beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer: 000609-25 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13-118757-22
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2024 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1961,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. R.I. Takens,
Achillesstraat 79, 1076 PX Amsterdam.
1. Procesverloop
Het hoger beroep is op 26 november 2024 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
De advocaat-generaal heeft vooraf aan de raadkamer haar standpunt kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld
parketnummer en heeft op 21 januari 2026 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.
2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep met het verzoek onder c. - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
3. Beoordeling
Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
Het verzoek om vergoeding van de rechtsbijstandskosten is door de rechtbank afgewezen, omdat op grond van de inhoud van het dossier vermoedens van enige schuld aan mishandeling en bedreiging aanwezig zouden zijn. Dit baseert de rechtbank op de aangifte, de verklaring van de zoon van aangever, de uitkomst van de mediation en het zwijgrecht waarop de verdachte zich heeft beroepen.
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het appel moet worden afgewezen. Volgens de advocaat-generaal heeft de rechtbank de verzoeken op goede gronden afgewezen. De verdenking was terecht en bestaat nog steeds, aldus de advocaat-generaal. Met het (voorwaardelijk) beleidssepot zou al voldoende rekening zijn gehouden met de persoonlijke belangen van verzoeker. Er zouden daarbij ook geen gronden van billijkheid zijn voor vergoeding van de kosten van het opstellen van het verzoekschrift.
De advocaat van appellant heeft gepersisteerd bij het verzoek. De redenering van de advocaat-generaal komt in strijd met de onschuldpresumptie, aldus de advocaat.
Het hof overweegt dat allereerst - anders dan de rechtbank oordeelt - uit het strafdossier niet volgt dat appellant aangever heeft geslagen, maar dat appellant met de fiets tegen aangever is aangereden. Aangever stelt dat appellant met opzet tegen hem is aangereden en heeft daarom aangifte van mishandeling gedaan. Appellant zegt dat hij per ongeluk tegen aangever is aangereden.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: deze verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk).
Het enkele feit dat uit het dossier blijkt van een vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, is - zoals ook in eerdere beslissingen al door het hof is overwogen - onvoldoende om een vergoeding achterwege te laten. De rechtbank en de advocaat-generaal baseren zich ten onrechte op dit criterium. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom vernietigen en opnieuw recht doen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand:
4. Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent aan appellant een vergoeding toe van € 4.646,33 (vierduizend zeshonderdzesenveertig euro en drieëndertig cent).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, C.J. van der Wilt en J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 4.646,33 (vierduizend zeshonderdzesenveertig euro en drieëndertig cent) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting Derdengelden Takens Admiraal Advocaten o.v.v. [nummer] .
Amsterdam, 11 februari 2026,
mr. J.L. Bruinsma, voorzitter.