ECLI:NL:GHAMS:2026:389

ECLI:NL:GHAMS:2026:389

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 23-002903-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vergisontvoering Cruquius. Veroordeling voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof straft zwaarder dan de rechtbank. Veroordeling tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer. De vriendin van het slachtoffer is als benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding. Overwegingen over anderen dan het primaire slachtoffer die vergoeding van geleden schade vorderen.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002903-23

datum uitspraak: 19 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 oktober 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 15-210512-21 en 10-198254-18 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats en datum] ,

adres: [adres verdachte] .

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12, 13, 15 januari en 19 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer, en/of Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of Gouda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, door

- zich (meermalen) in de nabijheid van die [slachtoffer] te bevinden, teneinde het slachtoffer te observeren, en/of

- het uitvoeren en/of betrokken te zijn bij één of meer voorverkenning(en) in Cruquius en/of Hoofddorp en/of

- contact te onderhouden met één of meer medeverdachte(n) en/of

- een baken te plaatsen onder de auto van die [slachtoffer] en/of

- zich te hullen in gezichtsbedekkende kleding en/of

- de auto van die [slachtoffer] klem te rijden en/of

- die [slachtoffer] vast te grijpen en (met kracht) uit zijn auto te trekken en/of

- meermalen fysiek geweld op die [slachtoffer] toe te passen en/of tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) in een ander voertuig te duwen, althans te dwingen in een ander voertuig plaats te nemen en/of

- het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape en/of

- de handen en/of benen van die [slachtoffer] vast te binden met tieraps en/of tape en/of

- die [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en/of “anders schiet ik je dood”, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer] te verhinderen het voertuig te verlaten en/of

- die [slachtoffer] (tegen diens wil) te verplaatsen van Cruquius naar Gouda.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3. Vernietiging vonnis

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

4. Bewijsoverwegingen

Inleiding

De verdachte staat samen met een aantal medeverdachten in hoger beroep terecht voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving (hierna: ontvoering) van [slachtoffer] die op 5 augustus 2021 in Cruquius vanuit zijn auto is meegenomen en op 11 augustus 2021 weer door zijn ontvoerders is vrijgelaten. De verdachte is door de rechtbank veroordeeld als medepleger tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

De zaak tegen de verdachte werd gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . De zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn aangehouden. Het openbaar ministerie is in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 9] eerder niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat [medeverdachte 9] is overleden.

Voor de leesbaarheid van het arrest worden de verdachte en de medeverdachten (ook) met naam genoemd.

Standpunten partijen

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat vanwege de rol van de verdachte bij de ontvoering van het slachtoffer en de samenwerking daarbij met de medeverdachten, het medeplegen van de ontvoering kan worden bewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken. Ten eerste omdat niet kan worden uitgesloten dat de verkeerde [verdachte] is gedagvaard. De onderzoeksbevindingen wijzen volgens de verdediging onvoldoende naar één van beide broers, [naam broer verdachte] of [voornaam verdachte] . Er zijn juist aanwijzingen dat [naam broer verdachte] betrokken was. Dat kan ook uit diens getuigenverhoor in hoger beroep worden afgeleid, aangezien hij zich op de vraag of hij zelf betrokken was bij de ontvoering heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Kennelijk had hij zichzelf met een ontkennend antwoord belast. Al met al kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat [verdachte] op enige wijze betrokken was bij de ontvoering van het slachtoffer. Voor het geval het hof daarover anders oordeelt, is ten tweede betoogd dat medeplegen niet kan worden bewezen. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Voor een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht ontbreekt het bewijs. De handelingen van [verdachte] in de voorbereidingsfase, die dan wel kunnen worden bewezen, passen hooguit bij een rol als medeplichtige, maar deze deelnemingsvorm is niet ten laste gelegd. Dat [verdachte] niet bij de ontvoering zelf was betrokken maar hooguit een rol heeft gehad in de voorbereidingsfase blijkt volgens de verdediging ook uit de berichten die aan [verdachte] worden toegeschreven.

Oordeel hof

Toeschrijving telefoonnummers

Een deel van de bewijsmiddelen bestaat uit berichtenverkeer en de analyse van historische verkeersgegevens van in het onderzoek bekend geworden telefoonnummers.

Hieronder zijn de telefoonnummers vermeld, voor zover in hoger beroep relevant, die aan de verdachten kunnen worden toegeschreven. Het hof gaat ervan uit dat in het geval een telefoon een zendmast heeft aangestraald, de gebruiker van die telefoon ter plaatse was, tenzij het dossier of een verklaring van de verdachte aanwijzingen bevat voor het tegendeel.

[medeverdachte 3] : [telefoonnummer 0] (hierna: -0801)

Uit het dossier blijkt dat bij de doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] aan de [A-flat] te [plaats A] 14 telefoons in beslag zijn genomen, waaronder een iPhone 11 met telefoonnummer -0801.

Uit onderzoek is gebleken dat bovengenoemd telefoonnummer geregistreerd staat op naam van ( [voornaam medeverdachte 3] ) [medeverdachte 3] . De naam van de telefoon is ‘iPhone van [voornaam medeverdachte 3] ’. Daarnaast maakte dit telefoonnummer tussen 9 juni 2021 en 3 augustus 2021 dagelijks gebruik van een zendmastlocatie vlakbij de woning van [medeverdachte 3] . Tot slot heeft de -0801 veelvuldig contact met een telefoonnummer eindigend op -5131, dat op naam staat van [naam vrouw medeverdachte 3] , de vrouw van [medeverdachte 3] .

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 3] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -0801. [medeverdachte 3] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was.

[medeverdachte 7] : [telefoonnummer 1] (hierna: -6228)

Uit het dossier blijkt dat er meerdere telefoons in beslag zijn genomen op en rondom de locatie waar de verdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] op 5 augustus 2021 zijn aangehouden, waaronder een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -6228.

Uit onderzoek is gebleken dat bovengenoemd telefoonnummer geregistreerd staat op naam van [medeverdachte 7] . Daarnaast heeft [medeverdachte 7] in een eerder verhoor, ter zake overtreding van de Opiumwet, verklaard dat hij de gebruiker is van dit telefoonnummer. Tot slot heeft dit telefoonnummer veelal registraties bij zendmasten in [plaats B] , in de woonomgeving van [medeverdachte 7] .

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -6228. [medeverdachte 7] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was.

[medeverdachte 6] : [telefoonnummer 2] (hierna: -1928), [telefoonnummer 3] (hierna: -3871) en [telefoonnummer 4] (hierna: -5685)

Uit het dossier blijkt dat bij de aanhouding van [medeverdachte 6] op 5 augustus 2021 in Gouda onder hem twee mobiele telefoons zijn aangetroffen en in beslag genomen, te weten een iPhone X met telefoonnummer -1928 en een Samsung Galaxy A11 met telefoonnummer -3871.

Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 6] kunnen worden toegeschreven.

Daarnaast is bij het onderzoek naar de telefoonnummers die gebruikt kunnen zijn bij de ontvoering het telefoonnummer -5685 naar voren gekomen. Dit nummer was op 1, 3, 4 en 5 augustus 2021 in gebruik. Uit het dossier blijkt dat dit nummer veel vergelijkbare verplaatsingen maakt met de nummers -1928 en -3871. Bovendien maakt dit nummer op 5 augustus 2021 om 18:53 uur gebruik van een zendmast vlakbij de plek waar [medeverdachte 6] om 19:01 uur op camerabeelden is gezien.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 6] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -1928, -3871 en -5685.

[medeverdachte 5] : [telefoonnummer 5] (hierna: -9568) en [telefoonnummer 6] (hierna: -0224)

Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] zijn ook een Samsung Galaxy A20e met telefoonnummer -9568 en een Samsung Galaxy J3 met telefoonnummer -0224 in beslag genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 5] kunnen worden toegeschreven. [medeverdachte 5] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van deze telefoonnummers was.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 5] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -9568 en -0224.

[medeverdachte 8] : [telefoonnummer 7] (hierna: -5238), [telefoonnummer 8] (hierna: -7003) en [telefoonnummer 9] (hierna: -7630)

Uit het dossier blijkt dat er meerdere telefoons in beslag zijn genomen op en rondom de locatie waar de verdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] op 5 augustus 2021 aangehouden zijn, waaronder een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -5238. Op deze telefoon zijn meerdere persoonlijke gegevens van [medeverdachte 8] aangetroffen.

In de nabijheid van deze iPhone 12 is diezelfde avond in Gouda een Samsung A01 aangetroffen met telefoonnummer -7003. Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoons tussen 3 augustus 2021 tot het aantreffen op 5 augustus 2021 in nagenoeg dezelfde omgeving zijn geweest.

Tot slot is uit onderzoek van telecomgegevens een Nokia met telefoonnummer -7630 naar voren gekomen. Uit een vergelijking van de historische verkeersgegevens blijkt dat de iPhone -5238 en Samsung -7003 op meerdere dagen in dezelfde omgeving verbindingen maken als deze Nokia -7630.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 8] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -5238, -7003 en -7630.

[medeverdachte 1] : [telefoonnummer 10] (hierna: -5555)

Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] is ook een iPhone 12 Pro met telefoonnummer -5555 in beslag genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer aan [medeverdachte 1] kan worden toegeschreven. [medeverdachte 1] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -5555.

[medeverdachte 2] : [telefoonnummer 11] (hierna: -9311) en [telefoonnummer 12] (hierna: -3642)

Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] zijn ook een Cubot X19 met het telefoonnummer -9311 en een iPhone X met het telefoonnummer -3642 in beslag genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat deze telefoonnummers aan [medeverdachte 2] kunnen worden toegeschreven. [medeverdachte 2] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van deze telefoonnummer was.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers -9311 en -3642.

[medeverdachte 4] : [telefoonnummer 13] (hierna: -6375)

Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] is ook een iPhone 11 Pro Max met het telefoonnummer -6375 in beslag genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer aan [medeverdachte 4] kan worden toegeschreven. [medeverdachte 4] heeft overigens nooit ontkend dat hij de gebruiker van dit telefoonnummer was.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 4] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -6375.

[verdachte] : [telefoonnummer 14] (hierna: -7622)

Uit het dossier blijkt dat bij de aanhouding van [verdachte] op 5 augustus 2021 in Gouda onder hem een mobiele telefoon is aangetroffen en in beslag genomen, te weten een Google Pixel met het telefoonnummer -7622. Op grond van de hierna nog te bespreken feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat [verdachte] de gebruiker was van deze telefoon in de periode van 2 tot en met 5 augustus 2021.

[medeverdachte 9] : [telefoonnummer 15] (hierna: -6988)

Bij de genoemde doorzoeking op 8 augustus 2021 van de woning van [medeverdachte 5] is ook een iPhone 11 Pro met het telefoonnummer -6988 in beslag genomen.

Uit onderzoek is gebleken dat dit telefoonnummer aan [medeverdachte 9] kan worden toegeschreven.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 9] de gebruiker is geweest van het telefoonnummer -6988.

Algemene vaststellingen

Ontvoering [slachtoffer]

Op 5 augustus 2021 om 17:53 uur verlaat [slachtoffer] het pand in Cruquius waar zijn bedrijf is gevestigd. Hij stapt in zijn Renault Laguna met kenteken [kenteken 1] en rijdt in de richting van zijn woning in [woonplaats slachtoffer] aan de [adres slachtoffer] . Om 17:56 uur wordt [slachtoffer] klemgereden door een zwarte BMW met kenteken [kenteken 2] en een rode Mercedes Vito (een bus) met kenteken [kenteken 3] . [slachtoffer] moet hard remmen voor de BMW en de Mercedes-bus rijdt van achter tegen de auto van [slachtoffer] aan. Op dat moment stappen meerdere mannen met bivakmutsen uit de Mercedes-bus en de BMW. [slachtoffer] wordt hardhandig uit zijn auto getrokken. Twee mannen duwen hem via de schuifdeur aan de zijkant de Mercedes-bus in en stappen zelf ook in. Een derde man stapt in de auto van [slachtoffer] . De drie voertuigen rijden vervolgens weg in de richting van de provinciale weg N201.

Verplaatsing [slachtoffer] van Cruquius naar Gouda

Door ANPR-camera’s wordt vastgelegd dat de BMW over de N11 en de N459 richting Gouda rijdt. Vanaf 18:36 uur zijn de BMW en de Mercedes-bus in Gouda zichtbaar op camerabeelden. Uit camerabeelden van de Nijverheidsstraat in Gouda blijkt verder dat de Mercedes-bus om 18:51 uur een afgesloten binnenplaats met loodsen aan de Nijverheidsstraat oprijdt, waarna dit voertuig niet meer wordt waargenomen. Deze binnenplaats is alleen te bereiken via een doodlopende doorgang tussen twee woningen aan de Nijverheidsstraat in en geeft toegang tot meerdere loodsen. De telefoon van [slachtoffer] maakt om 18:38 uur contact met het netwerk op een zendmast in Gouda en straalt om 19:50 uur voor het laatst – nog steeds in Gouda – aan.

Gebeurtenissen in Gouda

Op 5 augustus 2021 rond 19:00 uur komen bij de meldkamer van de politie verschillende meldingen binnen over verdachte gedragingen in Gouda. Deze meldingen gaan onder andere over het verwisselen van kentekenplaten van een zwarte BMW door een groep van zes of zeven personen op of in de omgeving van het Koekoekplein. Deze groep is vervolgens in een groep van twee en een groep van vier personen opgesplitst en weggelopen. Ook komen meldingen bij de politie binnen over het weggooien van spullen door personen op en in de omgeving van het Vogelplein en over twee mannen die zich omkleden achter een camper op of in de omgeving van het Uiverplein.

Aanhouding verdachten in Gouda

Naar aanleiding van voornoemde meldingen worden op 5 augustus 2021 rond 19:25 uur in Gouda zes verdachten aangehouden, te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] op de Lazaruskade en [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] op het Vogelplein.

Bij de aanhoudingen van deze verdachten zijn onder hen handschoenen, mobiele telefoons en onderdelen daarvan aangetroffen en in beslag genomen. Verder zijn in de omgeving van de locaties van de aanhoudingen verschillende goederen op straat gevonden en in beslag genomen. De locaties waar de verdachten en de goederen zijn aangetroffen zijn in elkaars nabijheid. De aangetroffen goederen zijn drie mobiele telefoons, handschoenen, een bivakmuts, batterijen van telefoons, een trainingsbroek, en in een prullenbak nabij het Uiverplein een rode plastic tas met daarin een zwarte trui. Op deze zwarte trui is op de rechtermouw een DNA-spoor aangetroffen dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer en minimaal twee andere personen. Deze bevindingen zijn één miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van drie willekeurige onbekende personen. Op basis hiervan kan, in het licht van de overige feiten en omstandigheden, worden vastgesteld dat het DNA afkomstig is van [slachtoffer] . Ook hierna zal het hof ten aanzien van vastgestelde DNA-profielen met een dergelijke (of vergelijkbare) bewijskracht ervan uitgaan dat het DNA telkens aan de betreffende persoon toebehoort.

Betrokken auto’s

Op 5 augustus 2021 is om 19:15 uur de BMW, voorzien van valse kentekenplaten op het Koekoekplein te Gouda aangetroffen. Op de achterbank van dit voertuig worden drie sigarettenpeuken aangetroffen met daarop DNA van [verdachte] . Aan de binnenzijde van de portiergreep aan de bestuurderskant en op het stuur van de BMW is DNA van [medeverdachte 6] aangetroffen.

In de nacht van 6 op 7 augustus 2021 om 00:00 uur is de Renault Laguna afgesloten aangetroffen in Gouda, met daarin de mobiele telefoon van [slachtoffer] . Op het stuur en de versnellingspook van de Renault Laguna is DNA van [medeverdachte 3] aangetroffen.

De Mercedes-bus is op 8 augustus 2021 om 19:40 uur, zonder [slachtoffer] , aangetroffen in een loods aan de Nijverheidsstraat in Gouda. Op het stuurwiel is een mengprofiel aangetroffen met onder meer DNA van [medeverdachte 2] .

Doorzoeking woningen verdachten

Op 8 augustus 2021 verricht de politie onder doorzoekingen in de woningen van de in Gouda aangehouden verdachten. Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 5] aan de [A-flat] in [plaats A] worden 14 mobiele telefoons aangetroffen die aan verschillende verdachten kunnen worden toegeschreven, onder wie [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] . Uit de telecomgegevens van deze telefoons blijkt dat zij in de nacht voor de ontvoering verbindingen hebben gemaakt met zendmasten in de omgeving van de [A-flat] – en dus bij de woning van [medeverdachte 5] .

Gelet op het voorgaande, in samenhang met de overige – nog nader te duiden – feiten en omstandigheden, gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren.

Aantreffen [slachtoffer]

Op woensdag 11 augustus 2021, om 00:45 uur, krijgt de politie de melding dat een man bij een woning in Delft heeft aangebeld, die zegt dat hij is ontvoerd. Als de politie ter plaatse komt treft zij [slachtoffer] aan met een ontbloot bovenlichaam en een blauw vest om zijn hoofd, vastgemaakt met grijs ducttape. Ook heeft [slachtoffer] ducttape om zijn pols, op zijn mond en om zijn nek. Hij heeft verklaard dat hij is klemgereden en dat hij door een man met een bivakmuts vanuit zijn auto naar een rode bus is gebracht, waar hij werd getrapt en klappen kreeg. Zijn mond, armen en benen werden vastgemaakt met tape, en om zijn hoofd werd een vest ook met tape vastgemaakt. In de nacht van vrijdag op zaterdag is hij vanuit de bus in de kofferbak van een kleine auto gelegd, en werd hij verplaatst naar een andere ruimte. Na een paar dagen werd er tegen hem gezegd dat hij naar huis zou gaan en is hij wederom achterin een auto gelegd, waar hij na een paar minuten rijden uitgesleept is en op straat is achtergelaten.

Voorverkenningen 2, 3 en 4 augustus 2021

Op 2 augustus 2021 verplaatsen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] zich na 17:18 uur in combinatie met een Opel Corsa met kenteken [kenteken 4] 6 op naam van [medeverdachte 7] (hierna: de Opel Corsa) richting [woonplaats slachtoffer] . Zij zijn tussen 18:40 uur en 20:20 uur in [woonplaats slachtoffer] . Tevens bevindt een baken (met het telefoonnummer -7356) zich in de nabijheid van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] . Dit is het baken dat later, zo concludeert het hof, onder het voertuig van [slachtoffer] is geplaatst. Omstreeks 19:36 uur stuurt [medeverdachte 8] via WhatsApp onder meer het volgende bericht naar het telefoonnummer -5393: ‘Oude man Hollander [voornaam slachtoffer] naam zijn zoon lang met lang haar [naam zoon] heet hij woont in [woonplaats slachtoffer] rijdt [automerk] ’. In de periode dat [medeverdachte 8] in [woonplaats slachtoffer] is, zoekt hij met zijn telefoon onder meer op ‘ [voornaam slachtoffer] [woonplaats slachtoffer] ’.

Op 3 augustus 2021 maken het baken en de Opel Corsa een gelijktijdige verplaatsing in de richting van de woning van [slachtoffer] . Ze zijn daar gelijktijdig omstreeks 09:00 uur. De Opel Corsa is tussen 09:00 uur en 09:02 uur te zien op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] in [woonplaats slachtoffer] , vlakbij de woning van [slachtoffer] dus.

Op 4 augustus 2021 tussen 04:00 uur en 09:00 zijn [medeverdachte 9] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] allemaal in de omgeving van de [adres 1] in [plaats B] . Het hof gaat ervan uit dat zij elkaar daar ontmoet hebben. Rond 07:30 uur zijn [betrokkene 1] en [medeverdachte 8] nabij de woning van [slachtoffer] . Op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] in [woonplaats slachtoffer] is te zien dat om 07:16 uur en 07:18 uur een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 5] over de [straatnaam slachtoffer] rijdt. Deze Volkswagen Polo staat op naam van de vader van [betrokkene 1] . Op de camerabeelden is te zien dat er voorin de auto twee personen zitten.

In de loop van de ochtend verplaatsen de Opel Astra ( [kenteken 6] ) en de BMW gelijktijdig met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] vanaf [plaats B] in de richting van [woonplaats slachtoffer] . Op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] in [woonplaats slachtoffer] is te zien dat de BMW om 10:58 uur over de [straatnaam slachtoffer] rijdt.

In de periode hierop bevinden [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] zich allen in de omgeving van de woning van [slachtoffer] . De BMW rijdt langs de woning van [slachtoffer] . In deze periode is er regelmatig contact tussen deze telefoons onderling en PD-telefoonnummers.

Tussen [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] worden er in deze periode berichten uitgewisseld die gaan over (het voertuig van) [slachtoffer] . Ook is er contact met [medeverdachte 6] .

Door een getuige is gezien dat op 4 augustus 2021 tussen 11:50 uur en 12:15 uur een zwarte BMW geparkeerd stond op het parkeerterrein aan de [straatnaam slachtoffer] in [woonplaats slachtoffer] . In dat voertuig heeft zij drie mannen zien zitten. Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] aangetroffen.

Na de ochtend verplaatsen [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 7] zich terug in de richting van [plaats B] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] bevinden zich dan nog steeds in de woon-en werkomgeving van [slachtoffer] en ook [verdachte] is daar dan aanwezig. Tussen 14:45 uur en 17:25 uur verplaatsen [medeverdachte 8] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 7] zich weer richting [woonplaats slachtoffer] .

Ook in de middag zijn van [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 9] nog steeds in de woonomgeving van [slachtoffer] . Tevens is er veel contact met [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] maakt zelf vanaf 17:45 uur ook de reisbeweging richting [woonplaats slachtoffer] .

’s Avonds tussen 20:00 uur en 23:00 uur ontmoeten [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] elkaar weer in de omgeving van de [adres 1] in [plaats B] .

Het baken, [medeverdachte 8] en [betrokkene 1] zijn tussen 21:02 uur en 22:14 uur in de omgeving van de Bennebroekerweg in Zwaanshoek. [medeverdachte 8] heeft in deze periode onder meer contact met [medeverdachte 6] , die zich op dat moment met medeverdachten in de omgeving van de [adres 1] in [plaats B] bevindt. Op camerabeelden van de [straatnaam slachtoffer] [huisnummer X] is te zien dat omstreeks 22:03 uur een persoon langs perceel [huisnummer X] loopt in de richting van [adres slachtoffer] , het adres van [slachtoffer] . Deze persoon staat enkele seconden stil en keert vervolgens om, terug in de richting van de [a-weg] . Het baken verplaatst zich op dezelfde wijze. Omstreeks 22:08 uur rijdt er een voertuig komende uit dezelfde richting als het baken ( [straatnaam 1] ) in de richting van [adres slachtoffer] . Het baken verplaatst zich mee. Na 22:19 uur verplaatst het baken zich niet meer tot en met 5 augustus 2021 om 09:41 uur. Vanaf 5 augustus 2021 om 09:41 uur komen de verplaatsingen van het baken overeen met de verplaatsingen van de Laguna van [slachtoffer] .

Vaststellingen ten aanzien van de verdachten

[medeverdachte 1]

Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 1] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachte [medeverdachte 4] aangehouden op de Lazaruskade in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op het Vogelplein in Gouda.

Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 1] herkend op de camerabeelden die zicht geven op de Nijverheidsstraat in Gouda als een van de drie personen die om 18:54 uur de doodlopende weg vanaf de loodsen uitloopt. [medeverdachte 1] is op dat moment in het zwart gekleed en draagt een rode tas bij zich. [medeverdachte 4] wordt eveneens op genoemde beelden herkend. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] worden ook herkend op camerabeelden die zicht geven op de Industriestraat. Op die beelden is eveneens te zien dat [medeverdachte 1] een rode tas bij zich draagt.

Hiervoor is al vastgesteld dat door de politie op het Uiverplein in een vuilnisbak een rode plastic tas met daarin een zwarte trui is aangetroffen. Op de zwarte trui zat behalve DNA van [slachtoffer] ook DNA van [medeverdachte 1] .

In de Mercedes-bus die is aangetroffen in een loods aan de Nijverheidsstraat in Gouda is op de deurgreep aan de binnenzijde van het rechterportier DNA van [medeverdachte 1] aangetroffen.

In de woning van [medeverdachte 5] is een iPhone 12 Pro met het telefoonnummer eindigend op -5555 van [medeverdachte 1] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren.

Tot slot is naar aanleiding van het uitkijken van camerabeelden waarop is te zien dat [medeverdachte 1] een zwaaiende beweging maakt in de richting van de bosjes, op 16 augustus 2021 in de Industriestraat te Gouda in de bosjes een rol grijze ducttape aangetroffen. Uit soucheonderzoek van het NFI is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat het tapedeel dat is aangetroffen op de linkerarm van [slachtoffer] afkomstig is van deze rol ducttape dan van een willekeurig andere rol grijze ducttape.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het geringe tijdsverloop tussen de ontvoering van [slachtoffer] en het moment waarop de Mercedes-bus richting de loodsen aan de Nijverheidsstraat in Gouda is gereden en [medeverdachte 1] daar op min of meer hetzelfde tijdstip in de directe omgeving was, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] een van de mannen is geweest die aanwezig was in de Mercedes-bus ten tijde van de ontvoering van [slachtoffer] .

[medeverdachte 4]

Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 4] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] aangehouden op de Lazaruskade in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op het Vogelplein in Gouda.

Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 4] herkend op de camerabeelden die zicht geven op de Nijverheidsstraat in Gouda als een van de drie personen die om 18:54 uur de doodlopende weg vanaf de loodsen uitloopt. [medeverdachte 4] is op dat moment geheel in het zwart gekleed. [medeverdachte 1] wordt, zoals hierboven beschreven, eveneens op de genoemde beelden herkend.

Getuigen hebben verklaard dat zij op 5 augustus 2021 omstreeks 19:00 uur twee mannen hebben zien lopen op het Uiverplein in Gouda. De mannen liepen in de richting van een camper. Eén van de mannen trok een lange zwarte broek uit en liet deze achter bij de camper. De politie heeft aan de achterzijde van de camper een zwarte trainingsbroek aangetroffen. Op de trainingsbroek zat DNA van [medeverdachte 4] .

In de omgeving van het Koekoekplein in Gouda waar de zwarte BMW is aangetroffen, is een paar handschoenen gevonden. In de linkerhandschoen bevond zich een bivakmuts. Aan de binnenzijde van de bivakmuts is een DNA-mengprofiel met DNA van [medeverdachte 4] aangetroffen.

Hiervoor is al vastgesteld dat een getuige heeft gezien dat op 4 augustus 2021 tussen 11:50 uur en 12:15 uur een zwarte BMW geparkeerd stond op het parkeerterrein aan de [straatnaam slachtoffer] in [woonplaats slachtoffer] , nabij de woning van [slachtoffer] . In dat voertuig heeft zij drie mannen zien zitten. Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] aangetroffen.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het geringe tijdsverloop tussen de ontvoering van [slachtoffer] en het moment waarop de Mercedes-bus richting de loodsen aan de Nijverheidsstraat in Gouda is gereden en [medeverdachte 4] daar op min of meer hetzelfde tijdstip in de directe omgeving was, leidt het hof af dat [medeverdachte 4] een van de mannen is geweest die aanwezig was in de Mercedes-bus ten tijde van de ontvoering van [slachtoffer] . Verder stelt het hof vast dat [medeverdachte 4] voorafgaand aan de ontvoering ook betrokken is geweest bij een observatie van [slachtoffer] .

[medeverdachte 2]

Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 2] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [verdachte] aangehouden op het Vogelplein in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op de Lazaruskade in Gouda.

Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 6] en [verdachte] herkend op camerabeelden van 5 augustus 2021 van onder meer het adres Vogelplein 44 in Gouda. Op de beelden van 19:10 uur is te zien dat [medeverdachte 2] een zwart voorwerp uit zijn linker broekzak pakt en dit laat vallen. Op dezelfde plek worden later twee zwarte handschoenen aangetroffen. Bij zijn aanhouding is tevens een zwarte werkhandschoen in zijn rechter broekzak aangetroffen.

Op camerabeelden van 5 augustus 2021 van het parkeerterrein en de ingang van het bedrijf waar [slachtoffer] werkzaam is aan de [straatnaam bedrijf slachtoffer] te Cruquius, is te zien dat de Mercedes-bus op 5 augustus 2021 meerdere keren voorbij is gereden op de [straatnaam bedrijf slachtoffer] en enige tijd geparkeerd heeft gestaan op het daarvoor gelegen parkeerterrein. Ook een witte Kia Picanto met kenteken [kenteken 7] , gehuurd door [medeverdachte 2] , en de zwarte BMW zijn meerdere keren voorbij gereden op de [straatnaam bedrijf slachtoffer] . Op de beelden van 10:09 uur wordt de bestuurder van de rode Mercedes-bus herkend als [medeverdachte 2] .

In de Mercedes-bus is op het stuurwiel een DNA-mengprofiel met DNA van [medeverdachte 2] aangetroffen.

In de woning van [medeverdachte 5] is een Cubot X19 met het telefoonnummer eindigend op -9311 van [medeverdachte 2] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het geringe tijdsverloop tussen de ontvoering van [slachtoffer] en het moment waarop de Mercedes-bus met [slachtoffer] richting de loodsen aan de Nijverheidsstraat in Gouda is gereden en het tijdstip waarop [medeverdachte 2] samen met drie medeverdachten in Gouda in de nabije omgeving van de Nijverheidsstraat op camerabeelden is gezien en is aangehouden, leidt het hof af dat [medeverdachte 2] aanwezig en betrokken is geweest bij de ontvoering van [slachtoffer] . Verder stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij voorverkenningen dan wel samen met anderen [slachtoffer] heeft opgewacht in Cruquius op 5 augustus 2021.

[medeverdachte 5]

Zoals hiervoor is vastgesteld is [medeverdachte 5] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachten [medeverdachte 6] , [verdachte] en [medeverdachte 2] aangehouden op het Vogelplein in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op de Lazaruskade in Gouda.

Na zijn aanhouding wordt [medeverdachte 5] samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] herkend op camerabeelden van 5 augustus 2021 van de adressen Vogelplein 50 en 41 in Gouda. Bij zijn aanhouding worden twee zwarte werkhandschoenen aangetroffen.

Bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 5] in de [A-flat] in [plaats A] worden veertien mobiele telefoons aangetroffen, waaronder – zoals hiervoor is vastgesteld – die van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] . Uit de telecomgegevens van deze telefoons blijkt dat zij in de nacht voor de ontvoering vanaf 23:00 uur verbindingen hebben gemaakt met zendmasten in de omgeving van de woning van [medeverdachte 5] . Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat deze woning als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren.

[medeverdachte 3]

Zoals hiervoor is vastgesteld hebben getuigen verklaard dat drie mannen met bivakmutsen naar de auto van [slachtoffer] zijn gerend en hem met geweld uit zijn auto hebben getrokken. Twee personen hebben [slachtoffer] in de Mercedes-bus geduwd en zijn zelf ook ingestapt. De derde persoon is in de auto van [slachtoffer] gestapt. Zowel de Mercedes-bus, de BMW als de Renault zijn weggereden in de richting van de provinciale weg N201. De bestuurder is beschreven als een “negroïde man met een volle baard en snor”. De politie heeft vastgesteld dat [medeverdachte 3] voldoet aan dit signalement.

Uit onderzoek van het NFI blijkt dat op het stuur en op de versnellingspook van de Renault Laguna DNA van [medeverdachte 3] is aangetroffen.

In de woning van [medeverdachte 5] is een iPhone 11 met het telefoonnummer eindigend op -0801 van [medeverdachte 3] aangetroffen. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld gaat het hof ervan uit dat de woning van [medeverdachte 5] als uitvalsbasis voor de ontvoering heeft gediend, en dat in elk geval de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] daar de nacht voorafgaand aan de ontvoering aanwezig waren.

Hiervoor is al vastgesteld dat een getuige heeft gezien dat op 4 augustus 2021 tussen 11:50 uur en 12:15 uur een zwarte BMW geparkeerd stond op het parkeerterrein aan de [straatnaam slachtoffer] in [woonplaats slachtoffer] , nabij de woning van [slachtoffer] . In dat voertuig heeft zij drie mannen zien zitten. Op het parkeerterrein zijn diverse sigarettenpeuken aangetroffen. Op deze sigarettenpeuken is DNA van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 9] aangetroffen.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [medeverdachte 3] aanwezig en betrokken is geweest bij de ontvoering van [slachtoffer] . De aanwezigheid van [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] op 4 augustus 2021 in de directe nabijheid van de woning van [slachtoffer] is, mede in het licht van wat ten aanzien van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] is vastgesteld, redengevend voor de vaststelling dat deze verdachten [slachtoffer] hebben geobserveerd. Verder kan uit het aantreffen van genoemd DNA-spoor op het stuur van de Renault, mede in het licht van de overige feiten en omstandigheden, worden afgeleid dat [medeverdachte 3] de bestuurder is geweest van de auto van [slachtoffer] , nadat deze uit zijn auto was getrokken en in de Mercedes-bus was geduwd.

[verdachte]

Zoals hiervoor is vastgesteld is [verdachte] op 5 augustus 2021 kort na de ontvoering van [slachtoffer] omstreeks 19:25 uur samen met de medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] aangehouden op het Vogelplein in Gouda. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn rond dezelfde tijd aangehouden op de Lazaruskade in Gouda.

Na zijn aanhouding wordt [verdachte] samen met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] herkend op camerabeelden van 5 augustus 2021 van onder meer het adres Vogelplein 44 in Gouda. Uit de beelden van 19:13 uur blijkt dat de voorste man, die later wordt herkend als [verdachte] , in zijn rechterhand een mobiele telefoon vasthoudt en daar mee bezig is. Bij zijn aanhouding wordt bij [verdachte] een Google Pixel-telefoon met het telefoonnummer eindigend op -7622 aangetroffen.

De raadsman van [verdachte] heeft betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat de broer van [verdachte] , [naam broer verdachte] [verdachte] (hierna: [naam broer verdachte] ), de gebruiker van de Google Pixel-telefoon is geweest en dus bij de ontvoering betrokken is geweest. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat de telefoon met het telefoonnummer eindigend op -9505 door de politie aan [naam broer verdachte] wordt toegeschreven, terwijl het dossier niet uitsluit dat die telefoon (-9505) en de telefoons die aan [verdachte] worden toegeschreven (-7622 en -7544) door dezelfde persoon zijn gebruikt. Dat ook [naam broer verdachte] de gebruiker van de telefoon eindigend op -7622 kan zijn geweest, blijkt ook uit het feit dat het snapchataccount dat op deze telefoon is aangetroffen (‘ [accountnaam] ’) gebruik maakt van het telefoonnummer -9505, terwijl van [verdachte] een ander snapchataccount is vastgesteld.

Alhoewel het hof niet kan uitsluiten dat ook [naam broer verdachte] (enige) betrokkenheid bij de ontvoering van het slachtoffer heeft gehad, staat vast dat [verdachte] kort na de ontvoering van het slachtoffer samen met drie medeverdachten in Gouda is aangehouden en dat bij hem op dat moment de Google Pixel-telefoon met het telefoonnummer eindigend op -7622 is aangetroffen. Bovendien zijn in de buurt en rond hetzelfde tijdstip twee andere medeverdachten aangehouden. Verder blijkt uit de camerabeelden dat hij kort voor zijn aanhouding een mobiele telefoon vasthoudt en daarmee bezig was. Het hof acht dan ook aannemelijk dat [verdachte] op 5 augustus 2021 – en, bij gebreke aan een verklaring van [verdachte] die een ander licht op de zaak werpt, in de dagen die daaraan direct voorafgaan – de gebruiker is geweest van de -7622. De aanwezigheid van een snapchataccount op die telefoon dat gebruik maakt van het telefoonnummer dat door de politie aan [naam broer verdachte] wordt toegeschreven doet aan de genoemde feitelijke bevindingen, en dus aan de conclusie van het hof, niets af. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Het telefoonnummer -7622 heeft op 5 augustus 2021 tussen 13:15 uur en 15:05 uur registraties gemaakt in de werkomgeving van het slachtoffer in Cruquius. Verder is uit zendmastgegevens gebleken dat de telefoon van [verdachte] vanaf het moment van het klemrijden van het slachtoffer in Cruquius eenzelfde reisbeweging heeft gemaakt als de zwarte BMW, richting Gouda.

Op de achterbank van de zwarte BMW zijn sigarettenpeuken aangetroffen met daarop DNA van [verdachte] , waarvoor [verdachte] geen andere verklaring heeft gegeven dan ‘dat het om een verplaatsbaar object gaat’.

Op de Google Pixel-telefoon zijn belastende berichten aangetroffen over de ontvoering van het slachtoffer. Op 5 augustus 2021 om 18:09 uur wordt via Signal het adres Koekoekplein 6 verzonden. Op dit adres is later de zwarte BMW teruggevonden. Verder zijn rond het tijdstip van de ontvoering via Signal berichten verstuurd en ontvangen die zonder twijfel hierop betrekking hebben. [verdachte] vraagt, als [slachtoffer] in het busje zit, aan kennelijk iemand in het busje: ‘Oke naam hoe oud’. Daarop wordt geantwoord: ‘ [slachtoffer] ’. [verdachte] reageert vervolgens met het bericht: ‘Ja dat is hem’. Verder geeft [verdachte] instructies aan degenen in het busje: niet in de straat te parkeren en ‘alle mensen in busje moeten blijven en geen geluid maken binnen’. Ook zijn afbeeldingen en een video van de woning en auto van het slachtoffer op de telefoon aangetroffen.

Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien met het geringe tijdsverloop tussen de ontvoering van [slachtoffer] en het moment waarop de Mercedes-bus met [slachtoffer] richting de loodsen aan de Nijverheidsstraat in Gouda is gereden en het tijdstip waarop [verdachte] samen met drie medeverdachten in Gouda in de nabije omgeving van de Nijverheidsstraat op camerabeelden is gezien en is aangehouden, leidt het hof af dat [verdachte] aanwezig en betrokken is geweest bij de ontvoering van het slachtoffer als een van de inzittenden van de zwarte BMW. Verder stelt het hof vast dat [verdachte] betrokken is geweest bij voorverkenningen dan wel samen met anderen [slachtoffer] heeft opgewacht in Cruquius op 5 augustus 2021. Bij het voorgaande betrekt het hof dat [verdachte] , door zich grotendeels op zijn zwijgrecht te beroepen, niet een verklaring heeft afgelegd die een ander licht op de hieraan voorafgaande vaststellingen werpt.

Medeplegen

Juridisch kader

Voor het bewijs van medeplegen is nodig dat bij het begaan van het misdrijf sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict door de verdachte van voldoende gewicht is. Dat zal doorgaans het geval zijn als sprake is van een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage aan het delict kan echter ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor, tijdens of na het strafbare feit. Dan moet extra aandacht worden besteed aan de vraag of de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Daarbij kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict kan worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote rol in de voorbereiding.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is het hof van oordeel dat [verdachte] en de medeverdachten vóór en tijdens het plegen van de ontvoering van het slachtoffer intensief hebben samengewerkt. De aard van het feit vergde een gezamenlijke voorbereiding en uitvoering. Het slachtoffer is door meerdere verdachten op meerdere dagen geobserveerd, er zijn gestolen auto’s en valse kentekenplaten geregeld, alsook een locatie waar het slachtoffer moest worden ondergebracht en hij moest op klaarlichte dag uit zijn auto worden getrokken. Die auto moest bovendien worden meegenomen. Er is door meerdere verdachten gebruik gemaakt van handschoenen en bivakmutsen. Eén en ander vergde een zorgvuldige afstemming. Dit maakt dat alle betrokken verdachten vooraf op de hoogte moeten zijn geweest van het plan en de voorgenomen wijze van uitvoering. De avond voor de ontvoering zelf heeft in elk geval een aantal van de verdachten ook verbleven in de woning van één van hen. Deze woning is als uitvalsbasis gebruikt voor de gezamenlijke actie.

[verdachte] was op 5 augustus 2021 voor aanvang van de daadwerkelijk ontvoering betrokken bij een voorverkenning, dan wel het wachten op de komst van het slachtoffer. Hij heeft achterin de BMW gezeten die door [medeverdachte 6] werd bestuurd. Deze BMW is één van de auto’s die werd gebruikt om het slachtoffer klem te rijden. [verdachte] was daarbij dus aanwezig. En hij is met de BMW naar Gouda gereden waar ook het slachtoffer naar toe is gebracht. Dat was een gezamenlijke actie van de verdachten. In Gouda is [verdachte] , kort na de ontvoering, samen met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] aangehouden. Tot slot zijn met de telefoon -7622 die bij [verdachte] in gebruik was in de periode van 2 tot en met 5 augustus berichten verstuurd waaruit ook een vergaande betrokkenheid bij de ontvoering blijkt.

Het hof is van oordeel dat mede gelet op de bijdrage die [verdachte] zelf aan de ontvoering heeft geleverd, sprake is van een gezamenlijke uitvoering en dat medeplegen kan worden bewezen.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 augustus 2021 te Cruquius, gemeente Haarlemmermeer, en Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door

- de auto van [slachtoffer] klem te rijden,

- [slachtoffer] vast te grijpen en uit zijn auto te trekken,

- [slachtoffer] in een ander voertuig te duwen,

- meermalen fysiek geweld op [slachtoffer] toe te passen en tegen [slachtoffer] te schreeuwen,

- het zicht van die [slachtoffer] te belemmeren door een kledingstuk om zijn hoofd vast te maken met tape,

- de handen en benen van die [slachtoffer] vast te binden met tape,

- [slachtoffer] te bedreigen met de woorden “hier is een pistool” en “anders schiet ik je dood”, en

- [slachtoffer] te verplaatsen van Cruquius naar Gouda.

Van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd wordt de verdachte vrijgesproken. Het betreft feitelijke handelingen die, al dan niet gepleegd door één of meer mededaders, bewezen kunnen worden maar op zichzelf niet constitutief zijn voor de delictsomschrijving, te weten wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage.

6. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

7. Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit.

8. Oplegging van straf

Straf rechtbank

De rechtbank heeft [verdachte] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest.

Eis advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 62 maanden, met aftrek van voorarrest. Zij heeft een gevangenisstraf van 66 maanden als uitgangspunt genomen, maar volgens haar moet daarop wegens overschrijding van de redelijke termijn vier maanden in mindering worden gebracht.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, om zo een kader te creëren voor het noodzakelijke reclasseringstoezicht en de gewenste psychologische ondersteuning. Daarbij is verzocht rekening te houden met de lichte verstandelijke beperking van [verdachte] , het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde en de overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging heeft bepleit dat een gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest wordt opgelegd, met daarbij een voorwaardelijk deel.

Oordeel hof

Het hof heeft de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan en gelet op de persoon van [verdachte] .

[verdachte] heeft samen met anderen op 5 augustus 2021 het slachtoffer [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd (‘ontvoerd’ naar normaal spraakgebruik). [slachtoffer] was na zijn werk in de auto op weg naar huis. Vrijwel direct na zijn vertrek werd hij klem gereden, door mannen met bivakmutsen vastgepakt en in een busje geduwd. Dit gebeurde op klaarlichte dag, rond 18:00 uur. Dat is niet alleen ongekend brutaal, maar heeft ook tot gevolg gehad dat verschillende omstanders getuige zijn geweest van deze schokkende gebeurtenis.

In dat busje werd [slachtoffer] getrapt en geslagen. Er werd tegen hem geschreeuwd dat hij cocaïne had gestolen en dat ze dat terug wilden. Zijn armen en benen werden met ducttape vastgemaakt. Zijn mond werd met ducttape afgeplakt. Hij kreeg een vest over zijn hoofd dat ook werd vastgetapet. In het busje voelde [slachtoffer] iets tegen zijn hoofd en er werd gezegd: ‘Hier is een pistool, waar is het geld, anders schiet ik je dood’. Meerdere keren is hij met de dood bedreigd.

Met het busje is [slachtoffer] in eerste instantie naar een loods in Gouda gebracht. Al die tijd lag hij op de vloer van het busje. [slachtoffer] heeft de eerste nacht in deze loods doorgebracht. Daarna is hij, in de kofferbak van een kleine auto, naar Delft vervoerd. Uiteindelijk is [slachtoffer] daar op 11 augustus 2021 omstreeks 00:00 uur vrijgelaten. Alle dagen dat [slachtoffer] van zijn vrijheid was beroofd heeft hij vastgetapet gezeten, kon hij niet of nauwelijks zien, bijna niet eten en heel moeilijk drinken vanwege de tape om zijn mond. In het dossier zitten foto’s van hem, kort nadat hij was vrijgelaten. Deze foto’s geven schokkend weer hoe [slachtoffer] alle dagen heeft moeten doorbrengen. In het ziekenhuis is geconstateerd dat [slachtoffer] was uitgedroogd en vijf kilo afgevallen.

Het betreft dus een zeer ernstig feit. Het is bewonderenswaardig hoe kalm [slachtoffer] tijdens de ontvoering is gebleven. Uit de verklaring die namens hem ter terechtzitting in hoger beroep is afgelegd blijkt echter hoeveel angst hij heeft gehad en dat hij er rekening mee hield dat hij het er niet levend vanaf zou brengen. Ook blijkt uit de verklaring dat de ontvoering tot op de dag van vandaag haar sporen in zijn leven nalaat. Bovendien zijn door de ontvoering van [slachtoffer] ook zijn naasten getroffen. Uit de verklaring van zijn vriendin blijkt bijvoorbeeld dat zij doodsangsten heeft uitgestaan en het ook nu nog moeilijk heeft met het verwerken van wat [slachtoffer] en haar is overkomen.

Wat de zaak nog ernstiger maakt is dat uit het politieonderzoek is gebleken dat [slachtoffer] niet het beoogde doelwit was. Hij is niet betrokken bij de handel in cocaïne, maar het slachtoffer van een afschuwelijke vergissing. Daarmee zegt het hof niet, zoals door sommige advocaten naar voren is gebracht, dat het leven van een ‘gewone burger’ meer waard is dan dat van een ‘crimineel’. Het is echter wel ernstiger als onschuldigen het slachtoffer worden van crimineel geweld. Steeds vaker worden door roekeloos gedrag onschuldigen betrokken in vetes die in het criminele milieu worden uitgevochten. De gedachte dat hierdoor iedereen slachtoffer kan worden, vergroot de angst in de samenleving en gevoelens van onveiligheid. Eén van de doelen van het opleggen van een gevangenisstraf is de preventieve werking die daarvan uitgaat. Om het anders te formuleren, een gevangenisstraf voor deze verdachte is een waarschuwing voor anderen om zich te bedenken voordat ze nietsontziend en roekeloos geweld aanwenden.

Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er op 5 augustus 2021 – en niet in de dagen daarna – is gebeurd. Die stelling gaat niet op. Weliswaar is ‘slechts’ aan [verdachte] ten laste gelegd en bewezen verklaard de ontvoering op 5 augustus 2021, maar de rechter kan bij het bepalen van de straf rekening houden met feiten en omstandigheden waaronder het strafbare feit is begaan. Een van de relevante omstandigheden is in dit geval dat de ontvoering van [slachtoffer] nog dagen heeft voortgeduurd nadat [verdachte] en zijn mededaders hem hebben afgeleverd in de loods in Gouda. Deze omstandigheid, die ook uit de bewijsmiddelen blijkt, staat in zo’n nauw verband met het bewezen verklaarde dat hieraan bij het bepalen van de strafmaat voor het bewezen verklaarde wel degelijk betekenis toekomt. [verdachte] heeft geen enkele openheid van zaken gegeven, noch in de beweegreden van zijn handelen, noch ten aanzien van wat hij precies heeft gedaan en wist. Als hij al niet wist wat het slachtoffer te wachten stond, heeft hij zich kennelijk niet bekommerd om diens verdere lot. Dat is net zo ernstig. Het directe gevolg van het handelen van [verdachte] is in elk geval geweest dat [slachtoffer] in totaal zes dagen opgesloten heeft gezeten onder zeer slechte omstandigheden. Ook dat is hem dus aan te rekenen.

Er zijn geen oriëntatiepunten voor straftoemeting ten aanzien van een ontvoering. Het hof heeft, in het licht van hetgeen hierna zal worden overwogen ten aanzien van de immateriële schadevergoeding, met een schuin oog gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een gewapende woningoverval. Dat uitgangspunt is, bij gebruik van geweld, een gevangenisstraf van vijf jaar. Hoewel een woningoverval en een ontvoering elk hun eigen bijzonderheden kennen en bovendien de feiten en omstandigheden in elke zaak verschillen, acht het hof deze misdrijven wat de straftoemeting betreft van vergelijkbare ernst. Alles tezamen maakt dat het hof in dit geval een gevangenisstraf van vijf jaar passend en geboden acht. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, is gelet op de ernst van het feit niet aan de orde.

De door de verdediging genoemde persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , die ook tot uitdrukking komen in de door Reclassering Nederland uitgebrachte voorlichtingsrapporten van 31 januari 2022 en 14 september 2023, zijn in het licht van de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende zwaarwegend om hiermee bij het bepalen van de straf rekening te kunnen houden.

Het strafblad van [verdachte] geeft geen aanleiding daar in strafverzwarende zin rekening mee te houden. Het hof houdt rekening met artikel 63 Sr.

Het hof is ten slotte nagegaan of de procedure bij de rechtbank en de procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 6 augustus 2021 omdat [verdachte] op die datum in verzekering is gesteld. De voorlopige hechtenis van [verdachte] is met ingang van 4 mei 2022 geschorst en met ingang van 20 oktober 2023 opgeheven. Dat betekent dat de tijd die [verdachte] gedurende de procedure in eerste aanleg in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht minder dan zestien maanden bedraagt. Het hof zal daarom als uitgangspunt nemen dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg moest zijn afgerond binnen twee jaar nadat de verdachte in verzekering was gesteld. Op 20 oktober 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim twee maanden is overschreden.

Het hoger beroep is ingesteld op 1 november 2023 en op 19 februari 2026 is arrest gewezen. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn van iets meer dan drie maanden.

Er is dus zowel in de procedure bij de rechtbank als in die bij het hof sprake geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, zij het in beide gevallen slechts een beperkte. Het hof zal de op te leggen straf daarom verminderen met één maand. Dat betekent dat aan [verdachte] een gevangenisstraf zal worden opgelegd van vier jaar en elf maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 11 maart 2019 (parketnummers 10-198254-18 en 10-071373-18 ) heeft de politierechter in de rechtbank Rotterdam [verdachte] ter zake van ‘het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast’ en ‘mishandeling’ veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uren, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van (het nog openstaande gedeelte van) twintig uur taakstraf, subsidiair tien uur vervangende hechtenis.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegelicht dat de proeftijd ten tijde van het bewezen verklaarde was verstreken.

Het hof zal het openbaar ministerie om die reden, zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd en door de verdediging is bepleit, in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

10. Vorderingen benadeelde partijen

Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte. Deze bedraagt € 31.342,53 en bestaat uit de volgende posten:

medische kosten, bestaande uit het eigen risico van € 385,00 en de kosten van de psycholoog van € 202,16;

kosten van de vervanging van sloten ten bedrage van € 674,37;

schade aan de auto, bestaande uit reparatiekosten van € 3.446,00 en taxatiekosten van € 135,00;

toekomstige kosten, bestaande uit toekomstige medische kosten van € 1.000,00 en toekomstige reis- en parkeerkosten van € 500,00;

immateriële schade van € 25.000,00.

[slachtoffer] heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft de vordering wat de eerste drie posten betreft geheel toegewezen, wat betreft de vijfde post toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en heeft [slachtoffer] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard wat de vierde post betreft.

[slachtoffer] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd, zij het dat de verdediging heeft verzocht om hem in de vordering ter zake van post 4. niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof oordeelt als volgt.

Materiële schade

De verdediging heeft de vordering niet bestreden ten aanzien van de posten 1. (medische kosten), 2. (kosten vervanging sloten) en 3. (schade aan de auto). Het hof komt de vordering op deze punten niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit betekent dat de vordering tot een bedrag van € 4.842,53, vermeerderd met de wettelijke rente, zal worden toegewezen.

Het hof bepaalt de aanvangstermijn van de wettelijke rente met betrekking tot:

de onder 1. genoemde schadepost wat de kosten van het eigen risico betreft op 27 oktober 2021 (datum afschrijving van de bankrekening van [slachtoffer] ) en wat de kosten van de psycholoog betreft op 22 november 2022 (datum factuur),

de onder 2. genoemde schadepost op 1 september 2021 (datum factuur), en

de onder 3. genoemde schadepost wat de reparatiekosten betreft op 5 augustus 2021 (datum ontstaan schade) en wat de taxatiekosten betreft op 9 september 2021 (respectievelijk datum pinbetaling).

[slachtoffer] zal in de vordering wat de onder 4. genoemde schadepost betreft niet-ontvankelijk worden verklaard. Die kosten zijn immers (nog) niet gemaakt.

Immateriële schade

Aan de vordering tot vergoeding van de onder 5 genoemde immateriële schade heeft [slachtoffer] ten grondslag gelegd, samengevat weergegeven, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Er is een ernstige inbreuk gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. De aard en ernst van de normschendig zijn dusdanig dat ook zonder diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting als hiervoor bedoeld. Bij de hoogte van het schadebedrag moet volgens [slachtoffer] – met toepassing van de criteria die zijn neergelegd in de zogeheten Rotterdamse Schaal – worden betrokken (a) de handelwijze van de daders (waarbij in dit geval sprake is van een ‘vergisontvoering’ van een willekeurige en onschuldige burger, terwijl de vergissing ook van meet af aan duidelijk was voor de daders), (b) de intensiteit van de bedreigende situatie (waarbij sprake is geweest van een zeer ernstige bedreiging van [slachtoffer] en zijn familie en naasten en waarbij [slachtoffer] in benarde posities is vastgehouden), (c) de mate en de duur van de vrijheidsbeperking (zes dagen lang, waarbij [slachtoffer] het grootste deel van de tijd geblinddoekt was), (d) de kwetsbaarheid van [slachtoffer] (hij was een willekeurige en onschuldige burger die zich op deze situatie niet heeft kunnen voorbereiden en (e) de aard en ernst van de gevolgen voor [slachtoffer] (ernstig en blijvend).

De raadsman van [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering – in aanmerking genomen de bedragen die zijn genoemd in de Rotterdamse Schaal – kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen. [slachtoffer] is weliswaar gedurende zes dagen van zijn vrijheid beroofd geweest, maar aan [verdachte] is slechts de betrokkenheid op de eerste dag ten laste gelegd. Voor de overige dagen kan hij dus niet aansprakelijk worden gehouden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot het gevraagde bedrag van € 25.000,00 kan worden toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt.

Aanspraak op immateriële schadevergoeding

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) luidt, voor zover hier van belang:

‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: […]

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’

Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (Vgl. HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024.)

Zoals hiervoor ook bij de motivering van de straf is toegelicht, is [slachtoffer] slachtoffer geworden van een gewelddadige ontvoering, waarbij hij gedurende ongeveer zes dagen onder zeer belastende omstandigheden van zijn vrijheid is beroofd. Daarbij is [slachtoffer] mishandeld en met de dood bedreigd. Uit de door de advocaat opgestelde schriftelijke toelichting op de vordering en de mondelinge toelichting ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat [slachtoffer] tijdens de ontvoering veel angst heeft gehad. Daarbij vreesde hij dat zijn ontvoerders hem om het leven zouden brengen op het moment dat hij naar hen zou kijken en hen dus later zou kunnen herkennen. Ook na de ontvoering heeft [slachtoffer] veel angst gehad. Sinds zijn vrijlating is hij alerter, heeft hij een korter lontje en is hij ’s nachts onrustiger. Hij ‘scant’ zijn omgeving de hele dag en probeert alles in de gaten te houden. Er is sinds de ontvoering geen dag voorbijgegaan dat hij hier niet mee bezig is geweest. Op de relatie met zijn partner heeft de ontvoering blijvend invloed gehad, ook omdat zij de gebeurtenissen ieder op hun eigen wijze verwerken. Deze feiten zijn door de verdediging niet weersproken.

Gelet op deze omstandigheden – en mede in aanmerking genomen de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer] – is het hof van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.

Begroting omvang immateriële schadevergoeding

Gegeven deze aanspraak op immateriële schadevergoeding, komt het hof toe aan de begroting daarvan.

De begroting van immateriële schade gebeurt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met vergoedingen die in – tot op zekere hoogte – vergelijkbare zaken zijn toegewezen. Ook heeft het hof acht geslagen op de criteria en de bedragen die in de Rotterdamse Schaal worden genoemd ten aanzien van vrijheidsberoving (paragraaf 19.2). Hierbij verdient evenwel opmerking dat bij de bepaling van deze bedragen (te weten een bandbreedte van € 3.000,00 tot € 8.000,00) aansluiting is gezocht bij de bedragen die gelden voor ‘bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing’ (paragraaf 19.1) – situaties die, zeker qua duur van de bedreiging, slechts beperkt vergelijkbaar zijn met de in de onderhavige zaak bewezen verklaarde ontvoering. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade, in lijn met de in paragraaf 19.1 genoemde criteria, rekening gehouden met de handelwijze van de verdachte en zijn mededaders, de intensiteit van de bedreigende situatie, de mate en duur van de vrijheidsberoving, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de aard en ernst van de gevolgen voor hem, zoals toegelicht in de vorige alinea en in het kader van de strafmotivering. In met name de duur van de ontvoering van zes dagen en de hiervoor beschreven zeer belastende wijze waarop deze heeft plaatsgehad, ziet het hof aanleiding de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen op een bedrag van € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021.

Gezien het voorgaande, en gegeven het genoegzaam gevoerde partijdebat en geen noodzaak tot nader onderzoek, zal het méér gevorderde worden afgewezen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019: 793, r.o. 2.8.7 en 2.8.3).

Het betoog van de verdediging dat bij het begroten van de immateriële schade geen acht mag worden geslagen op de duur van de ontvoering, nu aan de verdachte enkel de betrokkenheid op 5 augustus 2021 ten laste is gelegd, volgt het hof gelet op het voorgaande dus niet. De verdachte heeft samen met zijn mededaders [slachtoffer] op 5 augustus 2021 opzettelijk ontvoerd. Daarbij was voor hem op dat moment zonder meer voorzienbaar dat deze ontvoering ook ná 5 augustus 2021 zou kunnen voortduren, met alle mogelijke belastende gevolgen voor [slachtoffer] . Deze gevolgen kunnen dus bij het begroten van de immateriële schade in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (artikel 6:102 BW), hetgeen doorgaans het geval is indien de schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele toewijsbare schade: indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, zal de verdachte in zoverre van zijn betalingsverplichting zijn bevrijd.

De verdachte zal ook hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden gemaakte kosten worden begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de door de [slachtoffer] geleden schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.613,71 ingediend tegen de verdachte. De schade bestaat uit materiële schade tot een bedrag van € 3.113,71 (€ 756,01 aan medische kosten, € 857,70 aan gederfde inkomsten en € 1.500,00 aan toekomstige medische kosten) en immateriële schade ten bedrage van € 2.500,00.

[benadeelde partij] heeft verzocht om de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

[benadeelde partij] heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. De advocaat van [benadeelde partij] heeft betoogd, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in artikel 51f Sv – door te bezien of [benadeelde partij] is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd – ten onrechte een verouderde maatstaf heeft toegepast. De rechtbank had moeten beoordelen of sprake is van een voldoende verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Volgens de advocaat heeft de verdachte ook jegens [benadeelde partij] onrechtmatig gehandeld. In de eerste plaats door inbreuk te maken op haar recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel door jegens haar een ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm te schenden. Ter onderbouwing heeft de advocaat verwezen naar twee arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden, te weten een arrest van 22 maart 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AT2244 en een arrest van 25 februari 2020, ECLI:NL:ARL:2020:1618. Uit die jurisprudentie leidt de advocaat van [benadeelde partij] af dat de door [benadeelde partij] geleden immateriële schade in een voldoende nauw verband staat met de ontvoering en dus voor vergoeding in aanmerking komt. In de tweede plaats is volgens de advocaat sprake van zogenoemde schokschade.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de vordering van [benadeelde partij] volledig kan worden toegewezen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat de vordering van [benadeelde partij] moet worden afgewezen nu zij – als ‘subsidiair’ slachtoffer – geen rechtstreekse schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit.

Het hof oordeelt als volgt.

Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zo’n verband bestaat, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Bovendien geldt dat voor vergoeding aan de benadeelde partij overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking komt de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Vaststaat dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [slachtoffer] , het primaire slachtoffer. De vraag die aan het hof voorligt is of de schade die [benadeelde partij] , de partner van [slachtoffer] , als derde als gevolg daarvan heeft geleden voor vergoeding in aanmerking komt.

Op grond van artikel 6:95, eerste lid, BW bestaat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Voor een aanspraak op vergoeding van personenschade is dus allereerst een wettelijke grondslag voor aansprakelijkheid (voor zover hier van belang: een onrechtmatige daad) vereist.

Voor anderen dan het slachtoffer (‘derden’) die schade lijden door de verwonding of het overlijden van het slachtoffer, bieden de artikelen 6:107, 107a en 108 BW aan bepaalde derden een recht op vergoeding van bepaalde vormen van schade. Artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder a, BW biedt derden een aanspraak op vergoeding van kosten die zij ten behoeve van de primair gekwetste hebben gemaakt (schade van de gekwetste die zich naar hen heeft ‘verplaatst’). Artikel 6:107a, tweede lid, BW biedt de werkgever een aanspraak op vergoeding van door hem tijdens ziekte van de primair gekwetste doorbetaald loon. Artikel 6:108 BW biedt aan nabestaanden een aanspraak op vergoeding van schade door derving van levensonderhoud (eerste lid) en van kosten van lijkbezorging (tweede lid). De door [benadeelde partij] gevorderde medische kosten en de gederfde inkomsten vallen niet onder de hier bedoelde vormen van schade en zijn op basis van deze artikelen dus niet toewijsbaar. Ten aanzien van de toekomstige medische kosten geldt dat deze (nog) niet zijn gemaakt en om die reden niet toewijsbaar zijn.

Daarnaast bieden de artikelen 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en 6:108, derde lid, BW sinds 1 januari 2019 aan een in beginsel in de wet limitatief omschreven kring van naasten en nabestaanden een aanspraak op een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld bedrag aan smartengeld, de zogenoemde ‘affectieschade’.

In aanvulling op de in deze artikelen genoemde gevallen bestaat ruimte voor een vergoeding van immateriële schade indien de dader het oogmerk had dergelijke schade aan de derde toe te brengen, zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder a, BW. Van deze situatie is echter niet gebleken. Uit het dossier volgt immers niet dat de verdachte en zijn medeverdachten bij hun handelen het oogmerk hebben gehad om specifiek aan [benadeelde partij] immateriële schade toe te brengen.

Tot slot bestaat ruimte voor een vergoeding van schade indien iemand een ander door een misdrijf doodt of verwondt, en hij daarmee ook onrechtmatig handelt tegenover degene bij wie de confrontatie met dat misdrijf (of de gevolgen daarvan) een hevige emotionele schok teweeg brengt. Dit laatste wordt schokschade of shockschade genoemd en komt hierna aan de orde.

Buiten deze gevallen bestaat voor een derde geen aanspraak op schadevergoeding die het gevolg is van de verwonding, het overlijden of anderszins kwetsing van een ander. De wetgever heeft bewust voor deze begrenzing gekozen (MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5, 6), p. 1278 e.v.). Ook bij de invoering van de aanspraak op vergoeding van affectieschade in 2019 heeft de wetgever bewust aan deze begrenzing vastgehouden (vgl. Kamerstukken II, 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 1, 2, 5, 13-16 en Kamerstukken I, 2015/16, 34 257, C, p. 1, 5)

Uit dit wettelijke stelsel volgt dat [benadeelde partij] , die niet het directe slachtoffer is geweest van de ontvoering en in zoverre niet als primair slachtoffer kan worden aangemerkt, geen aanspraak heeft op vergoeding van de gestelde immateriële schade die zij hierdoor heeft opgelopen. Dat, zoals onweersproken is aangevoerd, de ontvoering van haar partner uitermate belastend is geweest en tot op de dag van vandaag voor haar zeer nadelige gevolgen heeft, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel.

De verwijzing door de advocaat van [benadeelde partij] ter terechtzitting in hoger beroep naar de twee (civielrechtelijke) arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden van respectievelijk 22 maart 2005 en 25 februari 2020 leiden niet tot een ander oordeel, alleen al omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. De zaak uit 2005 betrof een kinderontvoering waarbij de dader de moeder gedurende ruim een jaar had belet om de op haar rustende ouderlijke verantwoordelijkheden (zij had bij uitsluiting het ouderlijk gezag) uit te oefenen. De zaak uit 2020 betrof het een ontuchtzaak waarbij een man zijn zevenjarige buurmeisje gedurende een half jaar seksueel had misbruikt. Het hof oordeelde dat de man onrechtmatig had gehandeld jegens de moeder en de stiefvader van het meisje door het vertrouwen dat zij in hem hadden gesteld, door het meisje aan zijn zorg toe te vertrouwen, te schenden.

Over het betoog van de advocaat van [benadeelde partij] dat sprake is van schokschade – en dat zij dus ook op die grond vergoeding van de materiële en immateriële schade kan vorderen – overweegt het hof tot slot het volgende. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.

- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.

- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

Het hof stelt vast dat [benadeelde partij] de gebeurtenissen tijdens de bewezen verklaarde ontvoering niet zelf heeft waargenomen. Zij was zelf immers niet aanwezig bij de ontvoering. Zij is hierover door de politie geïnformeerd en achteraf heeft zij gehoord wat er allemaal met haar partner is gebeurd. Bij het weerzien was het waarneembare fysieke letsel bij [slachtoffer] van beperkte aard. Het is evident dat de ontvoering van [slachtoffer] en de onzekerheid over zijn lot voor [benadeelde partij] uitermate belastend zijn geweest, maar van een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht zoals door de Hoge Raad overwogen, is geen sprake geweest. Ook in zoverre is dus geen basis voor toewijzing van de schadevordering van [benadeelde partij] .

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f Sv. Dit betekent dat [benadeelde partij] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

Nu geen sprake is van rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f Sv, bestaat evenmin grondslag voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f Sr (vgl. ook HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:73).

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

12. BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 11 (elf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.842,53 (negentienduizend achthonderdtweeënveertig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 4.842,53 (vierduizend achthonderdtweeënveertig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding voor zover het betreft (i) de toekomstige medische kosten van € 1.000,00 en (ii) de toekomstige reis- en parkeerkosten van € 500,00 en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ter zake immateriële schade voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.842,53 (negentienduizend achthonderdtweeënveertig euro en drieënvijftig cent) bestaande uit € 4.842,53 (vierduizend achthonderdtweeënveertig euro en drieënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 124 (honderdvierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:- 5 augustus 2021 over een bedrag van € 3.446,00 - 1 september 2021 over een bedrag van € 674,37 - 9 september 2021 over een bedrag van € 135,00 - 27 oktober 2021 over een bedrag van € 385,00 - 22 november 2022 over een bedrag van € 202,16

en van de immateriële schade op 5 augustus 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 10-198254-18.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. K.J. Veenstra en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Bleumers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?