beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummers: 000564-25 (530 Sv) en 000565-25 (533 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-002410-22
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. P.P.J. van der Meij,
Van der Helstplein 3, 1072 PH Amsterdam.
1. Procesverloop
Het verzoekschrift is op 19 augustus 2025 ingekomen.
Op 15 december 2025 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 21 januari 2026 de advocaat-generaal en de waarnemend advocaat van verzoeker, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam, ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.
2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
3. Beoordeling van het verzoek
Bij arrest van dit hof van 25 juli 2025 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in de strafzaak slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door twee raadslieden en beiden hebben tijd gedeclareerd voor dossierstudie en het opstellen van een pleitnota. Volgens de advocaat-generaal is het niet billijk deze kosten dubbel te vergoeden.
De advocaat van verzoeker heeft gepersisteerd bij het verzoek. Volgens de advocaat van verzoeker is een advocaat-stagiaire ingeschakeld en zijn de kosten voor rechtsbijstand mede daardoor zo laag mogelijk gebleven. Dat niet dubbel is gedeclareerd, blijkt ook uit het feit dat beide raadslieden verzoeker ter zitting hebben bijgestaan, maar dat slechts door een van hen is gedeclareerd.
Het hof overweegt dat in beginsel vergoeding van kosten rechtsbijstand door meerdere raadslieden mogelijk is. Ook in een betrekkelijk eenvoudige strafzaak als deze is vergoeding van verleende rechtsbijstand door meer raadslieden mogelijk als de kosten maar zo laag mogelijk worden gehouden en niet ten onrechte dubbel wordt gedeclareerd. Gelet op de in raadkamer gegeven toelichting ziet het hof geen aanleiding het verzoek slechts gedeeltelijk toe te wijzen. Niet is komen vast te staan dat sprake is van onredelijk of “dubbel” declaratiegedrag.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van
4. Beslissing
Het hof :
Wijst het verzochte toe.
Kent aan verzoeker een vergoeding toe van € 8.778,00 (achtduizend zevenhonderdachtenzeventig euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.L. Bruinsma, C.J. van der Wilt en J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 11 februari 2026.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 8.778,00 (achtduizend zevenhonderdachtenzeventig euro) op bankrekeningnummer [iban] t.n.v. Stichting beheer derdengelden Cleerdin & Hamer advocaten o.v.v. [nummer] .
Amsterdam, 11 februari 2026.
mr. J.L. Bruinsma, voorzitter.