GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.577/01
zaaknummer rechtbank: C/15/362256/ FA RK 25-907
beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag,
en
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige: [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- [de vader] , hierna: de vader, en
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] , gevestigd te [plaats B] , hierna: de GI.
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- Stichting [X] te [plaats C] , hierna: [X] .
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over het gezag van de moeder over [minderjarige 1] (4 jaar). De rechtbank heeft onder meer het gezag van de moeder beëindigd en de GI belast met de voogdij. De moeder is het niet eens met de beëindiging van haar gezag en wil het gezag over [minderjarige 1] behouden. De raad is het eens met de beslissing van de rechtbank.
2. De procedure in hoger beroep
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in haar beschikking van 24 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van de moeder over [minderjarige 1] beëindigd en de GI belast met de voogdij.
De moeder is op 7 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
De raad heeft op 17 september 2025 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 augustus 2025, met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 7 augustus 2025, met bijlage, en
- een bericht van de GI van 2 december 2025, met bijlagen.
De zitting heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder,
- twee vertegenwoordigers van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar.
De moeder en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling gedaan in verband met de afwezigheid van de moeder. Het hof heeft, na kort beraad in raadkamer, dit verzoek afgewezen.
3. De feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2021 in [plaats D] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [in] 2024 te [plaats A] (hierna: [minderjarige 2] ). Deze procedure betreft haar niet.
De moeder en de vader hebben een affectieve relatie.
Tot aan de bestreden beschikking was de moeder belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] .
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) van 28 april 2022 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 21 november 2022 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] verleend. Beide maatregelen zijn sindsdien telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 april 2024 tot 28 april 2025.
Sinds 21 november 2022 verblijft [minderjarige 1] bij [X] in [plaats C] .
Uit de eerdere relatie van de moeder en [naam] (hierna: [naam] ) zijn geboren:
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna [minderjarige 3] , geboren [in] 2014 te [plaats E] ,
- de minderjarige [minderjarige 4] , hierna [minderjarige 4] , geboren [in] 2016 te [plaats E] ,
- de minderjarige [minderjarige 5] , hierna [minderjarige 5] , geboren [in] 2018 te [plaats D] .
Zij staan ook sinds 28 april 2022 onder toezicht van de GI en zij verblijven eveneens sinds 21 november 2022 in het gezinshuis [X] . Tot aan de bestreden beschikking waren [naam] en de moeder belast met het gezag over deze kinderen, welk gezag bij afzonderlijke beschikking van 24 april 2025 door de rechtbank is beëindigd. Tegen die beslissing heeft de moeder eveneens hoger beroep ingesteld. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.356.588/01. Het hof doet in beide zaken gelijktijdig uitspraak.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat de GI tot voogd over [minderjarige 1] wordt benoemd.
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, dat het verzoek tot beëindiging van het gezag alsnog wordt afgewezen.
5. De motivering van de beslissing
Aanhoudingsverzoek
Het hof heeft het ter terechtzitting gedane verzoek tot aanhouding afgewezen. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij niet langer dan nodig in onzekerheid en spanning hoeft te zitten over de uitkomst van deze procedure. De moeder was volgens haar advocaat (die telefonisch contact met haar had voor de aanvang van de zitting) op de hoogte van de zitting en op weg daarheen. Er zouden problemen zijn met het openbaar vervoer waardoor zij later zou arriveren, maar zij heeft niet aangegeven hoe laat dan wel. Het hof heeft anderhalf uur op de moeder gewacht. Vervolgens is zij – zonder verder bericht - niet verschenen, terwijl het hof uit informatie uit openbare bronnen niet is gebleken dat er op het traject [plaats A] - [plaats B] problemen waren met het openbaar vervoer.
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
De standpunten
De moeder vindt dat haar gezag ten onrechte is beëindigd en voert daartoe het volgende aan. De beëindiging van het gezag is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel de moeder het liefst zou zien dat [minderjarige 1] met intensieve begeleiding bij haar wordt teruggeplaatst, heeft zij zich neergelegd bij de uithuisplaatsing. De moeder werkt samen met de GI en geeft de benodigde toestemmingen, zodat beëindiging van haar gezag niet noodzakelijk is. Een lichter alternatief zoals een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing moet ingezet worden. Het opvoedperspectief kan in de toekomst met de juiste hulp en begeleiding wel weer bij de moeder komen te liggen. De aanvaardbare termijn is volgens de moeder nog niet overschreden, omdat zij tot nu toe niet de juiste hulp en mogelijkheden heeft gehad om te laten zien dat zij de opvoeding wel degelijk aankan. De moeder betwist dat zij niet goed kan aansluiten bij [minderjarige 1] . Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de moeder het gezag behoudt en dit belang weegt zwaarder dan de belasting van de jaarlijkse verlenging van de maatregelen. Verder heeft de moeder op dit moment contact met het Regionaal Expertise Team (RET) voor hulp en deze hulp kan ook voor [minderjarige 1] worden ingezet.
De raad voert aan dat de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk en in het belang van [minderjarige 1] is en dat zowel aan het wettelijk criterium als aan de eisen van het EVRM wordt voldaan. Het perspectief van [minderjarige 1] ligt niet meer bij de moeder. [minderjarige 1] heeft veel meegemaakt thuis. De thuissituatie was zeer onveilig. Hij is getuige geweest van huiselijk geweld en agressieve ruzies tussen de ouders. Na en voor de omgangsmomenten laat [minderjarige 1] gespannen gedrag zien. Ook tijdens de omgangsmomenten is sprake geweest van agressie tussen de ouders. Het lukt de moeder niet om keuzes te maken in het belang van [minderjarige 1] en zij ziet onvoldoende in welke negatieve impact de thuissituatie op hem heeft gehad. De moeder heeft eerder gestarte hulpverlening stopgezet. Op dit moment is in de thuissituatie van de moeder nog steeds sprake van huiselijk geweld. De moeder is niet in staat gebleken om binnen een aanvaardbare termijn een gezond opvoedklimaat te realiseren. De moeder heeft eerder aangegeven dat zij niet achter de uithuisplaatsing staat en dat het nog steeds haar doel is dat [minderjarige 1] thuis komt wonen. De jaarlijkse verlenging van de beschermingsmaatregelen zal spanning en onrust met zich meebrengen. Verder is de samenwerking tussen de moeder en de GI moeizaam. De moeder heeft afspraken bij het consultatiebureau niet doorgegeven aan de GI waardoor [minderjarige 1] geen vaccinaties heeft gehad en zij komt niet naar belangrijke (uitvoerings)overleggen. Het niet beëindigen van het gezag is schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , aldus de raad.
De GI heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de beëindiging van het gezag in het belang van [minderjarige 1] is. Het gaat steeds beter met hem bij [X] en hij vindt de omgang met zijn zusje en zijn broertjes fijn. Tijdens de omgang met de ouders is de spanning tussen de ouders nog steeds merkbaar voor [minderjarige 1] . Hij is erg gevoelig voor spanningen. Op dit moment wordt gekeken naar verschillende woonopties voor [minderjarige 1] en wordt onderzocht welke woonvorm uiteindelijk het beste voor hem is. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijkheid om een deel van de tijd in het pleeggezin van zijn zusje [minderjarige 2] te verblijven. Verder moeten er beslissingen worden genomen over een passende school voor [minderjarige 1] . Het is in het belang van [minderjarige 1] dat de GI besluiten kan nemen.
De beoordeling door het hof
Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting is besproken is het volgende naar voren gekomen. Al vanaf het begin van het leven van [minderjarige 1] zijn er zorgen over het opvoedklimaat bij de moeder thuis. Er zijn meerdere meldingen gedaan bij Veilig Thuis omdat de ruzies tussen de moeder, de vader en de moeder en haar vorige partner ( [naam] ) uit de hand liepen. [minderjarige 1] werd geconfronteerd met huiselijk geweld en is getuige geweest van gewelddadige ruzies. Er was sprake van veel strijd en spanning en dit is schadelijk voor [minderjarige 1] geweest. De moeder heeft weinig inzicht in wat de thuissituatie met [minderjarige 1] heeft gedaan en accepteert moeilijk hulp. Ondanks de inzet en betrokkenheid van verschillende hulporganisaties, bleef het patroon van onveiligheid en huiselijk geweld zich herhalen. Omdat sprake was van structurele en ernstige bedreigingen voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] is in november 2022 besloten hem uit huis te plaatsen. Vanaf dat moment verblijft hij bij [X] .
De afgelopen jaren heeft de GI geprobeerd om met de moeder aan haar persoonlijke problematiek te werken en te onderzoeken of er mogelijkheden waren [minderjarige 1] thuis te laten opgroeien. Het lukt de moeder onvoldoende om afspraken met hulpverlening na te komen. Zo komt zij niet naar behandelafspraken bij PSYTREC, waar zij psychotraumatherapie zou krijgen. Opnieuw volgden er verschillende zorgmeldingen bij Veilig Thuis en is de politie meerdere keren ingeschakeld. Over de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige 1] bestaan zorgen. De spanningen tussen de ouders zijn voor hem merkbaar. Ook wordt waargenomen dat het de moeder onvoldoende lukt om goed aan te sluiten bij [minderjarige 1] . De omgangsmomenten brengen stress mee voor [minderjarige 1] en hij laat voor en na de omgang zorgelijk gedrag zien. Zo gebruikt hij scheldwoorden en is het moeilijk om contact met hem te maken. De moeder blijkt onvoldoende leerbaar. In 2024 heeft de GI dan ook besloten dat het opvoedperspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de moeder ligt.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen en dat niet te verwachten valt dat zij daartoe wel in staat zal zijn binnen een voor [minderjarige 1] aanvaardbare termijn. De rechtbank heeft vastgesteld dat [minderjarige 1] veel heeft meegemaakt en ook het hof heeft in de stukken gelezen dat hij in zijn thuissituatie op jonge leeftijd is geconfronteerd met conflict en geweld. Ondanks de ingezette hulpverlening is het de moeder niet gelukt om een veilige opvoedingsomgeving voor [minderjarige 1] te creëren. Al jaren staat de persoonlijke problematiek van de moeder op de voorgrond en lukt het haar onvoldoende om het belang van [minderjarige 1] voorop te stellen. Uit het voorgaande volgt dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de moeder ligt. Dat het woonperspectief van [minderjarige 1] nog niet helemaal duidelijk is, doet daar niet aan af. [minderjarige 1] heeft meer nodig dan de moeder hem kan bieden.
Het hof is daarnaast – net als de rechtbank - van oordeel dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige 1] . Uit de stukken en de behandeling op de zitting in hoger beroep blijkt dat het door de juiste begeleiding steeds beter gaat met [minderjarige 1] bij [X] . Tot op heden is de samenwerking tussen de GI en de moeder onvoldoende van de grond gekomen. Hoewel de moeder stelt dat zij zich heeft neergelegd bij de uithuisplaatsing en dat zij samenwerkt met de GI, blijkt dat niet uit haar handelen. In het beroepschrift stelt zij immers dat het opvoedperspectief van [minderjarige 1] op korte termijn weer bij haar kan komen te liggen. Verder is de moeder voor de GI moeilijk bereikbaar, komt zij regelmatig afspraken niet na en is zij vaak afwezig bij (uitvoerders)overleggen. Hierdoor werd een beslissing over een basisschool voor [minderjarige 1] vertraagd. De GI heeft ter zitting toegelicht dat binnenkort opnieuw belangrijke beslissingen moeten worden genomen over het leven van [minderjarige 1] . Het hof is dan ook van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat de GI voortaan de opvoedbeslissingen over hen neemt, zodat zich geen moeilijkheden ten aanzien van de uitoefening van het gezag meer voordoen. Niet alleen nu, maar ook in de toekomst is het naar het oordeel van het hof in het belang van [minderjarige 1] dat gezagsbeslissingen zonder vertraging genomen kunnen worden. Daarbij komt dat jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing de onzekerheid en onrust bij [minderjarige 1] in stand houden. Nu vaststaat dat het perspectief van [minderjarige 1] niet meer bij de moeder ligt, is het hof van oordeel dat de terugkerende onzekerheid over zijn perspectief niet in zijn belang is. Invoelbaar is dat de moeder emotionele waarde hecht aan haar gezag, maar naar het oordeel van het hof weegt het belang [minderjarige 1] bij duidelijkheid en continuïteit zwaarder.
De moeder heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM. Uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk en proportioneel is. De inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd. Die inbreuk is immers noodzakelijk en evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige 1] .
Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. De rechtbank heeft in de bestreden beslissing ook het gezag van de vader over [minderjarige 1] beëindigd. Bij beschikking van 15 februari 2023 heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige 1] . De vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige 1] brengt niet mee dat de vader van rechtswege met het gezag over hem wordt belast (artikel 1:251b lid 2 onder b BW), zoals de raad blijkens het raadsrapport van 18 februari 2025 abusievelijk aanneemt. Van toekenning van gezag aan de moeder en de vader tezamen is, voor zover kenbaar voor het hof, geen sprake, zodat de rechtbank ten onrechte op het daartoe strekkend verzoek van de raad tot beëindiging van gezag van de vader over [minderjarige 1] heeft beslist. Die gezagsbeëindiging is in hoger beroep niet aan de orde. Alleen de beëindiging van het in dit hoger beroep wel aan de orde zijnde gezag van de moeder over [minderjarige 1] heeft rechtsgevolg.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier op grond van het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van F.A. Tolman als griffier en is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.