GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.334.689/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/712865/ HA ZA 22-79
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026
in de zaak van
1. [appellant 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
2. [appellant 2],
wonend in [plaats 1] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M. Hoogenboom te Capelle aan den IJssel,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.E.G. Murris te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellanten] . en de bank genoemd. Appellanten worden afzonderlijk aangeduid als [appellant 1] en [appellant 2] .
1. De zaak in het kort
De bank heeft naar aanleiding van een onderzoek naar hypotheekfraude strafrechtelijke persoonsgegevens van [appellanten] . opgenomen in (onder meer) het Externe Verwijzingsregister en bij de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken. De rechtbank heeft de bank bevolen deze registraties ongedaan te maken. In hoger beroep vorderen appellanten (onder meer) vergoeding van de bank van de door hen gestelde schade vanwege de registraties. De bank stelt zich juist op het standpunt dat de registraties gerechtvaardigd waren. Het hof komt tot het oordeel dat de bank de betreffende persoonsgegevens van appellanten in de externe registers mocht opnemen. Dit leidt tot een gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank.
2. Het geding in hoger beroep
[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 1 mei 2023, hersteld bij exploot van 15 september 2023, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 1 februari 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] . als eisers en de bank als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 12 december 2023 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 29 februari 2024 en daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens wijziging eis;
- memorie van antwoord, tevens houdende grief in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
Op 4 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellanten] . hebben de zaak laten toelichten door mr. Hoogenboom, voornoemd. [appellant 1] heeft ter zitting een schriftelijke verklaring voorgedragen, die in het geding is gebracht. De bank heeft de zaak laten toelichten door mr. Murris, voornoemd, en door mr. M.A.A. van Achterberg, advocaat te Utrecht, aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. De bank heeft nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
De bank is jarenlang de huisbankier geweest van [appellanten] . voor zowel hun privé- als hun zakelijke activiteiten. De bank heeft een hypothecaire geldlening verstrekt aan [appellanten] . voor de aankoop van een woning. De maandlasten voor de hypotheek worden betaald vanaf de gezamenlijke rekening van [appellanten] .
Het biedingsproces ten tijde van de aankoop van de woning is voor [appellanten] . begeleid door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Nadat overeenstemming was bereikt over de koopprijs, hebben [appellanten] . alle stukken benodigd voor de hypotheekaanvraag ingeleverd bij [naam 1] . [naam 1] heeft deze stukken vervolgens doorgestuurd aan de hypotheekadviseur van [appellanten] . , [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ).
De door [appellanten] . aan [naam 1] opgestuurde stukken betreffen in ieder geval een jaarrapport over 2015, 2016 en 2017 van de onderneming van [appellanten] . , een taxibedrijf genaamd [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en de aangifte inkomstenbelasting van [appellant 1] over 2015, 2016 en 2017.
Op 22 november 2018 heeft de bank een hypotheekofferte verstrekt aan [appellanten] . Deze offerte is door hen ondertekend op 27 november 2018. In de offerte is vermeld dat [appellant 1] een jaarinkomen heeft van € 165.693,67 als zelfstandige met personeel. Het geleende hypotheekbedrag betreft in totaal € 870.000 en [appellanten] . zullen maandelijks € 3.321,11 betalen aan de bank. In de offerte staat verder dat [appellanten] . door middel van ondertekening verklaren dat de door of namens hen aangeleverde gegevens juist zijn en dat zij geen informatie hebben achtergehouden die relevant is voor het verstrekken van de hypotheek. Op 1 mei 2019 is het recht van hypotheek op de woning gevestigd.
Begin 2021 is de bank, na een tip van een derde, een onderzoek begonnen naar door [naam 1] en [bedrijf 1] gedane hypotheekaanvragen bij de bank. Op dat moment liep ook al een onderzoek van de politie naar mogelijke hypotheekfraude door [naam 1] .
Omdat [naam 1] ook betrokken was bij de hypotheekaanvraag van [appellanten] . , heeft de bank nader naar de aanvraag van [appellanten] . gekeken en hen zowel telefonisch als per e-mail benaderd.
In een op 6 mei 2021 gevoerd telefoongesprek heeft [appellant 1] verklaard dat hij ten tijde van de aanvraag documenten heeft verstrekt aan zijn hypotheekadviseur, [bedrijf 1] , met daarop de naam van zijn boekhouder, [bedrijf 3] .
In een e-mail van 6 mei 2021 heeft de bank de documenten die zij heeft ontvangen bij de hypotheekaanvraag van [appellanten] . aan [appellanten] . gestuurd en [appellanten] . verzocht of zij wilden controleren of deze juist waren en of het de documenten betrof die door hen aan hun adviseur waren afgegeven. De bank verzocht [appellanten] . ook om, als dat niet het geval was, een kopie aan de bank te verstrekken van de jaarrekeningen en fiscale rapporten die [appellanten] . aan de adviseur hebben afgegeven.
De bank heeft op 14 mei 2021 telefonisch contact opgenomen met [appellanten] . met het verzoek te reageren op de e-mail van 6 mei 2021. Later die dag heeft de bank per e-mail aan [appellanten] . verzocht om de namen door te geven van de hypotheekadviseurs die hen hebben bemiddeld en geadviseerd bij de hypotheekaanvraag. Deze namen hebben [appellanten] . per e-mail van 19 mei 2021 doorgegeven.
Op 10 juni 2021 heeft de bank telefonisch nogmaals verzocht om te reageren op de e-mail van 6 mei 2021 en gevraagd naar de naam van de boekhouder. [appellanten] . verklaarden dat dit de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van [bedrijf 3] was.
Op 21 juni 2021 heeft de bank aangifte gedaan van (onder meer) valsheid in geschrifte door [naam 1] .
Op 17 september 2021 heeft de bank per brief haar informatieverzoek van 6 mei 2021 herhaald. De bank verzocht [appellanten] . nogmaals of de aan de bank verstrekte documenten correct waren, of het de documenten betrof die [appellanten] . aan hun adviseur hadden verstrekt en of de documenten overeenkwamen met de fiscale aangiftes van [appellanten] . Daarnaast verzocht de bank om toezending van de aangifte inkomstenbelasting en de jaarrekeningen over 2015, 2016 en 2017. De bank wees er in deze brief ook op dat de medewerking van [appellanten] . noodzakelijk was en dat het niet verlenen van medewerking, het verstrekken van onjuiste informatie, dan wel het verzwijgen van relevante informatie kon leiden tot het nemen van maatregelen door de bank.
Op 7 oktober 2021 heeft [naam 2] , in reactie op een e-mail van de bank, aan de bank laten weten dat [bedrijf 3] in de periode 2015-2017 niet de boekhouding voor [appellanten] . heeft gevoerd en geen administratie of andere financiële stukken over de genoemde jaren van [appellanten] . in haar bezit heeft.
Op 8 oktober 2021 heeft de bank per brief aan [appellanten] . medegedeeld dat zij, na het uitblijven van een reactie van [appellanten] . en omdat [bedrijf 3] heeft laten weten geen boekhoudkundige werkzaamheden voor [appellanten] . te hebben verricht, geen andere conclusie kon trekken dan dat de aangeleverde documenten niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Vanwege geschaad vertrouwen was de bank voornemens de bankrelatie met
[appellanten] . te beëindigen. Omdat de hypothecaire geldlening op grond van valse informatie was verstrekt, zou de bank de hypothecaire geldlening opeisen. Ook zou de bank [appellanten] . voor de duur van acht jaar registreren in het Incidentenregister (IR) en het Externe Verwijzingsregister (EVR) en bij de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH).
Op 15 oktober 2021 heeft de advocaat van [appellanten] . aan de bank laten weten dat de inhoud van de brief van de bank op een misverstand berustte, en de bank verzocht niet over te gaan tot het blokkeren van de bankrekeningen. De bank heeft aan dat verzoek gehoor gegeven.
Op 29 oktober 2021 heeft de advocaat van [appellanten] . per brief aan de bank laten weten dat [appellanten] . niet frauduleus hebben gehandeld. Het door de bank gedane informatieverzoek is lastig voor [appellanten] . omdat de voormalig boekhouder van [appellanten] . , handelend onder de naam [naam 3] , is overleden. Dit is de boekhouder die destijds de cijfers heeft aangeleverd bij de hypotheekadviseur, aldus de advocaat. In de brief heeft de advocaat namens [appellanten] . aangeboden de huidige jaarcijfers te overleggen en verzocht om een gesprek met de bank.
Op 3 november 2021 heeft de bank gereageerd dat het haar ongeloofwaardig voorkomt dat een andere boekhouder (dan [naam 4] , die [appellanten] . eerder hadden genoemd) de inkomensstukken zou hebben opgesteld. De bank was bereid een gesprek in te plannen met [appellanten] . , maar wilde voordat zij dat deed een kopie van de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting en van de jaarrekeningen over 2015, 2016 en 2017 en de naam van de overleden boekhouder en diens vervanger ontvangen.
Op 2 december 2021 heeft de advocaat van [appellanten] . de naam van de overleden boekhouder en een kopie van een brief aan de Belastingdienst met daarin het verzoek om de aangiftes inkomstenbelasting van [appellanten] . over 2015 tot en met 2019 te ontvangen verstrekt aan de bank.
Op 12 januari 2022 hebben [appellanten] . de bank gedagvaard. De advocaat van de bank heeft op 24 januari 2022 aan de advocaat van [appellanten] . laten weten dat de bank in afwachting van het oordeel van de rechtbank de blokkade en beëindiging van de bankrekeningen en de opeising van de hypotheek heeft opgeschort. [appellanten] . staan dan wel geregistreerd in het IR en het EVR en bij het daaraan gekoppelde systeem van de SFH (hierna: EVR/SFH). Uiteindelijk zijn gegevens van [appellanten] . geregistreerd geweest van 8 oktober 2021 tot en met begin februari 2023.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellanten] . hebben gevorderd, samengevat, dat de rechtbank de bank beveelt de registraties over [appellanten] . in het IR, het EVR/SFH door te halen, de opeising van de hypothecaire geldlening achterwege te laten en de bankrekeningen van [appellanten] . en [bedrijf 2] te herstellen, steeds op straffe van een dwangsom. Zij hebben verder gevorderd dat de rechtbank de bank veroordeelt tot betaling van een voorschot op schadevergoeding en voor recht verklaart dat de bank toerekenbaar tekortgeschoten is en/of onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade, met veroordeling van de bank in de kosten van de procedure (inclusief nakosten), met rente.
De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] . tot doorhaling van de registraties van [appellanten] . in het EVR/SFH toegewezen. Zij heeft, samengevat, geoordeeld dat geen sprake is van de voor de registraties vereiste zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan betrokkenheid bij hypotheekfraude. De rechtbank heeft de overige vorderingen van [appellanten] . afgewezen. Zij heeft onder meer geoordeeld dat de bank niet onrechtmatig heeft gehandeld door de gegevens van [appellanten] . te registreren in het EVR/SFH, omdat deze registraties gerechtvaardigd waren in het licht van de weigering van [appellanten] . opheldering te verschaffen en gelet op de informatie die de bank ten tijde van de registratie had. Tot slot heeft de rechtbank [appellanten] . veroordeeld in de proceskosten.
5. Vordering in hoger beroep
[appellanten] . vorderen in principaal hoger beroep gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis. Zij hebben hun eis gewijzigd en vorderen dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren dat de bank tegenover hen aansprakelijk is voor hun schade als gevolg van (het in stand houden van) de registraties, op te maken bij staat. Daarnaast vorderen [appellanten] . dat de bank wordt veroordeeld, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, tot terugbetaling van de aan de bank betaalde proceskosten uit de eerste aanleg en tot veroordeling van de (na)kosten in hoger beroep, met rente. De bank concludeert tot bekrachtiging van het vonnis behalve voor wat betreft de onderdelen waarop het incidenteel hoger beroep ziet, en tot afwijzing van de in hoger beroep gewijzigde eis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] . in de (na)kosten, met rente.
De bank vordert in incidenteel hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover dat ziet op het bevel aan de bank de registraties van [appellanten] . in het EVR/SFH door te halen, met veroordeling van [appellanten] . in de (na)kosten, met rente. [appellanten] . concluderen tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de bank in de (na)kosten.
6. Beoordeling
In het principaal hoger beroep betogen [appellanten] . dat de bank door de registraties in het EVR/SFH (van meet af aan) onzorgvuldig en in strijd met haar zorgplicht jegens [appellanten] . heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [appellanten] . geleden schade (grief II). Zij voeren verder aan dat zij voldoende hebben meegewerkt aan het onderzoek van de bank (grief I) en dat zij ten onrechte zijn veroordeeld in de proceskosten (grief III). De bank richt zich in het incidenteel hoger beroep met één grief tegen het oordeel van de rechtbank dat zij geen (strafrechtelijke) persoonsgegevens van [appellanten] . mocht opnemen in het EVR/SFH.
Het hof ziet aanleiding eerst het incidenteel hoger beroep van de bank te behandelen. Indien de grief van de bank in het incidenteel hoger beroep slaagt en het hof van oordeel is dat de bank (strafrechtelijke) persoonsgegevens van [appellanten] . mocht opnemen in het EVR/SFH, is er geen grond voor de door [appellanten] . gevorderde verklaring voor recht dat de bank aansprakelijk is voor de door hen gestelde schade als gevolg van de registraties.
De registratie van (strafrechtelijke) persoonsgegevens was gerechtvaardigd
Tussen partijen staat vast dat de bank strafrechtelijke persoonsgegevens van [appellanten] . heeft geregistreerd in het EVR/SFH. Het EVR en (de registers bij) de SFH zijn beide externe registers, waarop hetzelfde juridische kader van toepassing is. De registratie van persoonsgegevens in het EVR/SFH is een verwerking van persoonsgegevens, zodat moet worden voldaan aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en de Uitvoeringswet van de AVG. Op opname in en raadpleging van deze registers is het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (hierna: het Protocol) van toepassing. Op grond van het Protocol is voor opname van persoonsgegevens in het EVR/SFH, samengevat, vereist dat het gaat om voldoende vaststaande gedragingen die een bedreiging (kunnen) vormen of hebben gevormd voor de (financiële) belangen van de bank of voor de integriteit van de financiële sector (artikel 5.2.1 van het Protocol). Nu het gaat om de opname van strafrechtelijke persoonsgegevens, geldt verder dat het moet gaan om zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kunnen dragen. Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist, maar de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld, zoals dat kan blijken uit een aangifte, is niet voldoende. Als maatstaf heeft te gelden of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:BH4720).
De bank heeft aangevoerd dat de feiten en omstandigheden rondom de hypotheekaanvraag van [appellanten] . zodanig concreet en vaststaand zijn dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen. De bank wijst daarbij op valsheid in geschrifte en (schuld)witwassen (artikelen 225, 420bis en 420quater Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)). De bank heeft gesteld dat de hypotheekaanvraag van [appellanten] . berustte op valse gegevens, dat [appellanten] . tot tweemaal toe de hypotheekofferte hebben ondertekend waarop een (veel) te hoog jaarinkomen stond vermeld, daarin hebben verklaard dat de door hen aangeleverde gegevens juist waren en dat zij geen relevante informatie achterhielden, dat zij op basis van de frauduleuze hypotheekaanvraag een huis hebben gekocht en niet hebben meegewerkt aan het fraudeonderzoek van de bank. De hypotheekaanvraag van [appellanten] . werd bovendien begeleid door [naam 1] , die bekend werd als fraudefacilitator, terwijl niet duidelijk is geworden waarom [appellanten] . [naam 1] hebben ingeschakeld terwijl zij al een hypotheekadviseur ( [bedrijf 1] ) hadden.
[appellanten] . hebben hun betrokkenheid bij de fraude ten behoeve van hun hypotheekaanvraag betwist. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [naam 1] (volgens [appellanten] . werkzaam bij [bedrijf 1] ), en niet zijzelf, de inkomensstukken heeft vervalst. Daarnaast stellen [appellanten] , dat zij de stukken niet zelf hebben aangeleverd bij de bank en van de vervalsing niet op de hoogte waren tot de procedure in eerste aanleg. Zij werden bijgestaan door hun adviseur [bedrijf 1] en gingen ervan uit dat de stukken die zij aan [bedrijf 1] hadden aangeleverd, aan de bank waren doorgezonden. Het is juist de bank die [bedrijf 1] beter had moeten controleren omdat [bedrijf 1] als tussenpersoon van de bank is te beschouwen. Er is verder ook geen bewijs dat [appellanten] . [naam 1] zouden hebben ingeschakeld om de inkomensstukken te vervalsen, aldus [appellanten] .
Vooropgesteld zij dat in hoger beroep niet in geschil is dat bij de hypotheekaanvraag van [appellanten] . is gefraudeerd en dat deze hypotheekaanvraag berust op vervalste gegevens die door tussenkomst van [naam 1] aan de bank zijn verstrekt. De vraag die moet worden beantwoord is of een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld bestaat dat [appellanten] . betrokken waren bij de hypotheekfraude. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit als volgt toe.
In de hypotheekofferte van 22 november 2018 die door [appellanten] . is ondertekend op 27 november 2018 heeft de bank een jaarinkomen van [appellanten] . vermeld van € 165.693. De bank heeft toegelicht dat zij dit jaarinkomen heeft gebaseerd op het gemiddelde van de winst zoals die bleek uit de haar toegestuurde jaarrekeningen van [bedrijf 2] over de jaren 2015, 2016 en 2017. Het ging daarbij om een winst van respectievelijk € 158.454, € 163.992 en € 174.635. Uit de jaarrekeningen van [bedrijf 2] over 2016 en 2017 die [appellanten] . stelt aan [naam 1] te hebben verstrekt, blijkt een veel lagere winst (voor belasting) over 2016 en 2017 van € 31.385 respectievelijk € 84.101. Het verzamelinkomen van [appellant 2] was volgens haar belastingaanslag over 2016 € 10.059. Het inkomen in 2016 en 2017 van [appellanten] . was dus kennelijk beduidend lager dan het op de ondertekende hypotheekofferte vermelde bedrag van € 165.693. Wat het werkelijke jaarinkomen van [appellanten] . was, kan niet worden vastgesteld omdat [appellanten] . de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting over 2016 en 2017 (met uitzondering van de aanslag van [appellant 2] over 2016) ondanks herhaalde verzoeken van de bank niet hebben verstrekt.
In de hypotheekofferte stond dus een aanzienlijk hoger bedrag aan jaarinkomen dan [appellanten] . in werkelijkheid hebben gehad. Het bedrag waar de bank vanuit ging (€ 165.693) stond vermeld op de eerste bladzijde van de hypotheekofferte en het moet voor [appellanten] . in één oogopslag duidelijk zijn geweest dat dit bedrag niet hun daadwerkelijke jaarinkomen betrof. Daarvoor is het verschil met de in de jaarstukken gerapporteerde winst te groot. Desalniettemin hebben zij, zoals de bank onbetwist heeft gesteld, de offerte twee keer ondertekend, waaronder een keer bij de notaris. Zij hebben in de hypotheekofferte verklaard dat de door of namens hen aangeleverde gegevens juist waren. Zij hebben daarin ook verklaard dat zij geen informatie hebben achtergehouden die relevant is voor het verstrekken van de hypotheek. Dit terwijl zij moesten begrijpen dat (de informatie over) hun inkomen voor de bank essentieel was voor de beoordeling van de hypotheekaanvraag en wisten dat het in de hypotheekofferte vermelde jaarinkomen onjuist was. [appellanten] . hebben op basis van dit onjuiste inkomen de hypotheeklening van € 870.000 aanvaard en daarmee vervolgens een huis gekocht. Zij hebben aldus geprofiteerd van de, voor hen kenbare, verkeerde veronderstelling over de hoogte van hun inkomen waarin de bank was gebracht door de vervalste stukken. [appellanten] . hebben aldus gehandeld terwijl zij wisten, althans behoorden te weten dat voor hen stukken waren ingediend die niet strookten met de werkelijkheid, namelijk de vervalste jaarrekeningen waarop het bedrag genoemd in de offerte was gebaseerd. Deze gang van zaken levert naar het oordeel van het hof een zwaardere verdenking op dan een redelijk vermoeden van schuld aan hypotheekfraude, in het bijzonder aan valsheid in geschrifte (artikel 225 Sr), en biedt voldoende grond voor de registraties in het EVR/SFH. Of [appellanten] . , zoals zij hebben gesteld, pas via hun advocaat op de hoogte raakten van de vervalsing van de stukken en of zij [naam 1] hebben ingeschakeld met het oogmerk om de inkomensstukken te vervalsen, is gezien het voorgaande niet van belang.
Bij het bovenstaande komt bovendien dat [appellanten] . de e-mailcorrespondentie tussen hen en [naam 1] (en de daarbij behorende bijlagen) als pdf-bestanden hebben verstrekt. Uit deze e-mails zou blijken dat de documenten die [appellanten] . aan [naam 1] hebben aangeleverd verschillen van de documenten die deze aan de bank heeft verstrekt. De bank heeft erop gewezen dat de omzetting van de originele e-mails naar pdf-bestanden onnodig is en de e-mails oncontroleerbaar maakt. Als de bank over de originele e-mails zou beschikken, kan zij verifiëren door wie, wanneer, vanaf welk adres en met welke originele bijlagen de berichten zijn verstuurd. Desalniettemin hebben [appellanten] . de originele e-mails niet verstrekt. Dit versterkt de zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld aan (betrokkenheid bij) hypotheekfraude, zoals deze op basis van de onder 6.8 beschreven gang van zaken al bestond.
Het hof gaat niet mee in het betoog van [appellanten] . dat zij erop vertrouwden dat [naam 1] ( [bedrijf 1] ) de door hen aangeleverde stukken wel zouden doorsturen, dat daarom de hypotheekofferte van ING een juist beeld zou geven van hun inkomsten en zij ook daarom de offerte klakkeloos zouden hebben getekend. Dit betoog komt het hof ongeloofwaardig voor, alleen al omdat [appellanten] . de offerte twee keer hebben getekend, onder meer bij de notaris. Daarbij doet dit niet af aan de op [appellanten] . rustende verplichting om de door hen te ondertekenen documenten te controleren op juistheid, zeker nu het gaat om een hypotheekofferte waarbij aanzienlijke financiële verplichtingen worden aangegaan. Verder geldt dat ook als zij deze klakkeloos hebben getekend, dit voor hun rekening komt; zij hebben daardoor de reële kans aanvaard dat zij op basis van een onjuist inkomen een te hoge hypotheeklening hebben verkregen. [appellanten] . hebben gesteld dat zij zelf dachten dat zij maandelijks wel ongeveer € 3.000 konden missen en dat [bedrijf 1] zou hebben gezegd dat zij ongeveer € 900.000 konden lenen. Voor zover zij hiermee hebben betoogd dat zij mochten uitgaan van het op de hypotheekofferte vermelde inkomen, geldt dat deze stellingen niet zijn komen vast te staan. [appellanten] . hebben deze stellingen niet onderbouwd en zij stroken niet met de financiële gegevens die zij stellen aan [naam 1] te hebben verstrekt (de jaarrekeningen van [bedrijf 2] en de belastingaanslagen van [appellant 2] ). Anders dan [appellanten] . hebben betoogd, kan de bank niet worden verweten dat zij [bedrijf 1] beter had moeten controleren omdat [bedrijf 1] als tussenpersoon van de bank is te beschouwen. [bedrijf 1] was immers juist de door [appellanten] . ingeschakelde (en betaalde) tussenpersoon waarmee de bank geen contractuele relatie had.
De registraties van (strafrechtelijke) persoonsgegevens voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit
Iedere gegevensverwerking dient te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (zie artikel 5.2.1. onder c van het Protocol en HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097). Het proportionaliteitsbeginsel brengt mee dat moet worden getoetst of het belang van de financiële instellingen om opmerkzaam te worden gemaakt op het fraudegerelateerde gedrag van [appellanten] . zwaarder moet wegen dan het belang van [appellanten] . om zonder belemmeringen aan het financiële verkeer te kunnen deelnemen. [appellanten] . hebben naar voren gebracht dat de registraties niet proportioneel zijn. Zij hebben aangevoerd dat zij hun taxibedrijven hebben moeten verkopen omdat hun auto’s door de registraties niet langer te verzekeren waren en zij dat niet nogmaals willen meemaken en daarnaast dat zij door de registraties geen financiële producten meer kunnen aanschaffen, of alleen op ongunstige voorwaarden. De bank heeft erop gewezen dat [appellanten] . (ondanks de registraties) nog steeds diverse taxibedrijven voeren, dat verzekeraars geen toegang hebben tot door banken gedane registraties in het EVR en dat de registraties geen invloed hebben op lopende verzekeringen. In het licht van deze gemotiveerde betwisting hebben [appellanten] . hun stellingen over de gedwongen verkoop van hun taxibedrijven ontoereikend onderbouwd, zodat deze niet zijn komen vast te staan. Hypotheekfraude is een groot maatschappelijk probleem en vormt een bedreiging voor zowel [appellanten] . zelf (overkreditering) als voor de integriteit van de bank en de financiële sector als geheel. Ook als de registraties [appellanten] . belemmeren om ongehinderd deel te nemen aan het financiële verkeer, weegt het belang van financiële instellingen om te worden geattendeerd op de gedragingen van [appellanten] . zwaarder . Gelet op de ernst van gedragingen (betrokkenheid bij hypotheekfraude) wordt de duur van de registraties ook niet buitenproportioneel geacht. Naar het oordeel van het hof is aan het proportionaliteitsbeginsel dus voldaan. Nu het doel van de registraties is om andere financiële dienstverleners erop te attenderen dat [appellanten] . betrokken zijn geweest bij fraude en dat doel in dit geval niet op een andere manier is te bereiken dan met een vermelding in de externe registers, is ook aan het subsidiariteitsvereiste voldaan.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Gezien de uitkomst van het incidenteel hoger beroep, slagen grieven I en II in het principaal hoger beroep niet. Deze grieven richten zich immers in de kern tegen het oordeel van de rechtbank dat de bank niet onrechtmatig jegens [appellanten] . heeft gehandeld. Met het oordeel in het incidenteel hoger beroep dat de bank de (strafrechtelijke) persoonsgegevens van [appellanten] . mocht opnemen in het EVR/ SFH, ontvalt ook de grondslag aan de door [appellanten] . in hoger beroep gewijzigde vorderingen. Deze zullen daarom worden afgewezen. Omdat de rechtbank [appellanten] . terecht in de proceskosten heeft veroordeeld, slaagt grief III in principaal hoger beroep evenmin.
Het incidenteel hoger beroep van de bank slaagt. Het bestreden vonnis wordt vernietigd voor wat betreft het bevel aan de bank tot doorhaling van de registraties van [appellanten] . in het EVR/SFH. Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] . toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
[appellanten] . zullen als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep. De voor het eerst bij mondelinge behandeling in hoger beroep gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is niet toewijsbaar. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
Principaal hoger beroep
- griffierecht € 783
- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.363
Incidenteel hoger beroep
- salaris advocaat € 1.290 (tarief II x 1/2, 2 punten)
7. Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel appel:
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarbij (onder 5.1.) ING is bevolen de registraties van [appellanten] . in het EVR en bij de SFH door te halen binnen twee weken na de datum van het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende: wijst de daartoe strekkende vordering van [appellanten] . uit eerste aanleg alsnog af;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;
wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellanten] . af;
veroordeelt [appellanten] . in de proceskosten van de bank in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu in principaal hoger beroep vastgesteld op € 3.363 en in incidenteel hoger beroep op € 1.290;
veroordeelt [appellanten] . tot betaling aan de bank van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan en betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Molin, R.M. de Winter en R.D. Lubach en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.