Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zandvoort , een motor ( [bedrijf] , met kenteken [kenteken 1] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
subsidiair hij op of omstreeks 11 of 12 augustus 2023 te Zandvoort een motor ( [bedrijf] , met kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de politierechter.
Vrijspraak heling
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte de motor heeft geheeld en zal de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Bewijsoverweging
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde diefstal van de motor gevorderd.
Standpunt raadsman
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de diefstal bepleit en daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het de verdachte is geweest die op de motor heeft gereden. De herkenning door de verbalisanten is gebrekkig. De verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de motor en stelt zich op het standpunt dat het door de verbalisanten geconstateerde letsel (schaafwonden) is veroorzaakt door een val van een trap. Bovendien kan niet worden vastgesteld op welk moment de motor is gestolen en was de locatie waar de diefstal plaatsvond niet dichtbij de plek waar de verdachte is aangetroffen.
Beoordeling van het hof
Het hof dient te beoordelen of het de verdachte is geweest die op de motor heeft gereden, ten val is gekomen en daarna weer is doorgereden. Als die vraag bevestigend kan worden beantwoord, dan dient het hof te beoordelen of de verdachte de motor heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. Ter beantwoording van die vragen stelt het hof de volgende feiten vast.
De eigenaar van de motor, een [bedrijf] , kleur oranje/bruin, kenteken [kenteken 2] , heeft haar motor op 10 augustus 2023 omstreeks 17.30 uur geparkeerd in haar garagebox aan het [plaats 2] . Op 11 augustus 2023, omstreeks 13.50 uur stond de motor daar nog.
Verbalisant [getuige] ziet op 12 augustus 2023, omstreeks 03.10 uur een oranjekleurig motor rijden. De bestuurder draagt geen helm. [getuige] ziet en hoort de motorrijder vallen en hoort een geluid alsof ijzer over asfalt werd gehaald. Hij ziet vonken van de motorfiets komen terwijl die over de rijbaan glijdt. [getuige] ziet de bestuurder weer op de motor stappen en wegrijden. Hij geeft zijn waarnemingen door aan collega’s en geeft als signalement van de bestuurder op dat het een persoon betreft met een donkerkleurige trainingsbroek, een grijze 'hoodie' met daaroverheen een donkerkleurige bodywarmer. In de rechtermouw zit een scheur.
Kort daarna ziet verbalisant [verbalisant 1] een motor met hoge snelheid rijden. De motorrijder rijdt recht op [verbalisant 1] af. Hij kan de motorrijder goed zien, omdat hij met een zaklamp in diens gezicht schijnt. De motorrijder is een man met een licht getinte huidskleur, zwarte trainingsbroek, grijze hoodie en een donkere bodywarmer. [verbalisant 1] ziet dat het kenteken van de motor eindigt op [kenteken 2] .
Beide verbalisanten gaan achter de motorrijder aan. Als beiden een kort moment geen zicht hebben op de motor, ziet [verbalisant 1] een man aan komen lopen. Hij komt uit de richting van de parkeervakken van een (naar het hof begrijpt: nabijgelegen) appartementencomplex. Op dat moment zijn er geen andere personen op straat. [verbalisant 1] ziet dat dit dezelfde man is als degene die hij kort daarvoor zag rijden op de motor. Ook ziet hij dat de mouw van de man is gescheurd en dat de man verse schaafwonden en bloed had aan zijn handen. De man wordt staande gehouden en blijkt de verdachte te zijn.
[getuige] ziet dat de verdachte dezelfde kleding draagt als de persoon die hij kort daarvoor had zien rijden op de motor. Hij herkent de verdachte als de bestuurder van de motor.
Een derde verbalisant, [verbalisant 2] , is ter plaatse gekomen en loopt naar eerdergenoemde parkeervakken van het appartementencomplex. Daar treft hij de motor aan. De uitlaat is nog warm en de motor heeft verse schade. Als de aangever later ter plaatse komt, herkent zij direct haar motor.
Zowel [getuige] als [verbalisant 1] zijn in hoger beroep door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord en zij hebben hun eerdere bevindingen bevestigd.
De verdachte is de bestuurder
Uit het samenstel van bovenstaande feiten en omstandigheden en met name uit de waarneming van de verbalisanten, stelt het hof vast dat de verdachte de bestuurder is geweest van de motor. De verklaring die de verdachte geeft voor zijn aanwezigheid op de plaats waar hij is staande gehouden en voor het bij hem geconstateerde letsel is niet nader onderbouwd en acht het hof volstrekt onaannemelijk.
Diefstal
Bij de beantwoording van de vraag of iemand zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal kan aan het enkele voorhanden hebben van een gestolen voorwerp niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de betrokkene dat voorwerp ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652). Bij die beoordeling kan een rol spelen of de betrokkene een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor dat voorhanden hebben. De rechter mag in zijn overweging omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken dat de verdachte voor zo’n omstandigheid als het voorhanden hebben van een voorwerp - welke omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit - geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven (vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652 .
Zoals eerder vastgesteld, stond de motor in ieder geval op 11 augustus 2023, omstreeks 13.50 uur nog in de garagebox. Op 12 augustus 2023, rond 03.10 uur, zien de verbalisanten de verdachte op de motor rijden. Dit tijdsbestek laat de reële mogelijkheid open dat de motor is gestolen op een moment kort voorafgaande aan het moment dat de verbalisanten de verdachte met de motor aantreffen. Het hof volgt de raadsman niet in zijn standpunt dat de plek waar de verdachte voor het eerst door de verbalisanten is gezien niet dichtbij de plaats van de diefstal ( [plaats 2] ) zou zijn. De verdachte is binnen de gemeente [plaats 1] aangetroffen, op de kruising van de [adres 2] met de [adres 3] , op een afstand die redelijkerwijs vanaf de [plaats 2] met een motor in korte tijd kan worden afgelegd (blijkens openbare bron, te weten [website] /verkeer/routeplanner, is de afstand ongeveer 2,5 kilometer). De verdachte heeft na zijn val met de motor de in uniform geklede verbalisant [verbalisant 1] ontweken en geprobeerd de motor uit het zicht te parkeren. Gelet op deze voor een bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring worden verlangd. Die heeft de verdachte niet gegeven. Hij heeft daarentegen volstrekt onaannemelijk elke betrokkenheid bij de gestolen motor ontkend.
Het hof is dan ook van oordeel dat er voldoende bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring van hetgeen de verdachte subsidiair wordt verweten.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Zandvoort een motor ( [bedrijf] , met kenteken [kenteken 1] ) die aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Wat subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand onvoorwaardelijk met aftrek.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemakt aan de diefstal van een kostbare motor. Dit is een hinderlijk feit, waarbij de verdachte geen blijk heeft gegeven van respect voor andermans eigendommen. Net zoals de politierechter rekent het hof het de verdachte aan dat er door zijn handelen schade is ontstaan aan de motor.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 januari 2026 is hij veelvuldig eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld. Het hof weegt dit ten nadele van de verdachte mee. Het hof constateert dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is, omdat aan de verdachte na het onderhavige feit meerdere straffen zijn opgelegd. Ook is het taakstrafverbod zoals bedoeld in artikel 22b Sr van toepassing, omdat de verdachte voorafgaand aan onderhavig feit voor een soortgelijk feit een taakstraf opgelegd heeft gekregen en deze heeft verricht. Anders dan bepleit door de raadsman acht het hof daarom oplegging van opnieuw een taakstraf niet passend.
Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 mei 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met proeftijd van drie jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot de gedeeltelijke tenuitvoerlegging moet worden toegewezen.
De raadsman heeft verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Het hof overweegt dat gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van een deel van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf worden gelast. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om de gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf, mede gelet op het taakstrafverbod dat ook gold ten tijde van voornoemd vonnis.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 mei 2023, parketnummer 15-150509-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 8 maanden, te weten:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. M. Iedema en mr. J.F. van Halderen, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 februari 2026.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]