ECLI:NL:GHAMS:2026:447

ECLI:NL:GHAMS:2026:447

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 200.347.933
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Aansprakelijkheidsrecht. Schadevergoeding. Professioneel gevolmachtigde kon in de gegeven omstandigheden besluiten tot het aangaan van een geldlening namens de vennootschap. Uitleg volmacht. Geen aansprakelijkheid aangenomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.347.933/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/338800 / HA-ZA 23-231

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 januari 2026

inzake

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] , gemeente Zaanstad,

appellante,

advocaat: mr. J. Jong te Zaandam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [plaats 2] , gemeente Zaanstad,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J.M. Dekkers te Goes.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft als gevolmachtigde van onder meer [appellant] een door de bank verstrekt krediet geherfinancierd. Met de aflossing van het krediet is tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het krediet beëindigd. Bij de nieuwe kredietverstrekker is een geldlening aangegaan voor drie jaar tegen een vaste rentevergoeding. [appellant] heeft het bedrijfspand een paar maanden na het sluiten van de geldlening verkocht en geleverd aan een derde, waardoor de lening en rentevergoeding opeisbaar werden.

In deze procedure gaat het over de vraag of [geïntimeerde] als redelijk handelend en redelijk bekwaam gevolmachtigde kon besluiten tot het aangaan van de geldlening, met de daaraan verbonden voorwaarden. Evenals de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat [geïntimeerde] niet onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld door dit te doen. De door [appellant] ingestelde vordering tot schadevergoeding is niet toewijsbaar.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 26 september 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem van 26 juni 2024, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 november 2025 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.22 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Grief II is gericht tegen de vaststelling in 2.20 van het bestreden vonnis. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte vastgesteld dat het bedrijfspand van [appellant] is verkocht zonder tussenkomst van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van [geïntimeerde] . Deze grief wordt verworpen, omdat deze vaststelling juist is. [appellant] heeft zelf tot verkoop van het bedrijfspand besloten en heeft daarvoor een verkopend makelaar ingeschakeld. Dat [naam 1] van dit verkooptraject op de hoogte was en daarbij werd betrokken, maakt nog niet dat deze verkoop door zijn tussenkomst heeft plaatsgevonden.

Grief III heeft betrekking op de vaststelling van de rechtbank onder 2.21. Deze grief slaagt niet. De rechtbank suggereert niet dat [appellant] vrijwillig een rentebedrag heeft betaald, maar heeft slechts vastgesteld dat door haar is betaald en om welk bedrag het ging. Met Grief I wordt 2.16 van het vonnis bestreden. Het is echter feitelijk juist dat [naam 1] als gevolmachtigde van [appellant] een overeenkomst van geldlening heeft gesloten, zodat de grief faalt. De inhoud en omvang van de volmacht en daarmee de bevoegdheid van [naam 1] komen hierna bij de beoordeling aan de orde.

Voor het overige zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] (hierna: [appellant] ) was tot zijn overlijden op 14 september 2022 enig bestuurder en aandeelhouder van [appellant] . Vanaf 23 juni 2021 is zijn echtgenote [naam 2] (hierna: [naam 2] ) bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als bestuurder van [appellant] .

[appellant] was bestuurder en grootaandeelhouder van [bedrijf] hierna: [bedrijf] ).

In 2012 heeft ABN AMRO (hierna ook: de bank) aan [bedrijf] een krediet in rekening-courant verstrekt. Het krediet bedroeg uiteindelijk circa € 322.000. [appellant] en [naam 2] waren als hoofdelijk schuldenaren verbonden aan dit krediet.

Vanaf 2018 stond [bedrijf] onder verscherpt toezicht van de afdeling Bijzonder Beheer van de bank en de bank perkte het krediet maandelijks in. [bedrijf] was verlieslatend.

Een voormalig accountant van [appellant] heeft conservatoir beslag gelegd op onder meer het bedrijfspand van [appellant] aan [straat] [nummer] in [plaats 2] (hierna: het bedrijfspand). [bedrijf] was gevestigd in het bedrijfspand.

Eind 2017 heeft [appellant] [naam 1] van [geïntimeerde] ingeschakeld voor accountant- en advieswerkzaamheden voor een herstructurering van haar ondernemingen.

Op 26 juli 2018 heeft [appellant] handelend in privé en in hoedanigheid van enig bestuurder van [appellant] , welke vennootschap het bestuur voerde van [bedrijf] , en Himpex Zaandstad B.V. aan [naam 1] een volmacht verleend:

“BEPERKTE VOLMACHT

[…]

om hem [ [appellant] , hof], handelend in zijn gemelde hoedanigheden, uitsluitend terzake alle rechtshandelingen en werkzaamheden op vennootschapsrechtelijk gebied, welke direct dan wel indirect betrekking hebben op voormelde besloten vennootschappen [appellant] , [bedrijf] Zaanstad B.V en Himpex Zaanstad B.V. te vertegenwoordigen, waaronder het verkopen en in eigendom overdragen van aandelen, het verkopen en in eigendom overdragen door casu quo namens één van voormelde besloten vennootschappen van een bedrijfspand, het beëindigen van hoofdelijke aansprakelijkheid voor een bankkrediet, het liquideren van [appellant] en te dien einde alle zaken, notulen, processen-verbaal, akten en andere stukken te doen verlijden en te tekenen, domicilie te kiezen, ontheffing te verlenen van het doen van alle - zelfs ambtshalve te verrichten - inschrijvingen zoals bijvoorbeeld bij de Kamer van Koophandel en in het algemeen al het nodige te doen. Alles zonder dat een onjuiste of onvolledige omschrijving van de bevoegdheden aan de gevolmachtigde kan worden tegengeworpen, terwijl de voorgaande opsomming van bevoegdheden niet ten doel heeft enige andere bevoegdheid, welke dan ook uit te sluiten, en met de bevoegdheid voor de gevolmachtigde tot substitutie.

De gevolmachtigde is niet bevoegd om als wederpartij van de volmachtgever op te treden.

De gevolmachtigde is verplicht de volmachtgever casu quo diens echtgenote in kennis te stellen casu quo op de hoogte te brengen van de door hem verrichte werkzaamheden.

Deze volmacht eindigt zodra voormelde besloten vennootschap: [appellant] geliquideerd is. […]”

Met een e-mail van 3 april 2019 hebben [appellant] en [naam 2] aan [naam 1] onder meer bericht dat er op dat moment geen geïnteresseerden zijn voor de koop van het bedrijfspand.

In een e-mail van 8 april 2019 heeft [appellant] aan [naam 1] geschreven:

Verkoop bedrijfspand.

Voorstel hypotheek vestigen en daarmee bedrijfskrediet aflossen. Naast Riatex wordt pand verhuurd aan [bedrijf] en Himpex. In hypotheekcontract opnemen dat het gehele bedrag ingelost mag worden zonder boeterente. [bedrijf] /Himpex betaalt dan de hypotheekrente. Bankgarantie.

Ook verrekenen in de huurprijs: Verzekeringskosten (nu € 3140/jaar) Gemeente Belastingen (€ 300/jaar) en onderhoudskosten (opvragen bij Makelaar). In huurovereenkomsten opnemen dat huurder [bedrijf] bij verkoop het pand moet verlaten.”

Bij e-mail van 7 mei 2019 heeft [appellant] [naam 1] geïnformeerd over het verkoopproces van het bedrijfspand. In de e-mail staat onder meer:

“Gisteren, 6 mei, hebben we een bezichtiging gehad in ons pand door een delegatie van 4 personen van Warmteservice. Volgens [naam 4] (onze makelaar van [naam 3] ) zijn zij zeer geïnteresseerd en zijn het “snelle” jongens in de zin van een snelle oplevering van het pand.

Vandaag hebben zij een bod uitgebracht dat nog niet toereikend is, en het verzoek per 1/7 te leveren. De klant gaf ook aan dat [bedrijf] tijdelijk de bovenverdieping zou mogen gebruiken. Met huurster Riatex zien zij ook nog geen probleem omdat zij een eigen ingang heeft. [naam 5] gaf aan dat hij verwacht dat deze klant boven de € 900.000 kan/wil gaan uitkomen (hoeft niet naar de bank en hoeft niet te lenen) en dat hij bereid is per 1/9 over te nemen. Hij stelde voor om eventueel een tegenbod te doen van € 975.000 en per 1/10 te leveren.

[…]

In hoeverre ben je met de aanvraag voor de hypotheek?

Verder ben ik zeer benieuwd naar de ontwikkelingen t.a.v. factoring voor [bedrijf] .”

Daarop heeft [naam 1] bij e-mail van 8 mei 2019 aan [appellant] geantwoord:

“Dat is mooi.

In principe is de hypotheek rond. Er zit alleen beslag op het pand. Met het beslag op het pand kan een nieuwe hypotheek niet worden verstrekt. Dus het beslag moet van het pand af. Ik had daar [naam 6] al over gevraagd wat daar de opties voor zijn. Het werkt als een kettingbeding. Als het beslag van het pand af gaat kan er een hypotheek worden verstrekt. Als er een hypotheek is verstrekt staat de ABN AMRO bank lening op 0 en heeft de ABN geen dekking meer nodig op de debiteuren. Dan kan factoring meteen starten (factoring heeft dekking nodig op debiteuren).”

In een daaropvolgende e-mail van diezelfde dag heeft [appellant] [naam 1] onder meer geschreven:

“[…] Ik kan zelf natuurlijk garant staan voor dat bedrag (ca, € 30.000), dan kan het beslag eraf, hypotheek vestigen en dan factoring. Vind je dat een goede optie? Speelt nu natuurlijk wel dat er mogelijk snel verkocht gaat worden en dan hoeven we het hypotheek traject niet te volgen. […]

Blijft nog de vraag: schat jij in op basis van de huidige cijfers/ontwikkelingen dat de toekomstige eigenaren van [bedrijf] een huurprijs kunnen opbrengen van tussen de € 50.000 en € 70.000?

Wat is wijsheid?

Graag advies.”

[naam 1] heeft op diezelfde dag bij e-mail aan [appellant] onder meer het volgende geantwoord:

“Dat klopt. Echter nu heeft de ABN AMRO via de lening pandrecht op ALLE activa. Dus ook op een eventuele betalingsverplichting die COOp heeft op jullie. Die kun je dus nu niet als borg inbrengen in een factoring aangezien de factoring dan pas zekerheid heeft na de ABN AMRO. Vandaar dat we van deze lening af moeten.

De hypotheek zou in ieder geval kortdurig zijn. Dus een eventuele verkoop van het pand op kortere termijn (1 september) zou wat mij betreft geen reden zijn om de hypotheek niet te nemen en via de hypotheek de ABN te herfinancieren. […]

Ik vind dat een huurprijs van 50 a 70K per jaar veel te fors is voor een onderneming in de grootte van [bedrijf] .”

Op 9 mei 2019 heeft [appellant] [naam 1] onder meer het volgende bericht:

“Gezien de voortgang die erin gehouden moet worden om de Coop van dienst te kunnen zijn, stel ik voor om een bankgarantie te regelen voor het bedrag dat Worp-Advies opeist. Wil jij dat in gang zetten en met [naam 6] daarover in contact treden.

Ook je advies om de hypotheek te nemen kan in gang gezet worden.

Intussen heb ik [naam 7] [zoon van [appellant] , hof] vandaag gesproken, die gaf aan dat volgens jou als er een hypotheek afgesloten wordt, [bedrijf] het pand kan huren en er dus niet verkocht hoeft te worden. Het zal waarschijnlijk eigen interpretatie zijn, verwacht ik.”

In een e-mail van 13 mei 2019 met onderwerp ‘financiën [bedrijf] ’ heeft [naam 8] , dochter van [appellant] en werkzaam voor [bedrijf] , aan [naam 1] geschreven:

“Kan je mij vandaag even terug bellen?

Dit naar aanleiding van mijn bezoek van onlangs, jij gaf aan een paar dagen nodig te hebben m.b.t. beslag Worp advies/ hypotheek op pand (herfinanciering). Inmiddels zijn we zeker een week verder en nog niets gehoord.

Financiële positie wordt nu erg wankel, we kunnen geen facturen betalen, met name die van de productie ateliers waardoor zendingen blijven staan in het Verre oosten en in de haven van Rotterdam. Daarnaast kan o.a. de fiscus (termijnbetaling 2016) niet worden voldaan. Hoe nu verder?”

Op 24 mei 2019 heeft [naam 1] als gevolmachtigde van [appellant] een overeenkomst van geldlening gesloten met Cashflex Factoring B.V. (hierna: Cashflex en de geldlening). In de geldlening staat onder meer het volgende:

SAMENVATTING

Looptijd in maanden: 36 maanden

Aanvang Looptijd: 4 juni 2019

Leenbedrag (hoofdsom): EUR 312.000,- […]

Terugbetaling: conform artikel 3.1

Rente: 0,6% per maand

[…]

Minimale rentevergoeding: EUR 65.000,- (bij eventuele vervroegde aflossing)

[…]

5 Extra/ vervroegde aflossing

[…]

5.2

Klant is steeds bevoegd om extra/vervroegd af te lossen, met dien verstande dat Klant te allen tijde een de minimale rentevergoeding van € 65.000,- euro aan CashFlex verschuldigd is c.q. zal zijn. Voor zover nog niet voldaan zal (het restant van) de minimale rentevergoeding verschuldigd zijn uiterlijk op het moment dat de geldlening geheel wordt afgelost.”

In antwoord op een vraag van 31 mei 2019 van [appellant] naar de ontwikkelingen van die week heeft [naam 1] op 3 juni 2019 geantwoord:

“De hypotheek is rond en vandaag zijn de gelden bij de notaris gestort. Ik krijg deze week van de notaris doorgegeven welke datum ik moet tekenen (deze week zal dat zijn). De notaris lost dan op die dag de ABN lening af. De ABN ([werknemer ABN]), waar we destijds mee hebben gesproken) is reeds door mij op de hoogte gebracht dat de financiering wordt afgelost. [werknemer ABN] en de notaris zijn ook in contact. [werknemer ABN]/ ABN zet dan ook direct de financiering “uit” zodat deze niet opnieuw kan worden opgenomen (je weet nooit…). Dan is [naam 9] [ [appellant] , hof] niet meer hoofdelijk aansprakelijk!!!!!!!”

Op 4 juni 2019 is een hypotheekakte gekoppeld aan de geldlening, gepasseerd met het bedrijfspand als onderpand. Daarbij heeft [naam 1] als gevolmachtigde voor [appellant] opgetreden. In de akte staat onder meer dat de hoofdsom opeisbaar is wanneer het bedrijfspand wordt verkocht.

Het krediet bij de bank is met de geldlening van Cashflex geheel afgelost en beëindigd.

In september 2019 heeft [appellant] het bedrijfspand zelf, dus zonder tussenkomst van [naam 1] als gevolmachtigde, aan een derde verkocht.

Bij een nota van afrekening van 17 september 2019 heeft Cashflex een rentevergoeding van € 59.508,80 bij [appellant] in rekening gebracht. [appellant] heeft de rentevergoeding betaald.

[naam 1] heeft in het najaar van 2019 gepoogd Cashflex te bewegen de rentevergoeding deels terug te storten. Cashflex heeft niets teruggestort.

4. Beoordeling

[appellant] vordert in dit geding dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om haar € 58.476,21 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 september 2022. Daarnaast vordert zij € 3.827,00 aan buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg. In hoger beroep voert [appellant] vijf grieven aan, waarvan de eerste, tweede en derde reeds zijn besproken in het kader van de feiten. De overige grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

Het door [appellant] gevorderde bedrag in hoofdsom ziet op de rente die zij voor de met Cashflex gesloten geldlening heeft betaald. Kernpunt van het geschil is of [naam 1] in mei 2019 als redelijk handelend en redelijk bekwaam professioneel gevolmachtigde kon besluiten tot het namens [appellant] aangaan van deze geldlening met Cashflex. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierna wordt toegelicht hoe het hof tot deze beslissing is gekomen.

Niet in geschil is dat toen [geïntimeerde] eind 2017 door [appellant] werd ingeschakeld, de financiële situatie van [appellant] nijpend was. [bedrijf] was verlieslatend en er waren problemen ten aanzien van de liquiditeit en de cashflow. [geïntimeerde] wijst verder onder meer op de volgende omstandigheden:

- De bank had uit hoofde van het verstrekte krediet een bedrag van circa € 322.000 te vorderen van [bedrijf] . [bedrijf] kon de met de bank gemaakte afspraken niet nakomen, mede omdat de geleende gelden binnen het concern waren ‘doorgeleend’ aan [appellant] . Een aanzienlijk deel van dat bedrag was aangewend voor de aanschaf van een privé plezierjacht. Het jacht was ondergebracht in Vlis Yachting, een dochtervennootschap van [appellant] , waarbij volgens [geïntimeerde] in strijd met de fiscale regels omzetbelasting was afgetrokken.

- [bedrijf] was, na waarschuwingen van de bank in oktober en december 2017, sinds april 2018 ondergebracht bij de afdeling Bijzonder Beheer van de bank en de kredietruimte werd stapsgewijs ingeperkt. - Aan de bank was een jaarrekening verstrekt die afweek van de jaarrekening die bij de Kamer van Koophandel was gedeponeerd. In de versie die aan de bank was verstrekt, is ten aanzien van de voorraad een aanmerkelijk hoger bedrag vermeld dan in de gedeponeerde jaarrekening. Daardoor werden aan de bank de financiële ratio’s beter voorgesteld dan deze in werkelijkheid waren.

De hiervoor in 4.3 genoemde omstandigheden zijn door [appellant] niet gemotiveerd betwist. Verder is niet in geschil dat het financieel niet goed ging en dat ingrijpende maatregelen nodig waren. Met het oog op het oplossen van de problemen heeft [appellant] in juli 2018 aan [naam 1] een volmacht verstrekt voor het verrichten van rechtshandelingen en werkzaamheden op vennootschappelijke gebied voor wat betreft onder meer [appellant] en [bedrijf] (zie 3.7 hiervoor). De volmacht aan [naam 1] is verstrekt om het concern waarvan [appellant] deel uitmaakte te herstructureren en [appellant] uiteindelijk op te heffen. Die redenen zijn met zoveel woorden vermeld in de volmacht. In de volmacht wordt verder onder meer genoemd: “het beëindigen van hoofdelijke aansprakelijkheid voor een bankkrediet”. Dit betreft het krediet dat door de bank aan [bedrijf] was verstrekt en in verband waarmee [appellant] en [naam 2] zich als hoofdelijk schuldenaren jegens de bank hadden verbonden.

[geïntimeerde] heeft toegelicht dat, gelet op de hiervoor genoemde problemen en omstandigheden, het een belangrijk doel was om het krediet bij de bank af te lossen. Daarmee kon het risico op een faillissement en de privé-aansprakelijkheid van [appellant] en [naam 2] worden voorkomen. Liquiditeit ontbrak, dus het krediet zou moeten worden geherfinancierd. Om privé-aansprakelijkheid in de toekomst uit te sluiten, moest een financier worden gevonden waaraan geen privé-zekerheden hoefden te worden verstrekt. Cashflex was volgens [geïntimeerde] de enige partij die kon en wilde financieren onder deze voorwaarden, dus daarmee is de geldlening gesloten. Met de geldlening is het krediet bij de bank afgelost en de privé-zekerheden zijn als gevolg daarvan vrijgegeven.

[appellant] bestrijdt in hoger beroep de door [geïntimeerde] genoemde urgentie om het krediet bij de bank af te lossen en bij een andere financier onder te brengen. Het bestaande krediet kon volgens haar in afwachting van de verkoop van het bedrijfspand worden voortgezet of met de bank kon worden onderhandeld over de wijze waarop dit krediet kon worden voortgezet. [appellant] stelt in dit verband dat de bank met name bezorgd was over het ontbreken van recente jaarcijfers, maar dat niets erop wees dat de bank op het punt stond om in te grijpen.

Naar het oordeel van het hof gaat dit betoog van [appellant] langs de kern van het probleem heen. [bedrijf] was vanwege haar slechte financiële situatie bij de afdeling Bijzonder Beheer ondergebracht en de bank drong erop aan dat recente cijfers zouden worden verstrekt. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat het risico bestond dat er ingegrepen zou worden als de bank op enig moment van de werkelijke stand van zaken bij [appellant] op de hoogte zou komen. Het beëindigen van de kredietrelatie met de bank was volgens [geïntimeerde] urgent, omdat als de bank zou ontdekken dat de ter beschikking gestelde jaarrekening ‘vals’ was, de kredietrelatie zou worden beëindigd, wat vrijwel zeker zou leiden tot een faillissement en het uitwinnen van de privé-zekerheden. [appellant] heeft niet weersproken dat dit een reëel risico was. Het hof gaat er daarom bij de verdere beoordeling vanuit dat het beëindigen van het krediet met de bank prioriteit had. [appellant] betoogt weliswaar dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het beëindigen van de hoofdelijke aansprakelijkheid het ‘voornaamste’ doel was van de volmacht, maar dat argument kan bij gebrek aan belang niet leiden tot vernietiging van het vonnis. Met zoveel woorden was het beëindigen van de hoofdelijke aansprakelijkheid een doel dat in de volmacht is genoemd. [geïntimeerde] heeft als gevolmachtigde in de gegeven omstandigheden kunnen en mogen aannemen dat het beëindigen van de kredietrelatie met de bank en de daarmee samenhangende hoofdelijke aansprakelijkheid in privé een urgent en belangrijk doel was dat prioriteit had en waaraan zij uitvoering diende te geven. [geïntimeerde] kon daarbij als redelijk handelend en redelijk bekwaam professioneel gevolmachtigde aannemen dat een herfinanciering van het krediet bij een derde zonder privézekerheden een geschikte manier was om tot beëindiging van de kredietrelatie met de bank te komen.

[appellant] voert verder als bezwaar tegen de handelwijze van [naam 1] aan dat met de verkoop van het bedrijfspand voldoende financiële middelen beschikbaar zouden komen om het krediet bij de bank af te lossen. Dan zou ook de hoofdelijke aansprakelijkheid van tafel zijn. Dit alternatief voor de geldlening bij Cashflex had volgens [appellant] onderzocht moeten worden. In verband hiermee betwist [appellant] dat het sluiten van de geldlening met Cashflex noodzakelijk was.

Het hof volgt [appellant] hierin niet. De rechtbank heeft aangenomen dat in mei 2019, toen de geldlening met Cashflex is gesloten, het allerminst zeker was dat het bedrijfspand snel verkocht zou worden. Het hof komt tot dezelfde conclusie. Niet in geschil is dat bedrijfspand in mei 2019 al lange tijd in de verkoop stond. Niet aannemelijk is geworden dat er toen voldoende concreet uitzicht was op een verkoop. [geïntimeerde] heeft verwezen naar een e-mail van 22 mei 2019 van de door [appellant] ingeschakelde verkopende makelaar, die dateert van twee dagen voor het sluiten van de geldlening met Cashflex. Met deze e-mail bericht de makelaar dat het eindbod door kandidaat-koper Warmteservice was afgewezen en dat nieuwe bezichtigingen hadden plaatsgevonden met twee kandidaten. [geïntimeerde] heeft daaruit afgeleid en naar het oordeel van het hof ook mogen afleiden dat deze koper was afgehaakt. Gelet op de hiervoor genoemde urgentie kon [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden als redelijk handelend en redelijk bekwaam professioneel gevolmachtigde besluiten tot het aangaan van de geldlening met Cashflex, in plaats van het laten voortduren van de onzekerheid over een mogelijke verkoop van het pand. Daarmee faalt ook de stelling van [appellant] dat de herfinanciering in mei 2019 met behulp van de geldlening van Cashflex niet noodzakelijk was om de privé-aansprakelijkheid te beëindigen. Uiteindelijk heeft het nog tot september 2019 geduurd totdat het bedrijfspand is verkocht.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] ter verdere onderbouwing van haar verweer dat er onvoldoende reden was om een mogelijke verkoop van het pand af te wachten, aangevoerd dat in mei 2019 met potentiële kopers werd onderhandeld over de verkoopprijs van het pand, maar dat over de mogelijkheden tot huur door [bedrijf] in het geheel nog geen duidelijkheid of overeenstemming was. [bedrijf] zat in het bedrijfspand zonder huur te betalen en de vraag was of [bedrijf] na de verkoop daarvan in staat zou zijn alternatieve ruimte te huren. [appellant] heeft niet gemotiveerd bestreden dat het vinden van betaalbare huurruimte voor [bedrijf] niet eenvoudig was en onlosmakelijk samenhing met de verkoop van het bedrijfspand.

Volgens [appellant] was [naam 1] op grond van de volmacht niet bevoegd de geldlening met Cashflex te sluiten, omdat daarmee zwaardere financiële verplichtingen werden aangegaan en [appellant] expliciet kenbaar had gemaakt dat nieuwe verplichtingen niet gepaard mochten gaan met boeterentes. Ook meent [appellant] dat [naam 1] in strijd heeft gehandeld met een gegeven instructie. Daarmee heeft [geïntimeerde] haar zorgplicht geschonden, althans onrechtmatig gehandeld, aldus [appellant] .

Bij de beoordeling van deze klachten geldt als uitgangspunt dat in hoger beroep het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader niet ter discussie is gesteld. Dat kader is ook juist. Het gaat in deze procedure om het handelen van [naam 1] ( [geïntimeerde] ) als gevolmachtigde van [appellant] . Zijn gedragingen moeten daarom worden beoordeeld in het licht van de inhoud en omvang van de aan hem verstrekte volmacht. De vraag wat de inhoud of de omvang van een volmacht is, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kort gezegd: wil en verklaring en bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen. Het komt daarbij aan op dat wat de volmachtgever en de gevolmachtigde over en weer hebben verklaard en uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend (HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243).

In hoger beroep benadrukt [appellant] dat aan [naam 1] een beperkte volmacht is verstrekt, zoals volgt uit de koptekst daarvan. [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat die aanduiding slechts betekent dat geen algemene volmacht is gegeven en dat aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordeeld moet worden wat de inhoud en omvang van de volmacht is. In dat opzicht herhaalt [appellant] in hoger beroep dat zij vindt dat [naam 1] onbevoegd heeft gehandeld en zich niet aan een gegeven instructie heeft gehouden, maar zij bestrijdt niet inhoudelijk de uitleg die de rechtbank aan de volmacht heeft gegeven. Zij legt immers niet concreet uit dat en waarom de door de rechtbank gegeven uitleg niet kan worden gevolgd. Dat had wel op haar weg gelegen, mede omdat zij ook in hoger beroep erkent dat met de volmacht aan [naam 1] ruime bevoegdheden zijn gegeven. Op grond van hetgeen over en weer is aangevoerd, ziet het hof geen reden om tot een andere uitleg te komen dan die door de rechtbank is gegeven. Samengevat weergeven houdt die uitleg in dat [naam 1] op grond van de volmacht rekening en verantwoording diende af te leggen (‘op de hoogte brengen’) over reeds verrichte werkzaamheden, maar uit de volmacht volgt niet dat [naam 1] [appellant] vooraf over te verrichten werkzaamheden diende te informeren, laat staan dat hij daarvoor toestemming moest vragen aan [appellant] . Een voorafgaande toestemming verdraagt zich als hoofdregel ook niet met een volmacht en [appellant] heeft niet toereikend toegelicht waaruit deze door haar gestelde beperking van de bevoegdheden van de gevolmachtigde zou voortvloeien. Of en hoe [naam 1] [appellant] voorafgaand aan het sluiten van de geldlening over de voorwaarden van Cashflex heeft geïnformeerd, kan buiten behandeling blijven, omdat hij daartoe niet was gehouden.

Verder is het hof met de rechtbank van oordeel dat op grond van hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet kan worden aangenomen dat zij [naam 1] de instructie heeft gegeven om bij het aangaan van de geldlening te bedingen dat het gehele bedrag zonder boeterente afgelost zou mogen worden. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd uiteen gezet dat de wens van [appellant] om geld te lenen onder de voorwaarde dat het gehele bedrag ingelost zou mogen worden zonder boeterente onhaalbaar was, omdat [bedrijf] en [appellant] in zwaar weer verkeerden en [appellant] en [naam 2] geen privézekerheden wilden verstrekken. [appellant] heeft geen argumenten aangedragen om daar anders over te denken. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat [naam 1] in de gegeven omstandigheden de mededeling van [appellant] in zijn e-mail van 8 april 2019 om te bedingen dat het gehele bedrag zonder boeterente afgelost zou mogen worden, redelijkerwijs niet anders hoefde op te vatten dan als een wens of suggestie.

Ten aanzien van de voorwaarden waaronder de geldlening met Cashflex is gesloten wordt het volgende overwogen. Anders dan [appellant] betoogt, kan niet worden aangenomen dat met de geldlening met Cashflex vergaande aanvullende financiële verplichtingen zijn aangegaan. Het gaat niet om nieuwe verplichtingen. Het krediet bij de bank is geherfinancierd met de geldlening bij Cashflex. Het gaat om een vergelijkbaar hoog krediet tegen niet-ongebruikelijke voorwaarden. Er is € 305.000 bij de bank afgelost en € 312.000 bij Cashflex geleend. Niet bestreden is de gemotiveerde stelling van [geïntimeerde] dat bij de bank een rentevergoeding verschuldigd was van 7,9% per jaar en bij Cashflex 6,9% per jaar (0,6% per maand). De rechtbank noemt in het vonnis in 4.1 de door [appellant] gestelde rentevergoeding van 20% voor de geldlening bij Cahflex, maar het gaat daarbij om de totaal verschuldigde rente over de gehele looptijd als percentage van de hoofdsom en niet om het rentepercentage per jaar. Anders dan bij Cashflex was bij de bank een hoofdelijke aansprakelijkheid in privé van toepassing. Een ander verschil tussen beide financieringen is dat de geldlening bij Cashflex is aangegaan voor de bepaalde tijd van 36 maanden. De totale rentevergoeding over de volledige looptijd is daarbij ook verschuldigd als voor de afloop daarvan de geldlening wordt afgelost.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] , gelet op de belangen van [appellant] en de inhoud en omvang van de volmacht, als redelijk handelend en redelijk bekwaam professioneel gevolmachtigde kon besluiten tot het aangaan van de geldlening met Cashflex namens [appellant] met de daarbij behorende voorwaarden, om de kredietrelatie met de bank en de privé-aansprakelijkheid te beëindigen. Daarbij kon [naam 1] tot de afweging komen dat het nadeel van het moeten betalen van een rentevergoeding bij een voortijdige verkoop van het bedrijfspand opwoog tegen het risico van een faillissement en een privé-aansprakelijkheid van [appellant] en [naam 2] . Dat [naam 1] in het najaar van 2019 nog heeft gepoogd Cashflex te bewegen de rentevergoeding deels terug te storten doet aan al het voorgaande niet af, en was ook om te proberen Cashflex uit coulance daartoe te bewegen.

Slotsom, bewijsaanbod en proceskosten

De slotsom is dat de grieven niet slagen. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] , omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst van de zaak kunnen leiden.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:

- griffierecht € 2.175

- salaris advocaat € 4.426 (tarief IV, 2 punten)

Totaal € 6.601

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot nu toe vastgesteld op € 6.601;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, G.R. den Dekker en E.C. Oosterbaan en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?