Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak A is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Bespreking van een ontvankelijkheidsverweer
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er in zaak C sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit pagina 8 van het desbetreffende procesdossier blijkt dat de verdachte niet overeenkomstig artikel 53 lid 2 Sv na aankomst op het politiebureau is voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. De hulpofficier van justitie heeft de taak om de rechtmatigheid en aanvaardbaarheid van de aanhouding te controleren en de noodzaak tot verdere vrijheidsbeneming te beoordelen. Daarbij is de verdachte ook niet op zijn rechten gewezen zoals behoort te worden gedaan bij een voorgeleiding. Om een signaal af te geven naar verbalisanten, dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 1 januari 2025 om 04:55 uur is aangehouden door verbalisant [verbalisant 1] , die tevens hulpofficier van justitie is. Na aanhouding is de verdachte de cautie gegeven en is hij op zijn recht op rechtsbijstand gewezen. Vervolgens is hij overgebracht naar het politiebureau. Daar is hij, kort na aankomst, gehoord door dezelfde verbalisant die hem nogmaals op zijn rechten wees. Onmiddellijk na het verhoor is de verdachte om 06:00, één uur en vijf minuten na zijn aanhouding, heengezonden op last van een andere hulpofficier van justitie.
Gelet op dit korte tijdsbestek, het feit dat de aanhouding, het overbrengen naar een plaats van verhoor en het verhoor zelf door dezelfde verbalisant - die tevens hulpofficier van justitie is - is gebeurd en op het feit dat transparant is geverbaliseerd over de gang van zaken, blijkt naar het oordeel van het hof niet dat de verdachte enig nadeel als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv heeft geleden. Het verweer wordt daarom verworpen.
Tenlasteleggingen
Zaak B:
1.hij op of omstreeks 16 november 2024 te Almere een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 10 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde
2.hij op of omstreeks 16 november 2024 te Almere terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Hospitaaldreef, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
Zaak C:
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Hilversum terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Minckelersstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;Zaak D:
hij op of omstreeks 7 januari 2025 te Den Hout, gemeente Oosterhout terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de rijksweg A59, als bestuurder een motorrijtuig, (bedrijfsauto (bestelauto)), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte meermalen een auto heeft bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Door de raadsman is vrijspraak bepleit voor hetgeen in zaak B en zaak C aan de verdachte wordt verweten. Daartoe is aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het voertuig heeft bestuurd. De raadsman heeft zich wat zaak D betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem onder zaak B, feit 2, zaak C en zaak D (steeds kort gezegd: rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard) ten laste is gelegd en overweegt daartoe als volgt.
Besluit tot ongeldigverklaring en bekendmaking daarvan aan de verdachte
Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9, tweede lid, eerste volzin Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, zal (allereerst) uit de bewijsvoering moeten blijken dat het rijbewijs van de verdacht ongeldig is verklaard, het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. artikel 3:40 en 3:41 Algemene wet bestuursrecht respectievelijk artikel 124, derde lid, en 132, vierde lid, WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) aan de houder van het rijbewijs, waarin het besluit is weergegeven, alsmede een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden (vgl. Hoge Raad 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:221).
Het CBR heeft bij aangetekende brief van 18 maart 2024 aan de verdachte kenbaar gemaakt dat hij een cursus over drugs en verkeer moet volgen, omdat hij weigerde om mee te werken aan een bloedonderzoek. Bij die brief is tevens de factuur voor de opleggingskosten gevoegd. Deze aangetekende brief is retour afzender gegaan.
Bij brief van 30 april 2024 is het rijbewijs ongeldig verklaard vanaf 7 mei 2024, omdat de opleggingskosten niet zijn voldaan. Echter, op de brief staat vermeld: “Deze brief is niet per post verzonden omdat er geen adres in de Basisregistratie Personen (BRP) staat en er bij ons geen correspondentieadres bekend is”.
Het openbaar ministerie heeft op 17 januari 2025 de correspondentie van het CBR opgevraagd. Bij e-mail van 24 januari 2025 laat een medewerker van Team Mededelingen CBR Divisie Rijgeschiktheid weten: “De bekendmaking van de ongeldigverklaring is aangetekend en betekend verstuurd op 30 april 2024. Er is echter geen adres van de betrokkene bekend waardoor de brief niet is verstuurd.”
Uit het dossier blijkt verder ook niet dat de diverse verhorende verbalisanten genoemde brief van 30 april 2024 van het CBR aan de verdachte in persoon hebben uitgereikt.
Het hof komt dan ook tot het oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat het desbetreffende besluit waarbij het rijbewijs ongeldig is verklaard aan de verdachte bekend is gemaakt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat het besluit niet van kracht geworden. Om die reden zal het hof de verdachte vrijspreken van hetgeen aan hem ten laste is gelegde in zaak B, feit 2, zaak C en zaak D.
Nu de bewijsvoering reeds strand op dit onderdeel, hoeft het verweer van de raadsman niet te worden besproken.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van zaak B feit 1. De verdachte betwist dat hij het voertuig heeft bestuurd, hij verklaart dat de eigenaar van de auto, Redouan, de bestuurder was. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte het voertuig heeft bestuurd, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
In het proces-verbaal van 17 november 2024 wordt het volgende geverbaliseerd. Drie verbalisanten reden in een voertuig over de rotonde van de Hospitaaldreef te Almere. Een Opel Corsa die de rotonde naderde remde te laat om het voertuig van de verbalisanten voorrang te verlenen. Het voertuig van de verbalisanten maakte een ontwijk manoeuvre om een aanrijding te voorkomen en de Opel Corsa maakte een noodstop. De Opel Corsa gleed door en kwam op ongeveer een meter afstand van het voertuig van de verbalisanten tot stilstand. De Opel Corsa stond haaks voor het voertuig van de verbalisanten stil, met de bestuurderszijde rechtstreeks voor het voertuig. Verbalisant [verbalisant 2] , die voorin de passagiersstoel zat, had hierdoor goed zich op de bestuurder van de Opel Corsa.
Vervolgens is een stopteken gegeven aan de Opel Corsa, waaraan werd voldaan. De verbalisanten zagen dat het voertuig heen en weer schudde en dat er beweging was op de achterbank. Toen de verbalisanten het voertuig benaderden, was de bestuurdersstoel leeg. De persoon die verbalisant [verbalisant 2] met volledige zekerheid herkende als de bestuurder van het voertuig – de verdachte – zat op de achterbank.
Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de herkenning en van de overige inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten te twijfelen. Het hof gaat dan ook, mede gezien de overige feiten en omstandigheden zoals die volgen uit de bewijsmiddelen, voorbij aan de verklaring van de verdachte.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak B onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 november 2024 te Almere een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 10 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Wat in de zaak B onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf en maatregel
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder zaak B feit 1, zaak C en zaak D bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft een motorrijtuig bestuurd terwijl hij onder invloed was van cannabis. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs de rijvaardigheid nadelig beïnvloedt. Dit brengt een risico voor de verkeersveiligheid met zich. De verdachte heeft zich onverantwoordelijk gedragen door onder invloed van drugs deel te nemen aan het verkeer.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is ook rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor rijden onder invloed van cannabis is, indien er sprake is van recidive, een geldboete van € 450,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 januari 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet.
Het hof acht, alles afwegende en mede gelet op de draagkracht van de verdachte, een geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Utrecht van 6 september 2024 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van vier maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Aan deze vordering is door het openbaar ministerie ten grondslag gelegd het in de zaak C tenlastegelegde. Nu de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak A (parketnummer 96-358167-24) tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak B (parketnummer 96-015937-25) onder 2, zaak C (parketnummer 96-039479-25) en zaak D (parketnummer 96-057409-25) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak B (parketnummer 96-015937-25) onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking O.M. van 7 februari 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Utrecht van 6 september 2024, parketnummer 96-276453-23, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.F. van Halderen, mr. M. Iedema en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2026.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[.....]