GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.343.500/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/715431 / HA ZA 22-248
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026
in de zaak van
GROUP DF OIL & GAS LTD.,
gevestigd te Nicosia, Cyprus,
hierna: Group DF,
appellante in principaal appel,
geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
1. WEST OIL GROUP HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna: WOG BV,
2. W.O.G. HOLDING LTD.,
gevestigd te Nicosia, Cyprus,
hierna: WH Ltd,
3. OWG OIL WEST LTD.,
gevestigd te Limassol, Cyprus,
hierna: OWG Ltd,
geïntimeerden in principaal appel,
appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. K.J. Saarloos te Amsterdam,
4. YUDELLE ASSET HOLDINGS LTD.,
gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,
hierna: Yudelle,
geïntimeerde in principaal appel,
appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. A.J. van Wees te Amsterdam,
5. KUFFRY ASSET HOLDINGS LTD.,
gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,
6. RAMNISA HOLDINGS LTD.,
gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,
7. STAR CLOUD HOLDINGS INC.,
gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,
geïntimeerden,
niet verschenen,
8. [geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats 1] , Oekraïne,
hierna: [geïntimeerde 1] ,
9. [geïntimeerde 2],
wonend te [plaats 2] , Oekraïne,
hierna: [geïntimeerde 2] ,
geïntimeerden in principaal appel,
appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. K.J. Saarloos te Amsterdam,
10. [geïntimeerde 3] ,
wonend te [plaats 3] , Oekraïne,
geïntimeerde,
niet verschenen,
11. [appellant 1] ,
wonend te [plaats 1] , Oekraïne,
hierna: [appellant 1] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. W.J.L. de Clerck te Leiden,
12. [appellant 2] ,
wonend te [plaats 1] , Oekraïne,
hierna: [appellant 2] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. J.F. Vlek te Amsterdam.
WOG BV, WH Ltd, OWG Ltd, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden hierna tezamen (ook) WOG c.s. genoemd.
1. De zaak in het kort
Group DF stelt dat geïntimeerden tezamen jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld en vordert hoofdelijke veroordeling van alle geïntimeerden tot betaling van ruim $ 500.000 aan schadevergoeding. Op grond van afzonderlijke bevoegdheidsincidenten van de verschenen geïntimeerden heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen.
Ook het hof verklaart zich onbevoegd. Ten aanzien van WOG BV en OWG Ltd is de Nederlandse rechter niet bevoegd vanwege een arbitragebeding. Ten aanzien van de andere geïntimeerden geldt dat een beroep op artikel 8 Brussel I-bis of artikel 7 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet opgaat omdat de Nederlandse Trustbestuurders van WOG BV niet kunnen dienen als ankergedaagden.
2. Het geding in hoger beroep
Group DF is bij dagvaarding van 12 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 13 september 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Group DF als eiseres in de hoofdzaak en verweerster in de bevoegdheidsincidenten, en (onder meer) geïntimeerden als gedaagden waarvan WOG c.s., Yudelle, [appellant 1] en [appellant 2] tevens optraden als eisers in de door hen ingestelde bevoegdheidsincidenten.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
memorie van grieven, met producties;
akte uitlating betekening, met bijlagen, van Group DF;
memorie van antwoord en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties, van WOG c.s.;
memorie van antwoord en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel van [appellant 2] ;
memorie van antwoord en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel van Yudelle;
memorie van antwoord en memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met een productie, van [appellant 1] ;
memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel van Group DF.
Op 23 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen de zaak laten toelichten, Group DF door mr. De Groot voornoemd en zijn kantoorgenoten mrs. P. Sluijter en J.L. Angelier, WOG c.s. door mr. Saarloos voornoemd en zijn kantoorgenoot mr. K.P.J. Geertsen, Yudelle door mr. Van Wees voornoemd en haar kantoorgenoot mr. S.W. Vissink, [appellant 2] door mr. Vlek voornoemd en [appellant 1] door mr. De Clerck voornoemd. Behalve mr. De Clerck hebben alle advocaten gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
Group DF en WOG c.s. hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling nadere producties toegestuurd. Bij de mondelinge behandeling heeft het hof de bezwaren van WOG c.s. en Group DF over en weer tegen de toelating van de aktes met productie van respectievelijk 19 september 2025 van Group DF en 22 september 2025 van WOG c.s. wegens strijd met de goede procesorde verworpen. Daarmee behoren ook die aktes tot de processtukken.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Group DF heeft bewijs aangeboden van haar stellingen.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
De partijen
Group DF is actief in de olie- en gasindustrie in Oekraïne.
WOG B.V., WH Ltd en OWG Ltd maken deel uit van WOG Group. WOG Group is exploitant van een tankstationnetwerk in Oekraïne. OWG Ltd is de enige aandeelhouder van WH Ltd die op haar beurt de enige aandeelhouder is van WOG BV. OWG Ltd is tot 2013 aandeelhouder geweest van vennootschappen die tankstations en netwerken van tankstations (de werkmaatschappijen) in Oekraïne exploiteren. WH Ltd en WOG BV zijn in 2013 opgericht.
Yudelle is een holdingmaatschappij die in 2013 is opgericht door [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De aandelen in Yudelle zijn in 2014 ingebracht in een trust ten behoeve van zijn kinderen. [naam 1] is in 2015 overleden. Geïntimeerden 5, 6 en 7 zijn de houdstermaatschappijen van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en geïntimeerde 10.
Tot 2013 zijn [naam 1] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en geïntimeerde 10 indirect de aandeelhouders van OWG Ltd geweest. Na een herstructurering van WOG Group in 2013 zijn zij via hun houdstermaatschappijen de aandeelhouders van WH Ltd geworden. Geïntimeerde 10 heeft in 2017 zijn aandelen in WH Ltd overgedragen aan de houdstermaatschappijen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . In 2021 heeft Yudelle haar aandelen in WH Ltd verkocht.
[naam 1] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en geïntimeerde 10 hebben in de jaren 90 de Continium Group in Oekraïne opgericht. Binnen de Continium Group zijn verschillende vennootschappen actief waaronder OWG Ltd. Verder behoort een olieraffinaderij in Kherson in Oekraïne tot de handelsactiviteiten van de Continium Group.
De bestuurders van WOG Group en WOG BV
[naam 1] had tot augustus 2015 de dagelijkse leiding over de Continium Group en WOG Group. Na zijn overlijden hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] het dagelijkse bestuur van WOG Group overgenomen.
Bij de oprichting van WOG BV op 3 oktober 2013 zijn [appellant 1] , [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ) benoemd als bestuurders van WOG BV. [appellant 1] was van 2007 tot 2013 CEO van de Continium Group.
[naam 2] en [naam 3] (hierna: de Trustbestuurders) hebben beide woonplaats in Nederland. Zij zijn in 2017 afgetreden als bestuurders van WOG BV.
[appellant 1] is in 2019 afgetreden als bestuurder van WOG BV en opgevolgd door [appellant 2] . Hij was daarvoor van 2013 tot en met 2014 CEO van de Continium Group.
Gebeurtenissen tussen Group DF en WOG Group
De indirecte aandeelhouder en bestuurder van Group DF, [naam 4] , heeft in 2011 een aandelenbelang van 90% verworven in Nadra Bank, gevestigd in Oekraïne. Nadra Bank was een van de kredietverstrekkers van de Continium Group en OWG Ltd.
Group DF (dan wel haar rechtsvoorgangster) heeft in 2011 en 2012 vier leningen verstrekt aan OWG Ltd tot een totaalbedrag van $ 131.787.200. In de leningsovereenkomsten van 2 september 2011, 14 december 2011 en 25 juni 2012 is een forumkeuze opgenomen voor de gerechten van het Verenigd Koninkrijk en een rechtskeuze voor Engels recht. In de leningsovereenkomst van 24 oktober 2012 is de jurisdictie van de gerechten van het Verenigd Koninkrijk uitgesloten en is gekozen voor arbitrage voor het London Court of International Arbitration (hierna: LCIA). Ook in deze leningsovereenkomst is een rechtskeuze voor Engels recht opgenomen.
In 2012 en 2013 heeft de Continium Group een herstructurering van OWG Ltd aan Group DF voorgesteld. In het kader van die herstructurering zijn WH Ltd en WOG BV opgericht.
Op 13 augustus 2013 hebben Group DF als Lender en OWG Ltd als Borrower een Summary of Indicative Terms and Conditions (hierna: de Summary) opgesteld. In dat document wordt WOG BV geïntroduceerd als nieuwe houdstermaatschappij voor de werkmaatschappijen waarvan OWG Ltd aandeelhouder was. Verder worden de door Group DF verstrekte leningen aan OWG Ltd beschreven en worden een nieuwe door Group DF te verstrekken lening aan OWG Ltd en een nieuwe leningsovereenkomst voor de reeds verstrekte en de nog te verstrekken nieuwe lening genoemd. WOG BV wordt daarbij genoemd als ‘Guarantor’ ten gunste van Group DF voor de verplichtingen van OWG Ltd onder die nieuwe leningsovereenkomst. Voor de gehele financiering (alle leningen tezamen) worden nieuwe zekerheden genoemd voor de betalingsverplichtingen van OWG Ltd uit hoofde van alle geldleningen, waaronder de aandelen in WOG BV.
Verder is in de Summary opgenomen:
“This Summary (…) does no create any legally binding obligations on the Lender or the Borrower, save as expressly set out hereinbelow.
29. Jurisdiction (a) any dispute under the New Loan Agreement, the Guarantee and other related documentation shall be referred to LCIA; (…)”
In artikel 31.4 is opgenomen dat geschillen voortvloeiend uit, of in verband met de Summary onderworpen zijn aan arbitrage door het LCIA.
Op 27 december 2013 is een Term Sheet opgesteld. Deze Term Sheet is volgens de introductie opgesteld voor discussiedoeleinden en creëert volgens de introductie geen “(…) legally binding obligations on the DF Investor [Group DF, hof], the JV Company [WOG BV, hof], the Existing Shareholders [Yudelle en de niet verschenen geïntimeerden onder 5, 6 en 7, hof], the ES Investor [WH Ltd, hof], the OWG Guarantors [ [naam 1] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en de niet verschenen geïntimeerde 10, hof], the GDF Guarantor [de UBO van Group DF, hof] or Continium or any of their respective affiliates or any other party.”
Uit de verdere tekst van de Term Sheet volgt dat partijen een zogenaamde JV Agreement en een Refinery JV Agreement zouden opstellen en sluiten voor participatie van Group DF in de handelsactiviteiten van de Continium Groep in de tankstations van OWG Ltd en de raffinaderij in Kherson. Om dat te bewerkstelligen zou OWG Ltd worden omgezet in WOG BV.
In de Term Sheet is onder hoofdstuk 18 “DISPUTE RESOLUTION AND ARBITRATION CLAUSE” gekozen voor arbitrage door het LCIA voor de beslechting van geschillen voortvloeiend uit, of in verband met, de JV Agreement (en daaraan verbonden documenten). In hoofdstuk 19 is een rechtskeuze voor Engels recht opgenomen.
Group DF heeft vervolgens ingestemd met de verhanging van de activa van OWG Ltd (de aandelen in de Oekraïense werkmaatschappijen) naar WOG BV onder de voorwaarde dat WOG BV een Garantie zou stellen tot zekerheid voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van OWG Ltd uit hoofde van de leningsovereenkomsten.
Over de tekst van de Garantie is onderhandeld door Group DF enerzijds en WOG BV en OWG Ltd anderzijds. Op 20 maart 2014 heeft de bedrijfsjurist van de Continium Group aan de Oekraïense juridische bijstandsverlener van Group DF bericht:
“(…) The suretyship agreement [de Garantie, hof] is in the process of signing: sent to Netherlands, and then will be sent to the signing of [appellant 1] unfortunately, today [appellant 1] flew on a business trip, but on his return it will be immediately signed and sent to you. (…)”
In de tekst van de Garantie is opgenomen dat WOG BV zich garant stelt voor in ieder geval de vier geldleningen uit 2011 en 2012 die OWG Ltd heeft gesloten met Group DF en nog een te verstrekken lening. Verder is in de Garantie opgenomen:
“(…)
7. GOVERNING LAW AND JURISDICTION
This Deed and any non-contractual obligations arising out of it are governed by English law.
Any dispute arising out of or in connection with this Deed, including any question regarding its existence, validity or termination, shall be referred to and finally resolved by arbitration under the Rules of the London Court of International Arbitration (…)”
De leningsovereenkomsten tussen (de rechtsvoorgangster van) Group DF en OWG Ltd zijn op respectievelijk 14 december 2011 (leningsovereenkomst van 2 september 2011) en 28 maart 2014 (de andere drie leningsovereenkomsten) gewijzigd met vier Amendment Agreements. Daarbij is de forumkeuze uit de leningsovereenkomsten gewijzigd in:
“Any dispute arising out of or in connection with this Amendment Agreement, including any question regarding its existence, validity or termination, shall be referred to and finally resolved by arbitration under the Rules of the London Court of International Arbitration (…).
(…) The Parties hereby agree to exclude the jurisdiction of the English courts. (…)”
Vervolgens is gesproken over participatie van Group DF in WOG BV met het doel uitbreiding van de activiteiten in Oekraïne (de exploitatie van tankstations in Oekraïne) om op die wijze de door Group DF verstrekte leningen en andere financiering van OWG Ltd af te lossen en inkomsten voor Group DF te genereren. WOG BV zou voor die participatie van Group DF aandelen uitgeven en aan Group DF leveren.
In februari 2014 hebben dochterondernemingen van Group DF twee geldleningen verstrekt aan WOG Trading LLC en Zolotoyy Ekvator LLC (twee vennootschappen binnen de WOG Group). Deze geldleningen bedroegen in totaal $ 89.550.473.
In 2015 heeft Group DF (middels een intermediair) drie geldleningen verstrekt aan vennootschappen binnen de WOG Group voor een totaalbedrag van $ 84.493.352.
Eind 2015 bedroeg de totale financiering van WOG Group door Group DF een bedrag van $ 305.831.025.
Vervolgens is tussen partijen discussie ontstaan over de waarde van de uit te geven aandelen in WOG BV en hoe groot het belang van Group DF in WOG BV zou worden. De bestuurders van Group DF en WOG Group zijn overeengekomen dat werknemers van Group DF op een kantoor van West Petrol Market LLC, een dochteronderneming van WOG Group in Kyiv, Oekraïne, zouden assisteren bij de herstructurering van WOG Group. Gedurende die samenwerking is het verschil van mening tussen partijen opgelopen.
WOG BV heeft geen aandelen uitgegeven ten behoeve van de participatie van Group DF. Zij heeft de Garantie niet ondertekend en verstrekt aan Group DF. De door Group DF aan OWG Ltd (en aan haar verbonden vennootschappen) verstrekte leningen zijn niet afgelost.
4. Procedure bij de rechtbank
Samengevat heeft Group DF bij de rechtbank gevorderd om – na eisvermindering – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerden en de eveneens gedaagde Trustbestuurders hoofdelijk te veroordelen tot betaling van $ 500.403.940 dan wel een lager bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten met nakosten, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de gedaagden (in deze procedure geïntimeerden) die geen woon- of vestigingsplaats in Nederland hebben ook wel de niet-Nederlandse gedaagden genoemd. Het hof zal deze partijen hierna ook de niet-Nederlandse geïntimeerden noemen. In de procedure bij de rechtbank hebben WOG c.s., Yudelle, [appellant 1] en [appellant 2] elk een incidenteel bevoegdheidsincident opgeworpen. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat tussen Group DF enerzijds en WOG BV en OWG Ltd anderzijds arbitragebedingen gelden en dat het geschil ten aanzien van hen onder de reikwijdte van die bedingen valt. Het geschil met WOG BV en OWG Ltd moet volgens de rechtbank worden voorgelegd aan het LCIA en de rechtbank acht zich ten aanzien van hen niet bevoegd om kennis te nemen van de vordering. Bij gebrek aan bevoegdheid kan WOG BV ook niet dienen als ankergedaagde voor de niet-Nederlandse gedaagden. De rechtbank acht zich wel bevoegd kennis te nemen van de vordering ten aanzien van de Trustbestuurders, maar heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van WH Ltd, Yudelle, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [appellant 1] en [appellant 2] , omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis en artikel 7 lid 1 Rv. Vervolgens heeft de rechtbank zich ambtshalve ook onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen op de niet verschenen niet-Nederlandse gedaagden. De Trustbestuurders hebben de rechtbank daarna verzocht zich ook jegens hen onbevoegd te verklaren wegens relatieve onbevoegdheid. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. Op dit moment staat de zaak van Group DF tegen de Trustbestuurders bij de rechtbank op de parkeerrol.
5. Vordering in hoger beroep
Group DF vordert vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende – uitvoerbaar bij voorraad – bevoegdheid aan te nemen ten aanzien van geïntimeerden en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Amsterdam voor inhoudelijke behandeling, met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
Volgens WOG c.s., Yudelle, [appellant 1] en [appellant 2] moet het hof het bestreden vonnis bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden zoals toegelicht in de grief in het voorwaardelijk incidenteel appel, met beslissing over de proceskosten met nakosten en rente.
6. Beoordeling
De vraag die, zowel ambtshalve als gezien de aangevoerde grieven, moet worden beantwoord, is of de Nederlandse rechter in dit geschil rechtsmacht heeft ten aanzien van de geïntimeerden.
Ten aanzien van WOG BV, WH Ltd en OWG Ltd moet die vraag worden beantwoord aan de hand van Verordening Brussel I-bis, omdat het geschil materieel, formeel en temporeel valt onder het toepassingsgebied van deze verordening (artikelen 1, 4 en 66 Brussel I-bis).
Yudelle, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [appellant 1] , [appellant 2] en geïntimeerden 5, 6, 7 en 10 zijn gevestigd of hebben woonplaats op de Britse Maagdeneilanden of in Oekraïne. De rechtsmacht moet voor hen worden bepaald aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 Rv.
Group DF bestrijdt de onbevoegdverklaring van de rechtbank met twee hoofdgrieven, onderverdeeld in subgrieven. Kort gezegd komen deze neer op het volgende.
Volgens Group DF is het arbitragebeding dat zij met WOG BV is overeengekomen niet van toepassing op de in deze procedure ingestelde vordering. Geïntimeerden hebben op frauduleuze wijze tegen haar samengezworen en die handelwijze valt niet binnen de reikwijdte van het arbitragebeding. Dat geldt ook voor het arbitragebeding in de verhouding tussen Group DF en OWG Ltd. Verder kunnen de Trustbestuurders dienen als ankergedaagden ten aanzien van de niet-Nederlandse geïntimeerden en is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van de vordering jegens hen op grond van ofwel artikel 8 lid 1 Brussel I-bis ofwel artikel 7 Rv, aldus Group DF.
Geen van de grieven slaagt en ook het hof acht zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering van Group DF tegen geïntimeerden. Het hof licht dat als volgt toe.
Rechtsmacht ten aanzien van WOG BV
Vanwege het feit dat WOG BV in Amsterdam is gevestigd, is de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd om van een vordering jegens haar kennis te nemen op grond van artikel 4 lid 1 in samenhang met artikel 63 Brussel I-bis.
WOG c.s., Yudelle, [appellant 1] en [appellant 2] betwisten die bevoegdheid en voeren aan dat als er al sprake is van een vordering, deze is onderworpen aan arbitrage bij het LCIA omdat in de concept Garantie een arbitragebeding is overeengekomen tussen Group DF en WOG BV, zodat de Nederlandse rechter niet bevoegd is.
Arbitragebeding WOG BV
Als tussen Group DF en WOG BV een arbitragebeding geldt en aan dit beding werking toekomt, dan moet het hof zich op grond van artikel II lid 3 Verdrag van New York en op grond van artikel 1074 Rv onbevoegd verklaren ten aanzien van WOG BV, tenzij de overeenkomst waarin het arbitragebeding is opgenomen ongeldig is naar het recht dat op die overeenkomst van toepassing is. Voornoemd verdragsartikel bepaalt:
“De rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig wordt gemaakt over een onderwerp ten aanzien waarvan partijen een overeenkomst als bedoeld in dit artikel hebben aangegaan, verwijst partijen op verzoek van een hunner naar arbitrage, tenzij hij constateert, dat genoemde overeenkomst vervallen is, niet van kracht is of niet kan worden toegepast.”
Het Verdrag van New York prevaleert in dat geval boven Brussel I-bis, zo blijkt uit de considerans onder 12 en artikel 73 punt 2 Brussel I-bis. Dit verdrag is hier van toepassing.
Met grief 1A komt Group DF op tegen het oordeel van de rechtbank dat een geldige arbitrageclausule is overeengekomen in de Garantie die ook vorderingen op grond van onrechtmatige daad omvat. Bij de mondelinge behandeling heeft Group DF toegelicht dat grief 1A ook is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij überhaupt gebonden zou zijn aan het arbitragebeding. In de ogen van WOG c.s. betreft dit laatste een ongeoorloofde uitbreiding van de grieven; grief 1A ziet volgens haar alleen op de reikwijdte van het arbitragebeding en omvat niet een betwisting van het bestaan daarvan. WOG c.s. hebben op de zitting bezwaar gemaakt tegen deze gestelde uitbreiding van de grieven.
Dat bezwaar is vergeefs. Weliswaar kan aan WOG c.s. worden toegegeven dat de samenvatting van grief 1A (randnummer 3.1.6 onder a memorie van grieven) beperkt lijkt tot de reikwijdte van het arbitragebeding, maar gezien de verdere toelichting in de memorie van grieven ziet het hof aanleiding deze grief breder uit te leggen. In randnummers 3.2.4 en 3.2.5 betoogt Group DF namelijk dat de rechtbank ten onrechte i) is meegegaan in het betoog van WOG c.s. dat zij zich wel beroepen op het arbitragebeding in de Garantie maar de Garantie zelf niet willen nakomen, en ii) op basis daarvan heeft geoordeeld dat partijen overeenstemming zouden hebben bereikt over het arbitragebeding en dat daar zelfs onrechtmatigedaadsvorderingen onder zouden vallen. Verder staat in de samenvatting van grief 1B (randnummer 3.1.6 onder b memorie van grieven) “Met Grief 1B (…) komt Group DF op tegen het oordeel van de rechtbank over de reikwijdte van het arbitragebeding opgenomen in de WOG Garantie, voor zover al overeengekomen.” Uit deze bredere context leidt het hof af dat Group DF in de eerste plaats grieft tegen de door de rechtbank veronderstelde totstandkoming van het arbitragebeding. Het hof zal zich daar eerst over buigen. Daarbij merkt het hof op dat het belang van WOG c.s. bij het bezwaar tegen de uitbreiding van de grief beperkt is, omdat hierna wordt geoordeeld dat het arbitragebeding tussen partijen overeen is gekomen en de grief in zoverre faalt.
Arbitragebeding: geldigheid
Op grond van artikel 10:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een overeenkomst tot arbitrage materieel geldig als zij geldig is naar het recht dat partijen hebben gekozen of naar het recht van de plaats van arbitrage of, indien partijen geen rechtskeuze hebben gedaan, naar het recht dat van toepassing is op de rechtsbetrekking waarop de arbitrageovereenkomst betrekking heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de vraag of het arbitragebeding materieel geldig is, moet worden beantwoord naar Engels recht en dat dat ook volgt ook uit de tekst van het arbitragebeding.
Het arbitragebeding is opgenomen in de Garantie en ligt daarmee schriftelijk vast. Naar Engels recht (artikel 5 van de Engelse Arbitration Act 1996) valt dat beding daarom onder de definitie van een schriftelijk arbitragebeding waar de Arbitration Act 1996 op van toepassing is. De stelling van Group DF dat de Garantie ongeldig is en de reikwijdte van het daarin opgenomen arbitragebeding daarom beperkt is tot de vraag of de Garantie rechtsgeldig tot stand is gekomen, gaat niet op.
Artikel 7 van de Arbitration Act 1996 bepaalt dat de geldigheid van een arbitragebeding dat onderdeel vormt van een andere overeenkomst (de overkoepelende overeenkomst) losstaat van de geldigheid van de overkoepelende overeenkomst en afzonderlijk moet worden beoordeeld (separabiliteitsleer):
“Unless otherwise agreed by the parties, an arbitration agreement which forms or was intended to form part of another agreement (whether or not in writing) shall not be regarded as invalid, non-existent or ineffective because that other agreement is invalid, or did not come into existence and has become ineffective, and it shall for that purpose be treated as a distinct agreement”.
Ook als de overkoepelende overeenkomst nooit tot stand is gekomen of ongeldig is, kan het arbitragebeding bindend zijn, aldus Russell on Arbitration. Dat wordt bevestigd in het door Group DF overgelegde juridisch advies van H. Malek, Kings Counsel in het Verenigd Koninkrijk (hierna: Malek) van 24 mei 2023. Daarin verwijst Malek onder meer naar de uitspraak in de Fiona Trust-zaak dat een arbitragebeding als geldig kan worden beschouwd ook als er geen geldige overkoepelende overeenkomst (meer) is. Zo schrijft Lord Hoffmann in die zaak:
“18. (…) Even if the allegation is that there was no concluded agreement (for example, that terms of the main agreement remained to be agreed) that is not necessarily an attack on the arbitration agreement. If the arbitration clause has been agreed, the parties will be presumed to have intended the question of whether there was a concluded main agreement to be decided by arbitration.”
En Lord Hope of Craighead in diezelfde uitspraak:
“32. (…) The validity, existence or effectiveness of the arbitration agreement is not dependent upon the effectiveness, existence or validity of the underlying substantive contract unless the parties have agreed to this.(…)”
Dit kan anders zijn als partijen daarover iets anders zijn overeengekomen, zo volgt uit voornoemd artikel 7 van de Arbitration Act 1996.
Volgens het door Group DF overgelegde juridisch advies van Malek moet naar Engels recht de vraag of partijen het arbitragebeding zijn overeengekomen, worden beoordeeld aan de hand van de standaard vereisten voor de totstandkoming van overeenkomsten, zoals aanbod en aanvaarding, duidelijkheid over de voorwaarden en de bedoeling om rechtens relevante relaties aan te gaan. Bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank hebben zowel Group DF (pagina 5 proces-verbaal) als WOG BV (pagina 4 proces-verbaal) via hun advocaten expliciet erkend dat tussen hen wilsovereenstemming bestond over het arbitragebeding. Die wilsovereenstemming blijkt ook uit het feit dat partijen hebben onderhandeld over de tekst van de Garantie en het arbitragebeding en dat de bedrijfsjurist van Continium op 20 maart 2014 in een e-mail heeft meegedeeld dat de Garantie, en daarmee het arbitragebeding, zou worden ondertekend (zie ook hiervoor onder 3.17). Dat die wilsovereenstemming heeft ontbroken omdat Group DF, zoals zij meer dan tien jaar later in deze procedure bij de mondelinge behandeling heeft gesteld, nooit zou hebben ingestemd als zij had geweten dat WOG BV de Garantie niet zou finaliseren, is in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd en wordt daarom niet gevolgd.
Dat WOG c.s. de totstandkoming van de Garantie (de overkoepelende overeenkomst) in de procedure betwisten, maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat het eventueel niet tot stand komen van de Garantie zou betekenen dat het arbitragebeding niet tot stand kwam. Integendeel, in het arbitragebeding staat juist expliciet dat ook aan arbitrage wordt onderworpen: “any dispute arising out of or in connection with this Deed, including any question regarding its existence, validity [onderstreping door het hof] or termination.” De discussie over de vraag of de Garantie tot stand is gekomen, staat dan ook niet in de weg aan de geldigheid van het arbitragebeding en kan aan de orde komen in de hoofdzaak. Dit is ook in lijn met wat Lord Hoffmann heeft overwogen in voornoemde uitspraak in de zaak Fiona Trust (nummer 18 zoals hiervoor geciteerd).
Voor zover Group DF nog opwerpt dat het arbitragebeding niet geldig is omdat dit niet is ondertekend en dat op grond van de Statute of Frauds Act uit 1677 wel vereist is, verwerpt het hof dat. Artikel II lid 1 van het Verdrag van New York bepaalt alleen dat een arbitragebeding schriftelijk moet zijn overeengekomen, niet dat dat ondertekend moet zijn. Zo kan ook aan het schriftelijkheidsvereiste worden voldaan door middel van elektronische communicatie. Ook de Statute of Frauds Act vereist geen ondertekening van een arbitragebeding. WOG c.s. hebben een juridisch advies overgelegd van T. Landau, Kings Counsel in het Verenigd Koninkrijk, van 9 september 2025 over arbitragebedingen naar Engels recht. Hij noemt daarin artikel 4 van de Statute of Frauds Act waarin formaliteiten staan omschreven waaraan een garantieovereenkomst moet voldoen, waaronder dat sprake moet zijn van een ondertekend document. Volgens hem bestaat er naar Engels recht in het algemeen overeenstemming over dat die formaliteiten niet van toepassing zijn op een arbitragebeding in een garantieovereenkomst, vanwege het principe van separabiliteit. Daarbij speelt onder meer een rol dat als ondertekening van een arbitragebeding in een garantieovereenkomst een vereiste zou zijn voor de geldigheid van dat beding, dit verder zou gaan dan de eisen die daaraan worden gesteld in artikel II lid 1 van het Verdrag van New York en daarmee zou leiden tot een overtreding van dat artikel door het Verenigd Koninkrijk. In hun reactie op dat advies van 23 september 2025 bevestigen ook Malek en M. Parker (eveneens Kings Counsel in het Verenigd Koninkrijk) dat artikel 4 van de Statute of Frauds Act niet relevant is voor en niet van toepassing is op het arbitragebeding in de Garantie vanwege het principe van separabiliteit.
Dat Group DF en WOG BV geschillen over hun rechtsbetrekking willen laten beslechten door een arbiter wordt tot slot bevestigd door het feit dat Group DF en OWG Ltd in de voorafgaand tussen hen gesloten overeenkomsten in het kader van de beoogde samenwerking ook arbitragebedingen zijn overeengekomen waarbij het LCIA is aangewezen als arbiter. Dit betreft de Leningsovereenkomsten, de Summary en de Term Sheet.
Arbitragebeding: reikwijdte
Met grief 1A en 1B komt Group DF ook op tegen het oordeel van de rechtbank dat haar vordering tegen WOG BV op grond van onrechtmatig handelen onder de reikwijdte van het arbitragebeding valt. Dit sluit volgens haar niet aan bij de subjectieve en objectieve intenties van partijen en gaat verder dan de separabiliteitsleer.
Onder Engels recht wordt de reikwijdte van een arbitragebeding vastgesteld door een objectieve interpretatie van dat beding vanuit het uitgangspunt van “one-stop adjudication”. Dat wil zeggen dat als partijen een arbitragebeding zijn overeengekomen, dat beding zo breed mogelijk wordt uitgelegd, zodat zoveel mogelijk, zo niet alle geschillen tussen partijen kunnen worden beslecht in arbitrage, zowel contractuele als niet-contractuele geschillen. Lord Hoffmann heeft dat in de zaak Fiona Trust (nummer 13) aldus toegelicht dat een arbitragebeding moet worden uitgelegd op basis van de veronderstelling dat de partijen, als rationele ondernemers, waarschijnlijk bedoeld hebben dat elk geschil dat voortvloeit uit de relatie die zij zijn aangegaan of beweerden te zijn aangegaan, door hetzelfde scheidsgerecht zou worden beslist en niet door verschillende scheidsgerechten. Dit houdt in dat ook niet-contractuele vorderingen die voortvloeien uit de relatie tussen partijen onder het arbitragebeding vallen, tenzij de bewoordingen van het arbitragebeding expliciet duidelijk maken dat bepaalde vragen bedoeld waren om van de jurisdictie van de arbiter te worden uitgesloten. Dit uitgangspunt geldt in het bijzonder als de niet-contractuele vorderingen gebaseerd zijn op hetzelfde feitencomplex als de contractuele vorderingen die onder dat beding vallen. De gebruikte bewoordingen van het arbitragebeding vormen het uitgangspunt en moeten ruim worden uitgelegd volgens Russell on Arbitration. Artikel 6 lid 1 van de Arbitration Act 1996 bevestigt een ruime uitleg: “In this Part an “arbitration agreement” means an agreement to submit to arbitration present or future disputes (whether they are contractual or not).” Ook daaruit volgt dat in beginsel niet alleen contractuele maar ook buiten-contractuele vorderingen kunnen worden bestreken door een arbitragebeding.
In het arbitragebeding in de Garantie staat “Any dispute arising out of or in connection with this Deed, including any question regarding its existence, validity or termination, shall be referred to and finally resolved by arbitration under the Rules of the London Court of International Arbitration (…)”. Zoals hiervoor is overwogen, moet dit beding ruim worden uitgelegd en ook uit de alomvattende bewoordingen zelf - “any dispute arising out of or in connection with this Deed” - volgt dat dit beding een breed toepassingskader kent zonder uitsluiting. Gelet op dit alles luidt de conclusie dat Group DF en WOG BV hebben bedoeld dat hieronder ook vorderingen uit onrechtmatige daad vallen.
Dat Group DF nu aanvoert dat zij geen rekening heeft hoeven houden met de gestelde heimelijke handelwijze van WOG BV en zij daarom ook niet beoogd heeft dat haar vorderingen tegen verschillende betrokkenen zou versplinteren door een arbitragebeding kan haar niet baten. Zij heeft immers ingestemd met het arbitragebeding met deze brede toepassing dat ook ziet op vorderingen vanwege onrechtmatig handelen. Zoals Lord Hope of Craighead schrijft in de zaak Fiona Trust (nummer 27): “The purpose of the clause is to provide for the determination of disputes of all kinds, whether or not they were foreseen at the time when the contract was entered into.” Group DF heeft bovendien nagelaten om nader te concretiseren welke geschillen ondanks de ruime formulering niet onder het arbitragebeding zouden vallen, hetgeen wel op haar weg had gelegen.
Group DF betoogt in grief 1B verder dat als buitencontractuele vorderingen al binnen de werkingssfeer van het arbitragebeding vallen, de verwijten jegens WOG BV zo weinig verband houden met de Garantie dat deze buiten de reikwijdte van het arbitragebeding vallen. Haar vordering is immers gebaseerd op een samenstel van verschillende handelingen door WOG BV en niet op een geschil over (uitsluitend) de Garantie. Volgens Group DF speelde WOG BV een cruciale rol bij het onrechtmatig handelen van gedaagden in groepsverband en was zij de spilfiguur in het aan hen verweten handelen. Zo heeft WOG BV meegewerkt aan het verhangen van alle belangrijke activa van OWG Ltd naar WOG BV na de herstructurering en werd zij feitelijk groepshoofd van WOG Group, kreeg [appellant 1] als bestuurder van WOG BV een sturende en centrale rol binnen WOG Group en voerde [appellant 1] die rol uit naam van WOG BV, had WOG BV als beoogde Joint Venture Vennootschap de verplichting om aandelen in haar kapitaal uit te geven aan Group DF en heeft WOG BV een actieve rol gespeeld bij het onrechtmatig afhandig maken van honderden miljoenen dollars door deze weg te sluizen in plaats van erop toe te zien dat deze financiering ten goede kwam aan de joint venture. Daarnaast hebben [appellant 1] en de Trustbestuurders als bestuurders van WOG BV verwijtbaar gehandeld en moeten deze gedragingen worden aangemerkt als gedragingen van WOG BV. Tot slot heeft WOG BV medewerkers van Group DF onrechtmatig verwijderd uit de kantoren van WOG BV in [plaats 1] , aldus Group DF.
Ook deze grief faalt. De stellingen die Group DF ten grondslag heeft gelegd aan haar vordering tegen de geïntimeerden komen er in de basis op neer dat de beoogde samenwerking tot doel had dat zij geld leende aan OWG Ltd in ruil voor participatie via een aandelenbelang in de WOG Group. Onderdeel van de samenwerking was de toestemming van Group DF aan OWG Ltd voor de herstructurering, waarbij de aandelen van OWG Ltd zijn overgedragen aan WOG BV als beoogde joint venture, onder de voorwaarde dat WOG BV een garantie zou afgeven voor de betaling aan Group DF van de tot dan toe aan OWG Ltd verstrekte leningen, aldus Group DF. Volgens haar is verhaal op OWG Ltd illusoir geworden omdat die vennootschap als gevolg van de aandelenoverdracht niet langer beschikt over de relevante aandelen, terwijl WOG BV, ondanks beloftes om dat wel te doen, tegelijkertijd heeft nagelaten om de Garantie te ondertekenen. In deze procedure vordert Group DF voornamelijk de door haar betaalde gelden als schadevergoeding.
Hieruit vloeit voort dat de kern van het verwijt ten aanzien van WOG BV is dat zij Group DF heeft voorgehouden dat zij de Garantie zou afgeven en dat toch niet heeft gedaan met alle gevolgen van dien. In de verdere stellingname in eerste aanleg en in hoger beroep komt Group DF nog met klachten over de handelwijze van WOG BV zoals weergegeven in r.o.6.15. Het verwijt aan WOG BV dat zij heeft meegewerkt aan het verhangen van de aandelen is echter juist onlosmakelijk verbonden met de Garantie. Ten aanzien van de overige klachten heeft Group DF niet (voldoende) concreet gemaakt en uitgewerkt dat en in welk opzicht die verweten gedragingen onrechtmatig zouden zijn los van de Garantie en de daarmee samenhangende verplichtingen. In dat verband valt bijvoorbeeld op dat het verwijt dat WOG BV niet heeft voldaan aan haar verplichting om aandelen uit te geven eerder duidt op een contractuele tekortkoming dan op onrechtmatig handelen. Concluderend is onvoldoende duidelijk geworden dat de verwijten aan WOG BV buiten de reikwijdte van het arbitragebeding vallen.
Het hof verwerpt verder de stelling van Group DF dat het arrest Mozambique/Privinvest van het Supreme Court van het Verenigd Koninkrijk van 20 september 2023 tot de conclusie leidt dat de vordering tegen WOG BV op grond van onrechtmatig handelen buiten het arbitragebeding valt. In dat arrest oordeelde het Supreme Court dat de vordering van de republiek Mozambique tegen Privinvest uit onrechtmatige daad, vanwege omkoping en samenzwering, niet viel binnen de reikwijdte van een arbitraal beding. Dat arrest is hier echter niet van toepassing omdat de casus niet vergelijkbaar is. Anders dan in dit geval, waar tussen Group DF en WOG BV het arbitragebeding geldt, deed Privinvest in voornoemd arrest een beroep op een arbitragebeding in overeenkomsten waarbij de republiek Mozambique geen partij was. Bovendien gaat die uitspraak over de uitleg van arbitrageclausules naar Zwitsers recht en niet naar Engels recht, zoals hier aan de orde, en speelde daar met name de vraag of de omvang van de schade onder het arbitragebeding viel.
De subsidiaire grief van Group DF, dat de Nederlandse rechter in elk geval bevoegd is ten aanzien van een deel van de vorderingen jegens WOG BV, faalt ook. Deze grief suggereert dat tegen WOG BV meerdere vorderingen zijn ingesteld, maar dat is niet het geval. Er is slechts één vordering tegen WOG BV die gebaseerd is op een aantal verwijten. Niet duidelijk is dan ook wat Group DF bedoelt met deze subsidiaire grief. Ook heeft Group DF niet toegelicht ten aanzien van welke verwijten de Nederlandse rechter zich volgens haar bevoegd zou moeten verklaren en welk deel van de vordering dan zou moeten worden beoordeeld in arbitrage.
De opmerkingen van Group DF over het Extended Fiona Trust principe leidt niet tot een ander oordeel. Het doel van dit beginsel is dat zoveel mogelijk geschillen tussen dezelfde partijen worden beslecht door hetzelfde tribunaal om te voorkomen dat sterk samenhangende geschillen door verschillende instanties worden beslist. Dit kan aan de orde zijn als partijen verschillende samenhangende contracten hebben gesloten met daarin één of meer al dan niet tegenstrijdige rechtskeuzeclausules en vast komt te staan dat partijen de bedoeling hebben gehad om vergelijkbare geschillen op dezelfde wijze te beslechten.
Dat dit beginsel geweld wordt aangedaan, zoals Group DF stelt, doordat verwijzing van de procedure tegen WOG BV naar arbitrage zorgt voor versplintering, omdat de vorderingen tegen de andere geïntimeerden dan door andere instanties moeten worden beslecht, gaat niet op. Zoals ook Landau bepleit, is het Extended Fiona Trust principe hier niet van toepassing, omdat er geen contractuele vorderingen zijn ingesteld en er bovendien geen conflicterende of strijdige clausules zijn. Dat de toepassing van het arbitragebeding leidt tot versplintering van de onderhavige procedure omdat de vorderingen tegen de verschillende gedaagden dan door andere instanties worden beslist, is gerechtvaardigd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt immers dat de vordering tegen WOG BV moet worden beslecht in arbitrage. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat Group DF met haar betoog over versplintering voorbij gaat aan het juridische gevolg van een arbitragebeding dat de overheidsrechter dan niet bevoegd is. Divergentie in de beslechting van het geschil op zichzelf is onvoldoende om bevoegdheid aan te nemen in weerwil van het beding.
Het hof concludeert dat de aan WOG BV verweten gedragingen voortvloeien uit dan wel samenhangen met de Garantie en daarmee onderworpen zijn aan arbitrage door de LCIA op grond van het arbitragebeding. De rechtbank heeft zich daarom terecht onbevoegd verklaard en geoordeeld dat WOG BV in deze procedure niet kan dienen als ankergedaagde voor de niet-Nederlandse geïntimeerden.
Rechtsmacht ten aanzien van OWG Ltd
De rechtbank heeft in r.o. 5.38 overwogen dat tussen Group DF en OWG Ltd arbitragebedingen zijn overeengekomen in de door de Amendment Agreements gewijzigde leningsovereenkomsten. Group DF heeft daar niet tegen gegriefd zodat dat vast staat. De klacht van Group DF over de reikwijdte van die arbitragebedingen faalt. Volgens Group DF vormen de leningsovereenkomsten niet de basis van haar vordering tegen OWG Ltd maar vormen die slechts één van de achtergronden die relevant zijn voor de onrechtmatige daad in groepsverband. Het hof verwerpt dit standpunt en verwijst in dit verband naar r.o. 6.13 en 6.14 die hier evenzeer gelden ten aanzien van de reikwijdte. Zoals in r.o. 6.16 is overwogen, vormden onder meer de geldleningen de basis van de beoogde samenwerking en zou de Garantie vervolgens zekerheid geven voor de terugbetaling van die leningen aan Group DF. Uit de stellingen van Group DF in eerste aanleg en in hoger beroep maakt het hof alleen op dat zij OWG Ltd verwijt dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door te bewerkstelligen dat de leningen niet zijn terugbetaald. Meer of andere concrete verwijten ontbreken. De vordering tegen OWG Ltd valt daarmee binnen de reikwijdte van de arbitragebedingen in de geldleningsovereenkomsten en de rechtbank heeft zich terecht onbevoegd verklaard om daarvan kennis te nemen.
Trustbestuurders als ankergedaagden
Ten aanzien van de overige niet-Nederlandse geïntimeerden stelt Group DF zich in grief 2A op het standpunt dat de Trustbestuurders kunnen dienen als ankergedaagden in de zin van artikel 8 Brussel I-bis (voor de Europese geïntimeerden) of artikel 7 Rv (voor de niet-Europese geïntimeerden). Tussen de vorderingen bestaat een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige afdoening en berechting. Daarom is sprake van eenzelfde situatie feitelijk en juridisch, waardoor is voldaan aan de voorwaarden van de ankergedaagdenregeling, aldus Group DF.
Dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Group DF tegen de Trustbestuurders is niet in geschil. De vraag is of dat ook leidt tot bevoegdheid voor de vorderingen tegen WH Ltd, Yudelle, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [appellant 1] en [appellant 2] vanwege een zodanige samenhang tussen de vordering van Group DF tegen de Trustbestuurders en de vordering tegen deze geïntimeerden dat er bij afzonderlijke behandeling en berechting van de vorderingen gevaar bestaat dat onverenigbare beslissingen worden gegeven.
Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis (ten aanzien van WH Ltd als partij gevestigd in een EU-lidstaat) en artikel 7 lid 1 Rv (ten aanzien van Yudelle, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [appellant 1] en [appellant 2] als partijen van buiten de EU) die een afwijkende grond geven voor bevoegdheid in het geval er meerdere gedaagden zijn.
Artikel 7 lid 1 Rv is gebaseerd op (de voorloper van) artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Bij de uitleg van deze bepalingen slaat het hof daarom mede acht op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over (de voorlopers van) artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Het zeer beperkte tekstuele verschil tussen beide bepalingen en het verschil in reikwijdte van beide regelingen – Brussel I-bis regelt ook de erkenning – staat daar niet aan in de weg.
Deze artikelen komen er in de kern op neer dat als het gerecht van de woonplaats van een van de gedaagden rechtsmacht heeft (de ankergedaagde) ook andere gedaagden voor die rechter kunnen worden opgeroepen op voorwaarde dat een zo nauwe band bestaat tussen de vorderingen dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting, om te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Deze bijzondere bevoegdheidsregel, waarmee wordt afgeweken van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis, moet eng worden uitgelegd. Daarbij beoordeelt de rechter de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering, maar identificeert deze uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat die zijn bevoegdheid rechtvaardigen. Artikel 8 lid 1 Brussel I-bis en artikel 7 lid 1 Rv mogen niet worden misbruikt door op grond daarvan een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft. Dat zou het geval kunnen zijn als er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.
De vordering van Group DF op de Trustbestuurders is een vordering uit onrechtmatige daad in groepsverband, net zoals de vordering tegen de overige geïntimeerden. Group DF spreekt de Trustbestuurders daarbij aan in hun hoedanigheid van bestuurders van WOG BV. Group DF verwijt hen wetenschap van en betrokkenheid bij i) het uitwerken van de gemaakte afspraken via presentaties en discussies en het opstellen van de Term Sheet, ii) het aantrekken van vele miljoenen aan financiering en iii) de herstructurering. Ook is er volgens Group DF mede onder verantwoordelijkheid van de Trustbestuurders voor gekozen om de financiering niet aan te wenden voor het doel dat met Group DF was overeengekomen. Op de vorderingen tegen alle geïntimeerden is Oekraïens recht van toepassing en zij worden allemaal aansprakelijk gehouden voor dezelfde schade uit hoofde van in groepsverband gepleegde zwendel, gegrond op dezelfde feitelijke situatie. Daarmee is sprake van eenzelfde juridische en feitelijke situatie, aldus Group DF.
Op grond van artikel 4 van Rome II is hier van toepassing het recht van Oekraïne, zijnde het land waar de schade zich voordoet. Dat is tussen partijen niet in geschil. De verwijzing van Group DF in haar memorie van grieven naar artikel 10:119 sub e BW, met de suggestie dat (ook) Nederlands vennootschapsrecht van toepassing is, gaat hier niet op. Het aan de bestuurders verweten handelen valt niet onder de corporatieregel van artikel 10:119 sub e BW. Group DF heeft overigens in haar pleitnota bevestigd dat Oekraïens recht van toepassing is.
WOG c.s., Yudelle, [appellant 1] en [appellant 2] voeren terecht aan dat de Trustbestuurders niet kunnen dienen als ankergedaagden omdat de vordering van Group DF jegens hen geen juridische basis heeft. Naar Oekraïens recht is een vordering tegen bestuurders van een vennootschap in die hoedanigheid evident ongegrond.
Artikel 92 van het Oekraïens Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een rechtspersoon burgerlijke rechten en verplichtingen verwerft en uitoefent via zijn organen, die handelen volgens de oprichtingsakte en de wet.
Artikel 96 van het Oekraïens Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een rechtspersoon als enige aansprakelijk is voor haar verplichtingen.
Artikel 239 van het Oekraïens Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een door een vertegenwoordiger verrichte handeling de burgerlijke rechten en verplichtingen doet ontstaan, wijzigen en eindigen van de (rechts)persoon die hij of zij vertegenwoordigt.
Hieruit volgt dat handelingen of nalatigheden van een bestuurder in zijn hoedanigheid worden beschouwd als handelingen en nalatigheden van de rechtspersoon die hij of zij vertegenwoordigt. Daaruit volgt dat bestuurders die in die hoedanigheid handelen niet persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld jegens derden.
Dat artikel 1190 van het Oekraïens Burgerlijk Wetboek voorziet in groepsaansprakelijkheid in geval van collectieve handelingen zoals Group DF aanvoert, maakt dat niet anders. Daaruit volgt namelijk niet dat bestuurders van vennootschappen in die hoedanigheid persoonlijk kunnen worden aangesproken. Dat volgt ook niet uit artikel 1171 van het Oekraïens Burgerlijk Wetboek waar Group DF naar heeft verwezen. Dat artikel bepaalt dat een werkgever niet aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt door een werknemer onder werktijd als gevolg van handelingen die niet werkgerelateerd zijn. De twee uitspraken van de Oekraïense Hoge Raad waar Group DF op heeft gewezen, leiden evenmin tot een andere conclusie. De uitspraak van 28 november 1999 ziet op de vereisten voor aansprakelijkheid van een onderneming en de uitspraak van 26 januari 2022 gaat eveneens over werknemersaansprakelijkheid. Het is evident dat geen van die situaties hier aan de orde is.
Op basis hiervan concludeert het hof dat de vordering van Group DF tegen de Trustbestuurders niet mogelijk is en daarmee zonder werkelijk belang is ingesteld. Om die reden kan al geen sprake zijn van eenzelfde situatie juridisch en komt het hof niet toe aan verdere beoordeling van de gestelde nauwe band tussen de vorderingen tegen de Trustbestuurders en tegen de andere niet-Nederlandse geïntimeerden.
Deze conclusie brengt met zich dat sprake is van misbruik van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis ten aanzien van WH Ltd en van artikel 7 lid 1 Rv ten aanzien van Yudelle, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [appellant 1] en [appellant 2] en dat de Nederlandse rechter enkel is aangezocht met als doel om deze niet-Nederlandse geïntimeerden af te houden van de gerechten van de (lid)staat van hun woonplaats. De Trustbestuurders kunnen dus niet dienen als ankergedaagden en Group DF komt geen beroep toe op deze bevoegdheidsgronden. Grief 2A slaagt daarom niet.
WOG BV als ankergedaagde
Grief 2B waarin Group DF betoogt dat WOG BV kan dienen als ankergedaagde is gebaseerd op de stelling dat de vordering jegens WOG BV niet onder het arbitragebeding valt. Die stelling is hiervoor ( r.o. 6.20) al verworpen. Dat WOG BV ook kan dienen als ankergedaagde als de vordering jegens haar (deels) onder het arbitragebeding valt, zoals Group DF subsidiair stelt, is niet juist. Aangezien de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van de vordering tegen WOG BV, kan zij ook om die reden niet dienen als ankergedaagde. Daarmee verwerpt het hof ook grief 2B.
Overige bevoegdheidsgronden
Ten aanzien van WH Ltd, Yudelle, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [appellant 1] en [appellant 2] kan ook geen bevoegdheid worden ontleend aan artikel 7 lid 2 Brussel I-bis of artikel 6 onder e Rv. De rechtbank heeft daarover in r.o. 5.58 al overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn dat de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden of de plaats waar de schade is ingetreden in Nederland ligt, omdat Group DF heeft gesteld dat de schade is veroorzaakt in [plaats 1] , Oekraïne. Hierover is in hoger beroep niet iets anders bepleit. Van andere bevoegdheidsgronden is niet gebleken en dat is door partijen ook niet bepleit.
Voorwaardelijk incidenteel appel
WOG c.s., Yudelle, [appellant 1] en [appellant 2] hebben voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld tot verbetering van gronden voor het geval grief 2A zou slagen. Nu die grief faalt, is de voorwaarde niet vervuld en komt het hof niet toe aan behandeling van het voorwaardelijk incidenteel appel.
Niet verschenen geïntimeerden
De niet verschenen geïntimeerden 5, 6, 7 en 10 zijn gevestigd of hebben hun woonplaats op de Britse Maagdeneilanden of Oekraïne. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht om kennis te nemen van de vorderingen van Group DF op de niet-Nederlandse geïntimeerden. Dat geldt ook voor de vorderingen van Group DF op de niet verschenen geïntimeerden 5, 6, 7 en 12. De rechtbank heeft zich terecht ambtshalve onbevoegd verklaard om van die vorderingen kennis te nemen.
Geen bewijslevering
In het kader van dit bevoegdheidsincident bestaat geen ruimte voor bewijslevering.
Conclusie en proceskosten
Het hoger beroep heeft geen succes. De grieven slagen niet. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Group DF is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep in principaal appel. Een beslissing over de proceskosten in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep blijft achterwege, omdat de voorwaarde waaronder dit is ingesteld niet is vervuld (zie Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:BV9966).
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep in principaal appel als volgt vast ten aanzien van:
WOG c.s.:
- griffierecht € 6.561,-
- salaris advocaat € 2.580,- (tarief II, 2 punten)
Totaal € 9.141,-
Yudelle:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 2.580,- (tarief II, 2 punten)
Totaal € 9.141,-
[appellant 1] :
griffierecht € 1.780,-
salaris advocaat € 2.580,- (tarief II, 2 punten)
Totaal € 4.360,-
[appellant 2] :
griffierecht € 2.053,-
salaris advocaat € 2.580,- (tarief II, 2 punten)
Totaal € 4.633,-
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt Group DF in de proceskosten in principaal hoger beroep, tot nu vastgesteld op:
€ 9.141,- voor WOG c.s.;
€ 9.141,- voor Yudelle;
€ 4.360,- voor [appellant 1] en
€ 4.633,- voor [appellant 2] ;
telkens te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt Group DF tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan, telkens te betalen aan WOG c.s., Yudelle, [appellant 1] en [appellant 2] elk;
verklaart deze veroordelingen ten aanzien van WOG c.s., Yudelle en [appellant 2] uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, C. Bakker en M. Mieras en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.