (Paoletti Racing, [kenteken 4] , goednummer: 1028654);
3. 1 STK Personenauto (Zhenhua, [kenteken 5] , goednummer: 1028662);
6. 1 STK Motorfiets (Kawasaki, goednummer: 1028665);
7. 1 STK Motorfiets (Yamaha, goednummer: 1028672);
9. 1 STK Aanhanger (goednummer: 1028721);
15. 1 STK Simkaart zaktelefoon (goednummer: 1028701).
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2018 (parketnummer 23-000544-17) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Het hof acht termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, nu de verdachte in het kader van onderhavige strafzaak reeds negen maanden in voorarrest heeft doorgebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder feiten 2 en 3 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart het onder 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
4 (= 8) 1 STK Speelgoed (KTM, goednummer: 1028676).
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2. 1 STK personenauto (Paoletti Racing, [kenteken 4] , goednummer: 1028654);
3. 1 STK personenauto (Zhenhua, [kenteken 5] , goednummer: 1028662);
6. 1 STK motorfiets (Kawasaki, goednummer: 1028665);
7. 1 STK motorfiets (Yamaha, goednummer: 1028676);
9. 1 STK Aanhanger (goednummer: 1028721); en
15. 1 STK simkaart van zaktelefoon (goednummer: 1028701).
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Ressortsparket Amsterdam van
28 augustus 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2018 (parketnummer 23-000554-17) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee weken.
HEFT OP het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. L.F. Roseval en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2026.