GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.342.802/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/727460/ HA ZA 23-7
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 februari 2026
in de zaak van
FLICKBIKE B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
appellante,
advocaat: mr. M.S. van der Hoek te Den Haag,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelend te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Partijen worden hierna FlickBike en de Gemeente genoemd.
1. De zaak in het kort
Het gaat in deze zaak om een handhavingsbesluit van de Gemeente gericht aan een deelfietsexploitant. Het handhavingsbesluit is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd omdat de APV daarvoor geen grondslag bood. Het hof oordeelt dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die de deelfietsexploitant heeft geleden vanaf de datum van het handhavingsbesluit tot de datum dat de APV was aangepast en de Gemeente een handhavingsbesluit had kunnen nemen. Er moet een vergelijking worden gemaakt tussen het werkelijke resultaat over die periode en het fictieve resultaat dat de deelfietsexploitant had kunnen realiseren zonder het handhavingsbesluit. Het hof is voornemens daarover vragen te stellen aan een (of meer) deskundige(n).
2. Het geding in hoger beroep
FlickBike is bij dagvaarding van 3 juni 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 maart 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen FlickBike als eiseres en de Gemeente als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven en wijziging eis met productie,
- memorie van antwoord met productie,
- akte van de zijde van FlickBike,
- antwoordakte met producties,
- antwoordakte.
Op 27 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is toegelicht namens FlickBike door mr. Van der Hoek voornoemd en mr. R.R. Oudijk, advocaat te Alphen aan den Rijn en namens de Gemeente door mr. S.E. Vlaanderen en mr. J. Liauw-A-Joe, beiden advocaat te Amsterdam. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
FlickBike is begin 2017 opgericht. Zij wilde deelfietsen gaan exploiteren, als eerste in Amsterdam. Op l3 februari 2017 heeft [naam 1] , indirect bestuurder van
FlickBike, deze wens besproken met [naam 2] (hierna: [naam 2] ), beleidsadviseur bij de Afdeling verkeer & openbare ruimte van de Gemeente. Na het gesprek heeft FlickBike haar een verslag van het gesprek gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
Het meest belangrijke wat ons betreft: We zijn verheugd dat u het plan leuk vond! Met name het technologische aspect, de app, het slimme slot, dat is precies waar wij ook op inzetten. De gemeente is zoals u zei sceptisch richting fiets deel concepten, zeker gezien eerdere ervaringen waar het mislukte. (...)
Vanuit beleid en wetgeving zag u geen bezwaren, dit vinden wij erg belangrijk. Hoewel het concept gebruik maakt van openbare ruimten ten behoeve van commerciële doeleinden, bestaat er momenteel geen APV voor de wijze waarop wij FlickBike willen opzetten: het delen van fietsen voor brede doelgroepen, zonder vaste verhuur/parkeerstations.
(...)
We spraken ook over fiets parkeren. Dit is een groeiend probleem in de stad en wij willen uiteraard geen overlast veroorzaken. We gaven aan gebruikers te informeren in de app over de regels en de zones waar niet geparkeerd mag worden uit te sluiten voor uit-checken. Een samenwerking te zoeken met de fietsenstallingen is ook een waardevolle tip die we gaan opvolgen.
We spraken af dat ons experiment met de eerste 1000 fietsen bedoeld om het idee te toetsen een mooie eerste stap is en dat wij snel weer contact zullen opnemen zodra we de eerste gegevens hebben van het gebruik.
Heb ik het zo goed samengevat?
Bij e-mail van 15 februari 2017 heeft [naam 2] in reactie hierop geschreven dat zij denkt dat de samenvatting het gesprek goed weergeeft.
FlickBike heeft in april 2017 investeringen gedaan onder andere in de vorm van aanschaf van 1.000 fietsen, sloten en software.
Naar aanleiding van e-mails aan de stadsdelen Amsterdam Zuid en Amsterdam
Centrum van FlickBike heeft [naam 2] op 24 mei 2017 een e-mail aan FlickBike gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
Als gemeente willen we hierop inspelen door een marktconsultatie te houden over deelfietsen. (…)
Daarnaast zijn we bezig beleid te maken om een en ander te reguleren (op dit moment zijn er geen aparte regels voor deelfietsen) en onderzoeken wat er mogelijk en wenselijk is.
(…)
Op dit moment wachten we eerst de uitkomsten van de martkconsultatie af en bepalen we ons nieuwe beleid. Op basis daarvan bepalen we hoe we omgaan met nieuwe initiatieven/bedrijven op het gebied van gebruik van de openbare ruimte voor commerciële doeleinden in het algemeen en deelfietsen in het bijzonder.
lk raad je dus aan om de uitkomst van de marktconsultatie af te wachten.
Vervolgens is FlickBike vanaf 3 juli 2017 actief geweest als verhuurder van deelfietsen in de openbare ruimte van Amsterdam. Dit ging via het concept van freefloating. Dat wil zeggen dat de fietsen, bepaalde zones daargelaten, door heel Amsterdam konden worden gebruikt en ingeleverd.
In dezelfde periode zijn veel meer aanbieders van deelfietsen in Amsterdam actief geworden. Vanuit de bevolking werd geklaagd over de grote hoeveelheid deelfietsen in de openbare ruimte.
Na het voornemen daartoe op 27 augustus 2017 te hebben aangekondigd, hebben de dagelijks besturen van de bestuurscommissies van zeven stadsdelen van de Gemeente (hierna in enkelvoud: het dagelijks bestuur) in een gezamenlijk besluit van 29 september
2017 (hierna: het Besluit) FlickBike een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 2.50 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van Amsterdam (hierna: de APV). Volgens dit artikel is het zonder ontheffing van het college van burgemeester & wethouders (hierna: het college) verboden om op of aan de weg of het openbaar water tegen betaling diensten aan te bieden of te verlenen voor een werkzaamheid, zoals a) schoenpoetser, gids, portrettist, fotograaf, bewaker van voertuigen of andere zaken, reiniger van auto's of b) het werven van klanten voor bedrijven zoals rondvaartrederijen, hotels, horecabedrijven en prostitutiebedrijven.
De last hield in dat FlickBike binnen drie weken, dus uiterlijk 20 oktober 2017, alle door haar in de openbare ruimte van Amsterdam aangeboden deelfietsen moest verwijderen. FlickBike heeft de meeste fietsen tijdig verwijderd. Op 6 november 2017 heeft het dagelijks bestuur geconstateerd dat niet (volledig) aan de last was voldaan en vijf deelfietsen van FlickBike verwijderd die nog in de openbare ruimte aanwezig waren.
Bij zeven besluiten van 4 december 2018 heeft het dagelijks bestuur het door
FlickBike gemaakte bezwaar tegen het Besluit ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 september 2019 heeft de rechtbank Amsterdam de hiertegen door FlickBike ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Ook volgens de rechtbank is het aanbieden van deelfietsen in de openbare ruimte in strijd met artikel 2.50 van de APV.
Per 5 juli 2019 is de APV gewijzigd en is artikel 2.50a daarin opgenomen. Dit artikel bevat een verbod om zonder vergunning van het college voertuigen, die op of aan de weg staan, ter gebruik aan derden aan te bieden tegen betaling of anderszins met commerciële doeleinden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 22 juli 2020 geoordeeld dat FlickBike artikel 2.50 van de APV niet heeft overtreden en het vonnis van de rechtbank en de besluiten op bezwaar vernietigd en het Besluit van 29 september 2017 herroepen.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft FlickBike de Gemeente bij brief van 8 oktober 2020 aansprakelijk gesteld wegens onrechtmatige besluitvorming en ruim € 4 miljoen schadevergoeding gevorderd. Daarna heeft zij sommatiebrieven gestuurd en zijn schikkingsonderhandelingen gevoerd.
4. Procedure bij de rechtbank
FlickBike heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens FlickBike door het nemen van het Besluit (de vordering onder A);
de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de door FlickBike geleden schade door betaling van een bedrag van;
primair € 5.138.767,00 (de vordering onder C);
subsidiair € 4.241.384,00 (de vordering onder D);
meer subsidiair € 1.060.279,00 (de vordering onder E),
in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het Besluit (29 september 2017)
dan wel door betaling van een ander door de rechtbank begroot bedrag,
en met buitengerechtelijke kosten van € 6.675,00;
- de Gemeente te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten (de vordering onder B).
De rechtbank heeft de Gemeente uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling aan FlickBike van:
- € 20.989,60 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente;
- € 1.095,85 aan buitengerechtelijke kosten; en
- € 4.695,41 aan proceskosten, te vermeerderen met nakosten.
De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Met de vernietiging van het Besluit door de Afdeling is de onrechtmatigheid en toerekenbaarheid van het handelen van de Gemeente in beginsel gegeven. Ook is voldaan aan het relativiteitsvereiste, omdat inbreuk is gemaakt op het legaliteitsbeginsel, dat bescherming biedt tegen beperkend overheidshandelen zonder grondslag, en dit beginsel strekt tot bescherming van de schade van FlickBike. Het causaal verband moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf hoe de Gemeente zou hebben beslist (of gehandeld) als het niet het onrechtmatige besluit had genomen, omdat zij zich ervan bewust was dat de APV geen grondslag bood voor een deelfietsenverbod. Volgens de rechtbank zou FlickBike haar fietsen dan (voorlopig) nog hebben kunnen blijven exploiteren en daaruit inkomsten hebben verworven. Vaststaat dat zij die inkomsten (omzet) is misgelopen door het Besluit. De rechtbank acht het reëel dat FlickBike per 1 januari 2018 geen inkomsten meer zou hebben verkregen uit het exploiteren van deelfietsen in Amsterdam, omdat de Gemeente met spoed de APV zou hebben aangepast. De rechtbank stelt vast dat de extra maanden exploitatie zouden hebben geleid tot een bedrijfsresultaat dat € 20.989,60 beter zou zijn geweest. Dit wordt aangemerkt als gemiste exploitatieschade waarop FlickBike aanspraak kan maken. De gevorderde schadevergoeding vanwege nodeloze investeringen is niet toewijsbaar. De Gemeente heeft geen concrete toezegging gedaan op grond waarvan FlickBike er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de regelgeving ongewijzigd zou blijven en zij grootschalig kon investeren, aldus de rechtbank.
5. Vordering in hoger beroep
FlickBike heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar in hoger beroep gewijzigde vorderingen zal toewijzen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding in beide instanties, met rente en nakosten. In hoger beroep vordert FlickBike een verklaring voor recht dat de Gemeente jegens FlickBike onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor alle schade (waaronder schade als gevolg van (deels nodeloos gebleken althans verloren gegane) investeringen in fietsen en software) die FlickBike door het onrechtmatig handelen (ook na 1 januari 2018) heeft geleden en zal lijden en verwijzing naar de schadestaatprocedure.
De Gemeente heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van FlickBike in de kosten van het hoger beroep.
Beide partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.
6. Beoordeling
FlickBike komt met acht grieven op tegen het bestreden vonnis.
De grieven I tot en met VI zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat, samengevat:
- moet worden beoordeeld hoe de Gemeente zou hebben beslist als zij niet het onrechtmatige besluit zou hebben genomen omdat zij zich ervan bewust was dat de APV geen grondslag bood voor een deelfietsenverbod;
- voldoende aannemelijk is dat de Gemeente dan met spoed de APV zou hebben aangepast per 1 januari 2018;
- FlickBike dan haar exploitatie onmiddellijk zou hebben gestaakt; en
- de periode waarover inkomsten zijn gederfd waarvoor de Gemeente aansprakelijk is tegenover FlickBike loopt van 29 september 2017 tot 1 januari 2018.
Grief VII is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de verloren gegane investeringen. Grief VIII is gericht tegen het dictum.
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Het gaat hier om een handhavingsbesluit van 29 september 2017 dat door de Afdeling op 22 juli 2020 is vernietigd. Artikel 2.50 van de APV, waarop de Gemeente haar besluit had gebaseerd, verbood volgens de Afdeling het handelen van FlickBike niet.
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Gemeente met het nemen van het Besluit onrechtmatig heeft gehandeld, dat deze onrechtmatige daad aan haar kan worden toegerekend en dat aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Het hof licht dit als volgt toe.
Met de vernietiging van een besluit door de bestuursrechter is in beginsel gegeven dat door de overheid onrechtmatig is gehandeld en dat zij daaraan schuld heeft, ook als de overheid geen enkel verwijt treft (HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261). Dit geldt eens te meer in het hier aan de orde zijnde geval van een onjuiste wetstoepassing. Die is de overheid steeds toe te rekenen, omdat dit een oorzaak betreft die krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de overheid komt (HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3879). Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het relativiteitsvereiste komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. In deze zaak gaat het om een schending door de Gemeente van het legaliteitsbeginsel, omdat zij het Besluit heeft genomen zonder dat daarvoor een wettelijke grondslag bestond. Het legaliteitsbeginsel heeft ten doel (rechts)personen te beschermen tegen niet democratisch gelegitimeerde inbreuken op hun vrijheid, in de vorm van aantasting van hun persoonlijkheids- of eigendomsrechten. Deze geschonden norm heeft (onder meer, maar in ieder geval) de strekking om te beschermen tegen vermogensschade van een (rechts)persoon die rechtstreeks door een tot hem of haar gericht onrechtmatig besluit is getroffen. Dat is precies waarom het hier gaat: het financiële nadeel dat FlickBike heeft geleden doordat zij als gevolg van het aan haar gerichte Besluit haar exploitatie (eerder) heeft moeten staken.
De vervolgvraag is welk financieel nadeel FlickBike door het besluit van 29 september 2017 heeft geleden en door de Gemeente aan haar moet worden vergoed.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 6 januari 2017 (ECLI:NL:HR 2017:18), 25 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1510 en 30 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1334 volgt dat het causaal verband hier moet worden vastgesteld aan de hand van de maatstaf hoe het bestuursorgaan zou hebben beslist of gehandeld indien het niet het onrechtmatige besluit had genomen. Als peildatum bij deze beoordeling moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop het onrechtmatige besluit is genomen. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat op de peildatum 29 september 2017 geen handhavingsbesluit kon worden genomen omdat de APV daarvoor toen geen grondslag bood. Dit heeft ertoe geleid dat FlickBike haar onderneming op bevel van de Gemeente eerder heeft moeten stoppen zonder dat daarvoor een wettelijke grond bestond. Daarmee is het voor het aannemen van causaal verband vereiste condicio sine qua non-verband in beginsel gegeven.
Met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2022 en het in die zaak na verwijzing gewezen arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 30 mei 2023 (ECLI:NL:GHARL:4521) meent de Gemeente dat in dit kader belang toekomt aan het hypothetische scenario dat wanneer zij zich ervan bewust was geweest dat artikel 2.50 van de APV in dit geval geen grondslag bood voor handhaving, zij met spoed de wijziging van de APV in gang zou hebben gezet. De APV zou volgens de Gemeente dan in ieder geval op 1 januari 2018 zijn gewijzigd.
Het hof volgt de Gemeente hierin niet. In de zaak die ten grondslag lag aan de twee hiervoor genoemde arresten ging het om een begunstigend besluit van een gemeente dat in rechte wegens strijd met provinciale regels was vernietigd, waarna - inmiddels enkele jaren later - alsnog een begunstigend besluit kon worden genomen omdat de regels door de provincie inmiddels waren gewijzigd. In die situatie kan volgens de Hoge Raad betekenis toekomen aan de vraag of de regels wellicht al eerder gewijzigd hadden kunnen worden als de gemeente het probleem had onderkend en met de provincie in overleg was getreden. Langs deze weg wordt het causaliteitsleerstuk - de vraag welke schade aan het vernietigd besluit is toe te rekenen - ten gunste van een benadeelde verruimd.
In dit geval gaat het echter niet om een begunstigend besluit, maar om een belastend besluit. Naar het oordeel van het hof bieden de door de Gemeente aangehaalde arresten onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat ten nadele van een (rechts)persoon kan worden aangenomen dat causaliteit tussen het handelen van de overheid en de gevorderde schade ontbreekt, op basis van een hypothese dat als de overheid zich eerder van het falen van het eigen handelen bewust was geweest, zij tijdig haar eigen regels zou hebben aangepast. Het ligt bij een belastend besluit, zoals hier aan de orde is, in de rede om aansluiting te zoeken bij de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Omdat artikel 2.50a APV per 5 juli 2019 is ingevoerd (zie hiervoor onder 3.10) moet het ervoor worden gehouden dat de Gemeente niet voor 5 juli 2019 handhavend kon optreden.
Tussen partijen is niet in geschil - zo is ter zitting door FlickBike desgevraagd ook bevestigd - dat FlickBike haar activiteiten vanaf 5 juli 2019 zou hebben moeten staken. In debat is alleen of zij nog gebruik zou hebben kunnen maken van een uitlooptermijn voordat het haar definitief verboden zou worden haar activiteiten voort te zetten. Naar het oordeel van het hof moet al het nadeel dat FlickBike vanaf 5 juli 2019 heeft geleden, worden aangemerkt als nadeel toegebracht aan niet-rechtmatige belangen. De financiële gevolgen daarvan blijven voor eigen rekening en zijn niet aan te merken als schade die voor vergoeding in aanmerking komt. FlickBike kan dus geen aanspraak maken op vergoeding van schade die zij heeft geleden vanaf 5 juli 2019.
Het voorgaande betekent dat de periode waarover de Gemeente aansprakelijk is tegenover FlickBike loopt van 29 september 2017 tot 5 juli 2019. In zoverre slagen de grieven I-VI.
FlickBike stelt dat haar schade bestaat uit winstderving en nodeloze investeringen. Ten aanzien van de eerste schadecomponent sluit het hof zich aan bij rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis en neemt die over. Net als de rechtbank gaat het hof ervan uit dat FlickBike haar exploitatie zonder het Besluit niet zou hebben gestaakt, maar na 29 september 2017 voorlopig zou hebben voortgezet. Het hof komt hierop onder 6.15 terug.
Ten aanzien van de tweede schadecomponent, de nodeloze investeringen, overweegt het hof als volgt. In hoger beroep is het standpunt van FlickBike niet langer dat zij investeringen heeft gedaan na concrete toezeggingen van de Gemeente en dat deze investeringen vanwege een schending van het vertrouwensbeginsel aan haar moeten worden vergoed. FlickBike legt inmiddels aan haar vordering tot vergoeding van haar investeringen ten grondslag dat deze investeringen nodeloos zijn gebleken als gevolg van het Besluit. De Gemeente heeft echter terecht het condicio sine qua non-verband betwist tussen de investeringen en het Besluit. FlickBike heeft de initiële investeringen namelijk gedaan op een moment dat zij geen enkel zicht had op de mogelijke duur van de exploitatie, en mede met het oog op eventuele toekomstige exploitatie in andere plaatsen dan Amsterdam. De latere aanpassingen aan de software hadden volgens FlickBike als doel om de fietsen in andere plaatsen en in 2021 voor een pilot in enkele deelgemeenten in Amsterdam te kunnen gebruiken. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.20 van het bestreden vonnis heeft overwogen, FlickBike geen vergoeding van zowel het gemiste exploitatieresultaat als de verloren gegane initiële investeringen kan vorderen. Immers, zonder de initiële investeringen zou FlickBike niet hebben kunnen exploiteren en, in het verlengde daarvan, geen aanspraak kunnen maken op het gemiste resultaat vanwege het eerder moeten staken van haar exploitatie. Grief VII faalt.
Het hof is met de Gemeente van oordeel dat hier een verwijzing naar een schadestaatprocedure niet is aangewezen. Omdat de periode waarover de schade moet worden begroot vaststaat en deze in duur betrekkelijk beperkt is, namelijk van 29 september 2017 tot 5 juli 2019, is het, mede met het oog op het tijdsverloop en het gegeven dat er al schadebegrotingen zijn gemaakt waarover debat heeft plaatsgevonden, van belang dat de schadeomvang thans binnen bekwame tijd wordt begroot.
In eerste aanleg heeft FlickBike schadeopstellingen overgelegd met betrekking tot het gestelde gederfde resultaat. De Gemeente heeft deze schadeopstellingen echter gemotiveerd betwist, zodat het hof daarvan niet kan uitgaan. Volgens de Gemeente zou FlickBike in de periode vanaf 29 september 2017 tot 5 juli 2019 zelfs helemaal geen winst hebben gemaakt. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat er vanaf medio 2017 heel veel aanbieders van soortgelijke producten ten tonele verschenen in Amsterdam en er grote concurrentie was. Maar ook indien dit juist is, betekent dat nog niet dat FlickBike geen schade kan hebben geleden en dat de Gemeente geen schadevergoeding verschuldigd is.
Voor de vaststelling van de schade zal er een vergelijking moeten worden gemaakt tussen het door FlickBike in werkelijkheid gerealiseerde resultaat vanaf 29 september 2017 tot 5 juli 2019 en het fictieve resultaat dat zij zou hebben gerealiseerd als zij haar exploitatie in die periode in Amsterdam zou hebben kunnen voortzetten. Daarbij dient er rekening mee te worden gehouden dat niet alleen FlickBike maar ook de concurrenten die zich in 2017 presenteerden, tot 5 juli 2019 in Amsterdam actief hadden kunnen zijn. Als uit de hiervoor bedoelde vergelijking blijkt dat FlickBike winst heeft gemist óf minder verlies zou hebben gehad, heeft zij schade geleden waarvoor de Gemeente aansprakelijk is.
Het hof is voornemens om een deskundigenbericht te gelasten met betrekking tot de hiervoor bedoelde vergelijking van het werkelijke en het fictieve resultaat over de periode vanaf 29 september 2017 tot 5 juli 2019. Het hof wil aan de deskundige(n) de volgende vragen voorleggen:
- welk resultaat heeft FlickBike in de periode van 29 september 2017 tot 5 juli 2019 daadwerkelijk behaald?
- welk resultaat had FlickBike op de Amsterdamse markt kunnen behalen, rekening houdend met het feit dat er vanaf 2017 veel aanbieders waren met soortgelijke producten, indien zij ook daar haar onderneming van 29 september 2017 tot 5 juli 2019 had kunnen exploiteren?
- als er gemiste winst of een lagere verlies is, waarop begroot u de schade van FlickBike?
Op grond van artikel 195 Rv, tweede zin, zal het voorschot van de deskundige(n) vooralsnog door FlickBike moeten worden voldaan.
Voordat het hof een deskundige zal benoemen, mogen partijen zich uitlaten over het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Partijen wordt verzocht zo mogelijk met een gezamenlijk voorstel voor (een) deskundige(n) te komen, omdat voorstellen die niet door de wederpartij worden gesteund, de zoektocht naar (een) deskundige(n) voor het hof alleen maar bemoeilijken. Het hof zal de zaak naar de rol van 10 maart 2026 verwijzen zodat FlickBike hierover een akte kan nemen. Nadat FlickBike zich bij akte heeft uitgelaten, mag de Gemeente vier weken later een antwoordakte nemen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Het hof geeft partijen in overweging te proberen tot een minnelijke regeling te komen, ter voorkoming van de tijd en de kosten die met het deskundigenbericht gemoeid zullen zijn.
Indien een van partijen er de voorkeur aan geeft tegen dit arrest eerst cassatie in te stellen, kan zij een daartoe strekkend verzoek doen.
7. Beslissing
Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2026 zodat FlickBike zich bij akte kan uitlaten over hetgeen hiervoor in 6.18 en 6.19 is overwogen, waarna de Gemeente op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. van der Werff, M.A.M. Vaessen en K. van Dijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.