Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 januari 2026.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Blijkens de appelschriftuur was het hoger beroep gericht tegen de vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde. In zijn e-mail van 19 februari 2026 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep en de eerder ingediende grieven niet worden gehandhaafd. Om die reden heeft de advocaat-generaal zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, waarbij het hof tevens heeft meegewogen dat de verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, de officier van justitie op grond van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 januari 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek en mr. J.H. van der Werff zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.