GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer gerechtshof Amsterdam : 200.337.826/01
zaaknummer / rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/335636/ HA ZA 23-38
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026
in de zaak van
1. [appellant] ,
wonend in [plaats 1] en [plaats 2] ,
2. ORTHOCYL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellanten,
advocaat: mr. L. van Gilst te Utrecht,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
wonend in [plaats 3] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
gevestigd te [plaats 3] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. E.L. Boonstra te Zeist.
Appellanten worden tezamen [appellanten] genoemd en afzonderlijk [appellant] en Orthocyl. Geïntimeerden worden tezamen [geïntimeerden] genoemd en afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
1. De zaak in het kort
[appellant] en [geïntimeerde 1] zijn beiden orthodontist. [appellant] verwijt [geïntimeerde 1] dat hij hem richting doorverwijzers en (ouders van) patiënten heeft beschuldigd van kindermishandeling en het gebruiken van prehistorische behandelmethoden. Dat is onrechtmatig en heeft tot schade geleid, aldus [appellant] . [geïntimeerde 1] betwist dat.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Het hof bekrachtigt dat vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 28 december 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 oktober 2023 van de rechtbank Noord-Holland, gewezen onder bovenvermeld zaak- en rolnummer tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 19 maart 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Deze is niet doorgegaan.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- appeldagvaarding;
- memorie van grieven met producties 33 tot en met 37;
- memorie van antwoord;
Op 1 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Mr. Van Gilst heeft de zaak toegelicht voor [appellanten] , mr. Boonstra en mr. D.J.G. Post, advocaat in Zeist, hebben de zaak toegelicht voor [geïntimeerden] aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] is al meer dan 38 jaar werkzaam als orthodontist. [appellant]
verricht zijn werkzaamheden vanuit Orthocyl, met welke vennootschap hij in 2007 als
Orthodontiepraktijk Zuiderzee en Beugel Volendam is gestart.
[geïntimeerde 1] is meer dan 18 jaar werkzaam als orthodontist en was daarvoor werkzaam als tandarts. In 2008 heeft [geïntimeerde 1] Orthodontist B.V. (sinds 2020 genaamd [geïntimeerde 2] ) opgericht en vanaf dat moment, vanuit die vennootschap als holding vennootschap, zijn eigen orthodontiepraktijk gevoerd in [plaats 3] , onder de naam Ortho Denti B.V.
In 2015 heeft [geïntimeerde 1] ten behoeve van zijn patiënten in Volendam een kleine praktijkruimte geopend voor een beperkt aantal uren per week.
Eén van de tandartsen die patiënten naar [appellant] doorverwees was [naam 1] van Top Dental B.V. te Volendam (hierna: [naam 1] ).
In februari 2015 is patiënte [naam 2] doorverwezen door [naam 1] naar [appellant] . De behandeling van [naam 2] , die 2-2,5 jaar zou duren, is op 21 maart 2015 gestart.
In augustus 2015 is patiënte [naam 3] overgestapt van de praktijk van [appellant] naar [geïntimeerde 1] .
[appellant] heeft op 30 november 2015 aan [geïntimeerde 1] per mail opheldering gevraagd ‘daar patiënte [naam 4] een lastercampagne heeft opgestart’. [geïntimeerde 1] heeft op dat bericht niet gereageerd.
[geïntimeerde 1] heeft tandarts [naam 5] op 18 november 2016 schriftelijk geïnformeerd over een patiënte, [naam 6] , die op dat moment al enige tijd in de praktijk bij Tandheelkundig Centrum Volendam (TCV ) orthodontisch werd behandeld. [geïntimeerde 1] schrijft daarin onder meer:
‘Onlangs zag ik bovengenoemde patiënt voor een eerste consult.
Ze blijkt al enige tijd bij TCV orthodontisch mis(be)handeld te worden.
(…)
Op 6 oktober kwam zij bij mij. Ik trof molaarbanden aan die niet individueel waren aangepast, te groot waren en dus ook diep onder de gingivarand gezet waren. De gegevens van haar uitgebreid onderzoek heb ik bekeken. De poging gedaan met banden en een TPA is onnodig geweest. Er had rustig gewacht kunnen worden tot de 14 en 24 doorgebroken waren om vervolgens de ruimte voor 15 en 25 terug te winnen. De 15 en 25 komen immers toch niet op 8 jarige leeftijd door.
(…)
Ik hoop dat jij haar ouders kan uitleggen waarom je haar op deze jonge leeftijd al voor een behandeling hebt doorgewezen en deze is uitgevoerd op een kind mishandelende manier.’
Op 23 januari 2017 ontving [appellant] een verzoek om de gegevens van patiënte [naam 7] op te sturen naar de praktijk van [geïntimeerde 1] , omdat zij zich daar had aangemeld voor (verdere) behandeling.
Op 11 april 2017 ontving [appellant] van [naam 1] een WhatsApp-bericht
met de volgende inhoud:
‘Hoorde vandaag van [naam 8] , de moeder van [naam 9] , dat haar zus met haar kids ook bij jou als patient liep met een buitenboordbeugel maar dat zij vorig jaar zijn overgestapt omdat ze in een winkel werd aangesproken door een assistente [geïntimeerde 1] met dat buitenboordbeugels ouderwets zouden zijn en dat ze in [plaats 3] nieuwere methodes hebben en die is toen met dr dochter overgestapt … echt belachelijk, de moeder van [naam 9] vond dat ook heel vreemd!!’
Op 19 mei 2017 had [naam 2] nog een afspraak bij [appellant] . Daarna is zij niet meer verschenen voor behandeling door [appellant] . Ook [naam 10] is niet meer verschenen.
Vanaf 1 juni 2017 heeft [appellant] zijn orthodontiepraktijk voortgezet binnen TCV. [appellant] voerde zijn werkzaamheden voor TCV uit op basis van een overeenkomst van opdracht voor minimaal 12 dagen per vier weken voor een periode van 2 jaar en voor een uurtarief van € 100,00 ex BTW. De behandelingen die liepen via Orthocyl werden vanuit TCV voortgezet.
Bij e-mailbericht van 28 september 2017 hebben de [ouders] aan [naam 1] laten weten geen gebruik meer te maken van haar diensten vanwege een onjuiste doorverwijzing naar Orthocyl en de gevolgen hiervan voor hun dochters.
Op 5 november 2018 heeft de moeder van [naam 2] en [naam 10] een klacht tegen [appellant] ingediend bij het Landelijk Meldpunt Zorg, Mondzorg support. In die klacht schrijft zij, voor zover van belang, onder meer het volgende:
‘De nieuwe orthodontist [naam 10] (…) noemde het “kindermishandeling”. Hij zei: “Deze behandelingen zijn prehistorisch, van vroeger uit mijn tijd.” Geschokt is dhr. [geïntimeerde 1] van de materialen die dhr. J. [appellant] heeft gebruikt en de schade die hij bij mijn dochter heeft aangericht o.a. scheve kiezen en de letterlijke mededeling dat alles voor niks is geweest.
(…)
Dhr. [naam 10] zegt: “Deze meneer [appellant] is een schande voor de orthodontie. Ik schaam me voor hem.”’
Bij e-mailbericht van 27 november 2018 bericht [naam 1] [appellant] over de overstap van [naam 11] en [naam 12] naar [geïntimeerde 1] . Daarin geeft zij aan dat de reden hiervoor is dat de ‘lipbumper’ niet werd gedragen en een andere patiënt een second opinion had geopperd, die ertoe heeft geleid dat werd gezegd dat er andere methodes bestaan die niet zo ouderwets zijn.
[geïntimeerde 1] heeft op verzoek van de moeder van [naam 2] en [naam 10] in een brief van 30 november 2018 een aantal bevindingen ten aanzien van [naam 2] op papier gezet. [geïntimeerde 1] schrijft, voor zover van belang, het volgende:
Vorig jaar meldde bovengenoemde patiënte zich bij mij voor een consult. Zij was tot op dat moment bij een collega onder behandeling maar de behandeling verliep niet helemaal naar wens.
In februari 2015 is zij aan een orthodontische behandeling begonnen aldaar en toen zij zich bij mij meldde had zij vaste apparatuur met een palatinale bar, lipbumper en cervical headgear. De 16 en 26 staan distaal geroteerd, de 24 en 25 om in buitenbeet, de 14 en 15 in end-to-end occlusie. Er waren twee dunne draden aanwezig. Het lijkt wel of er een tijd niet deskundig in haar mond gekeken is. De palatinale bar was actief en heeft de over rotatie veroorzaakt op de eerste molaren. Daardoor zijn de premolaren te veel naar buccaal verplaatst. Dit duidt er m.i. op dat er onvoldoende gecontroleerd is op het verloop van haar behandeling. De vaste apparatuur zat er meer dan een jaar in begreep ik van haar moeder. Ze had gipsmodellen uit 2015 meegenomen. Destijds had zij rechts 1pb disto occlussie en rechts ½ disto occlussie. Daarbij wat protrusie van het bovenfront. De tweede wisselfase was net begonnen, een klein puntje van de 33 was door. Waarom er destijds al is begonnen weet ik niet maar ik zie geen noodzaak op de modellen waarom er toen al begonnen moest worden. De wisseling had m.i. afgewacht kunnen worden zeker gezien haar toenmalige leeftijd.
De vaste apparatuur heb ik moeten vervangen aangezien bijna alle brackets t.o.v. elkaar op verschillende hoogte geplakt waren. Bij haar eerste bezoek bij mij is er gedocumenteerd.
Mondzorg Support heeft een bemiddelingstraject ingezet dat erin heeft geresulteerd dat [appellant] met de [familie] tot een schikking is gekomen in welk kader [appellant] een bedrag van € 1.000,00 heeft voldaan aan de [familie] tegen finale kwijting.
4. Procedure bij de rechtbank
Samengevat hebben [appellanten] , na eiswijziging, bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] aansprakelijk zijn voor onrechtmatig handelen jegens [appellanten] , en hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van (i) € 7.500 aan immateriële schade wegens reputatieschade, (ii) € 264.436,90 aan materiële schade wegens winstderving, (iii) € 1.000 aan schadevergoeding, en (iv) proceskosten, waaronder de kosten van het voorlopige getuigenverhoor, telkens te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 april 2019.
De rechtbank heeft bij haar vonnis van 4 oktober 2023 de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.
5. Vordering in hoger beroep
[appellanten] vorderen, na aanvulling van eis, uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde althans verwijzing naar de schadestaat, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
[geïntimeerden] concluderen dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van [appellanten] ongegrond zal verklaren, en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
6. Beoordeling
[appellanten] hebben vier grieven tegen het vonnis geformuleerd. Grief 1 ziet op rov 5.4, 5.14, 5.15 en 5.17. Het hof begrijpt deze grief zo dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de negatieve uitlatingen van [geïntimeerde 1] onvoldoende bewezen en voorts niet onrechtmatig zijn, en dat ook geen rekening is gehouden met de kwestie van patiënt [naam 13] . Grief 2 richt zich tegen het oordeel in rov 5.16, dat de heer en [naam 10] zich niet negatief over [appellant] hebben uitgelaten en hun ervaringen niet hebben gedeeld. Grief 3 richt zich tegen rov 5.16 en 5.17 en ziet op het volgens de rechtbank ontbreken van een modus operandi en causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de schade. Grief 4 richt zich tegen rov 5.13 en 5.17 en ziet op het onderbouwd zijn van de uitlatingen met constateringen in het gebit en het ontbreken van de opzet om patiënten over te laten stappen en [appellant] in diskrediet te brengen. Voorts menen [appellanten] dat [geïntimeerde 1] , anders dan de rechtbank oordeelt, wel verantwoordelijk was voor het klaagschrift van Leertouwer.
Tenslotte hebben [appellanten] aangevoerd dat [geïntimeerden] zich in de conclusie van antwoord opnieuw lasterlijk hebben uitgelaten, in het kader van de reden van het niet opnieuw als orthodontist registreren van [appellant] door de KNMT. Omdat de vorderingen niet gebaseerd zijn op de gestelde nieuwe lasterlijke uitlating in de conclusie van antwoord beschouwt het hof de stelling op dat punt slechts als een illustratie van de houding van [geïntimeerde 1] jegens [appellant] .
Kern van de zaak is, zoals [appellant] ter zitting nog eens heeft benadrukt, of [geïntimeerde 1] jegens ouders van patiëntjes en doorverwijzende tandartsen ongefundeerde, reputatie-schadelijke en daarmee onrechtmatige uitlatingen over [appellant] heeft gedaan. De grieven worden tegen die achtergrond begrepen en beoordeeld. Het hof stelt daarbij voorop dat negatieve uitlatingen van een orthodontist over een beroepsgenoot niet zonder meer onrechtmatig zijn omdat de betrokken beroepsgenoot meent dat daarmee een fatsoensgrens is overschreden. Het toetsingskader wordt, zoals [appellanten] ook onderkennen, gevormd door de afweging van de in beginsel gelijkwaardige grondrechten van art. 8 en 10 EVRM tegen elkaar.
Partijen twisten over de uitlatingen die zijn gedaan. Vast staat in elk geval dat [geïntimeerde 1] in een brief uit 2016 aan tandarts Bertens heeft geschreven dat sprake was van een behandeling op een kind mishandelende manier (zie 3.8). Over een andere patiënt ( [naam 2] ) heeft hij in 2018 geschreven dat het leek of er al geruime tijd niet deskundig in de mond was gekeken (zie 3.16).
Op verzoek van [appellanten] zijn in 2021 tijdens een voorlopig getuigenverhoor vijf getuigen verhoord: [appellant] , [geïntimeerde 1] , de heer en [naam 10] (de ouders van [naam 2] en [naam 10] ) en tandarts [naam 1] . Tijdens de getuigenverhoren zijn, voor zover van belang, de volgende verklaringen afgelegd (met verbetering van typefouten):
[naam 14] :
(…) . In mei 2017 wist ik dat [appellant] naar een ander praktijkpand ging verhuizen. Ook dit gaf mij een verkeerd onderbuik gevoel. Dit leek mij een goed moment om naar een andere orthodontist te gaan. Want mijn dochter [naam 2] had voordien heel veel pijn gehad. Ik had [appellant] bij eerdere consulten al gevraagd of al die behandelingen van [naam 2] en die apparaten wel nodig waren.
Wij waren net in Edam komen wonen en ik kende er bijna niemand. Ik heb toen wat gegoogeld en toen kwamen wij bij [geïntimeerde 1] uit. Toen wij hem bezochten, bleek dat het heel erg was gesteld bij [naam 2] . Haar kiezen waren scheef gaan staan en er waren afdrukken in de tong door alle aangebrachte apparatuur. Bij de eerste behandeling van [geïntimeerde 1] heeft hij al foto’s van [naam 2] genomen en mogelijk ook van [naam 10] genomen. Bij [naam 10] werden de brackets er meteen door [geïntimeerde 1] afgehaald en hij heeft de behandeling van haar gestaakt. (…) Ik heb uiteindelijk besloten een officiële klacht over [appellant] in te dienen. Ik deed dit omdat ik vond dat uitgezocht moest worden wat er gebeurd was en deze ellende anderen bespaard moest blijven. (…) Het kostte ons in die tijd veel moeite om de foto’s die [appellant] van onze dochters had gemaakt, te krijgen, om deze aan [geïntimeerde 1] te kunnen geven. Mijn klachten zijn geformuleerd in mijn e-mail van 5 november 2018 (…). Die klacht heb ik zelf geformuleerd. Voordien had ik geen andere klacht geformuleerd. Nadat ik deze klacht had ingediend heeft [geïntimeerde 1] , op verzoek van Mondzorg, een brief ik dacht aan Mondzorg geschreven gedateerd 30 november 2018 (…).
Ik heb mijn klachtmail van 5 november 2018 recent nog eens doorgelezen. Wat daarin staat klopt en ik herhaal de feiten ook nu ik onder ede sta. De klachtwaardige behandelfouten gedaan door de heer [appellant] , heb ik vernomen van de heer [geïntimeerde 1] . Uitsluitend op grond van zijn informatie heb ik mijn klacht geformuleerd. U houdt mij de citaten voor die [geïntimeerde 1] zou hebben uitgesproken. Ik herinner mij dat [geïntimeerde 1] deze bewoordingen gebruikt heeft. Ik heb mijn negatieve ervaringen met [appellant] niet met andere mensen gedeeld. Ik woonde net in Edam en ik kende er verder niemand. Er zijn dus ook geen negatieve schriftelijke uitlatingen van mij over [appellant] . (…)
Mijn klachtmail van 5 november 2018 heb ik zelf opgesteld. Ik nam daarin op mijn bevindingen die ik van [geïntimeerde 1] te horen had gekregen. Tevoren had [geïntimeerde 1] alle apparaten bij [naam 2] verwijderd. Ik was toen geëmotioneerd. [geïntimeerde 1] zei toen dat ik een klacht kon indienen, als ik het niet met de eerdere behandelingen eens was.
(…) Ik ben moeder en in die hoedanigheid kreeg ik die behandelingen een onderbuikgevoel maar ik kon deze behandeling door [appellant] niet professioneel beoordelen. Dat veranderde toen ik overstapte naar [geïntimeerde 1] en diens mening hoorde.
(…)
[naam 15] :
(…) De reden waarom wij besloten niet meer naar [appellant] toe te gaan weet ik nog wel ongeveer. Dat werd mede ingegeven omdat we niet helemaal tevreden waren. Waar die onvrede vandaan kwam moet u eigenlijk aan mijn vrouw vragen. Ik weet wel dat [naam 2] veel pijn heeft gehad en dat de littekens veroorzaakt door de apparatuur nu nog in haar tong staan. Dat geldt voor beide kinderen. Toen wij vernamen dat [appellant] ging verhuizen naar een andere praktijkruimte, leek ons dat een goed moment om om te zien naar een andere orthodontist. Het heeft vervolgens nog een tijd geduurd voordat we besloten een klacht in te dienen. We besloten tot een klacht omdat we de behandelingen goed uitgezocht wilden hebben en ook vanwege de pijn die onze dochters hebben gehad(…). Ik ken de klacht (…). Ik heb die recent nog doorgelezen. Voor zover ik dat kan beoordelen, kloppen de feiten die daarin verwoord worden. (…)
De behandeling van [naam 2] moest na de overstap weer helemaal opnieuw beginnen. Die duurde vervolgens weer ongeveer twee jaar. Alles wat [appellant] bij haar had gedaan, bleek voor niets. De geciteerde uitlatingen die in de klacht genoemd staan en die [geïntimeerde 1] zou hebben geuit, heb ik nooit gehoord: ik was er immers nooit bij. De klachtgronden die in onze klacht zijn aangeworpen hebben wij uitsluitend op basis van de informatie van [geïntimeerde 1] . Ik heb niet van andere patiënten van [appellant] gehoord dat zij slechte ervaringen met hem hadden. Ik ken weinig mensen in de omgeving van Edam.
(…)
Nadat wij van de beoordeling van [geïntimeerde 1] [kennis] hadden genomen heb ik mij nooit in het openbaar negatief over [appellant] uitgelaten. Zelfs mijn huidige tandarts weet niet van onze bezwaren. Ik heb nooit patiënten van [appellant] benaderd of mij ergens anders negatief over hem uitgelaten. Wij hebben uiteindelijk besloten de kwestie te schikken omdat ik van [appellant] af wilde.
(…)
U vraagt mij naar mijn oordeel over de behandelingen van mijn dochters door [appellant] . Wel: wij waren niet tevreden. (…) [naam 2] heeft heel veel pijn gehad. Bovendien had ze uitslag van de lipbumper, aan de onderkant van de mond en zoals gezegd hadden beide dochters littekens in de tong.(…)
[geïntimeerde 1] :
(…) Ik zag [naam 2] en [naam 10] voor het eerst in mijn praktijk op 25 juli 2017. Dat was het eerste consult. (...) U toont mij productie 6 bij het verzoekschrift, dat is een rapport van mij over [naam 2] met mijn visie over de behandeling van de toenmalige orthodontist. Als ik mij goed herinner heb ik die visie op schrift gezet op verzoek van [naam 10] . Zij was daarom gevraagd door Mondzorg. (...) In voornoemde brief schreef ik dat de voorgaande behandeling ‘niet helemaal naar wens verliep’. U vraagt mij wat er aan de hand was. Toen [naam 2] voor het eerst bij mij kwam zag ik een zeer verdrietig meisje en een zeer verdrietige moeder. Wat mijn professionele bevindingen toen waren staat in mijn brief aan tandarts [naam 1] van 26 juli 2017. (...)
U houdt mij de citaten voor uit productie 11, de klacht van [naam 10] aan Mondzorg. Ik heb deze verwoordingen vermoedelijk niet zo gezegd. (…) Wat ik wel heb gezegd is dat ik het een schande vond voor de orthodontie. Ik wist toen namelijk niet wie de behandelaar was; ik wist niet wanneer [appellant] in zijn praktijk werkte. (...) U vraagt of ik het woord ‘kindermishandeling’ aan de moeder Leertouwer heb vermeld. Ik vond het een en ander op een kindermishandelende manier gedaan. Als een kind zoveel pijn heeft met deze apparatuur, vind ik het een vorm van kindermishandeling. U vraagt mij of ik het woord ‘prehistorisch’ toen heb gebruikt. Ik zeg meestal ‘ouderwets’. Het zijn technieken uit mijn jeugd die ik tegenkwam. Wat ik bij [naam 2] aantrof, maak je niet veel mee. Ik neem ook wel patiënten van andere collega’s over, en daar kan ik doorgaans doorgaan met de apparatuur die zij eerder aanbrachten.
U vraagt mij of ik verzoekers structureel zwart heb gemaakt zoals zij stellen. Ik zou niet weten in welke vorm. (…) Ik heb nooit aan patiënten of voormalige patiënten van [appellant] laten weten dat verzoekers kinderen zouden mishandelen of ouderwetse behandelmethoden zouden toepassen. Ik heb dat ook niet in andere bewoordingen gedaan en evenmin schriftelijk. Ik spreek die mensen niet tenzij ze zich bij mij melden. Ik heb alleen een brief geschreven naar verwijzend tandarts [naam 1] na mijn eerste consult. Dat doe ik altijd: ik geef dan aan wat ik aantrof en wat ik daarvan vind.
Ook richting tandartsen uit Volendam en omgeving of aan andere derden heb ik mij nooit negatief over verzoekers uitgelaten. Ik spreek niet met collega’s over collega’s. U vraagt mij hoeveel patiënten ik na 1 juni 2017 heb overgenomen die voordien onder behandeling waren bij verzoekers. Dat heb ik niet paraat. Dat waren er geen tientallen. Misschien tien. Ik merk op dat ik deze patiënten niet overneem; het zijn mensen die op eigen gelegenheid naar mij toekomen. (...)
Gevraagd naar een brief van mij van 18 november 2016 aan de [naam 16] over [naam 6] kan ik bevestigen dat ik die brief heb verstuurd. Deze [naam 6] was patiënt van TCV, niet van [appellant] . (...) Die brief heeft niets met deze zaak te maken. (...) Zoals eerder gezegd: ik schrijf een verwijzend tandarts eerlijk wat ik bij een eerste consult van de betreffende patiënt aantref. (...)
Verwezen naar WhatsAppverkeer tussen [appellant] en [naam 1] van 11 april 2017 (...). Ik heb mijn assistentes niet geïnstrueerd om zich uit te laten over [appellant] . Ik weet niet waarom [naam 1] dit schrijft en evenmin weet ik welke assistente hier bedoeld is. Dit zeg mij niets. Ik ken de mensen die in dit appverkeer genoemd worden niet. [naam 9] is geen patiënt van mij. [naam 8] ken ik niet.
(...)
Ik heb [naam 10] niet geholpen bij het formuleren van haar klacht. Het kan zijn dat ik haar heb geantwoord dat zij, als zij het ergens niet mee eens was, een klacht zou kunnen indienen. Ik heb toen niet aangegeven hoe dat moest. (...)
[naam 1] :
(...) Ik ben niet op de hoogte van de technieken in de orthodontie. [appellant] werkt op een andere manier dan [geïntimeerde 1] . Ik ben altijd tevreden geweest over de resultaten van beide orthodontisten. Als ik niet tevreden was geweest met wat een van hen had gedaan, had ik dat met de betreffende orthodontist opgenomen. (...)
U vraagt mij of ik wel eens van mijn patiënten negatieve uitlatingen heb gehoord over de behandelingen of resultaten van [appellant] . Ik heb inderdaad eenmaal uit tweede hand iets dergelijks vernomen. Dat betrof een familielid van een patiënt van mij en van [appellant] . Dat familielid had vernomen dat [appellant] ouderwetse methodes had gebruikt. Ik heb niet gevraagd waar deze persoon die kennis vandaan had. Ik heb niet direct iets gemerkt van negatieve publiciteit of uitingen door [geïntimeerde 1] over [appellant] , behalve dan de zojuist genoemde informatie van het familielid van de [familie] . Ik kan mij niet herinneren ooit een mail te hebben ontvangen van [geïntimeerde 1] waarin hij zich negatief uitlaat over de behandeling van een patiënt door [appellant] .
(...)
De [familie] heeft destijds met mij gemaild en daarbij het woord ‘kindermishandeling’ gebruikt. Ik moet het antwoord schuldig blijven of [geïntimeerde 1] dit woord ook, in relatie tot [appellant] , in mijn richting heeft geuit.(...)
Er zijn geen zorginstanties (of iets dergelijks) geweest die mij ooit hebben benaderd over de behandelingen door [appellant] . Ik ben niet bekend met patiënten die overwogen een klacht in te dienen tegen [appellant] , behalve de [familie] .
(...)
Gevraagd naar mijn reactie op whatsappberichten van 11 april 2017 waarin de naam [naam 8] wordt genoemd (…) Ik weet niet van wie ze de betreffende informatie hebben verkregen en evenmin welke assistente van [geïntimeerde 1] zich op deze manier negatief zou hebben uitgelaten. [naam 8] is een patiënte van mij. (...)
In deze verklaringen is over de patiënte [naam 3] , die in 2015 is overgestapt, patiënte [naam 17] , die in 2015 een lastercampagne zou zijn gestart, patiënte [naam 6] , die in 2016 in het TCV werd behandeld (toen [appellant] daaraan niet verbonden was), patiënte [naam 7] , die in 2017 en de beide jongens [naam 18] , die in 2018 zijn overgestapt, niets opgenomen. Van patiënt Levi Romeijn dan wel Eggink is onduidelijk gebleven wat de situatie was. Wie de assistente is geweest die zich volgens [appellanten] negatief over [appellant] heeft uitgelaten en op wie het onder 3.10 geciteerde bericht ziet is ook onduidelijk, geen van de getuigen verklaart daarover iets relevants.
[appellanten] hebben over al deze patiënten gesteld dat zij hun uitingen en met name hun overstap, achteraf gezien, wijten aan negatieve berichten van [geïntimeerde 1] over [appellant] . Zij hebben dat echter niet behoorlijk onderbouwd. Nu het (de ouders van) een patiënt vrij staat om de eigen behandelaar te kiezen en een wisseling van orthodontist allerlei redenen kan hebben, kan uit de enkele overstap niets worden afgeleid, zeker niet dat die te wijten is aan negatieve, laat staan onrechtmatige uitlatingen van [geïntimeerde 1] over [appellant] . In dat verband verdient nog opmerking dat [appellanten] niet adequaat hebben gereageerd op de stelling van [geïntimeerden] dat de terugkeer in 2017 van [appellant] naar TCV, een centrum waaraan zowel tandartsen als orthodontisten zijn verbonden, een rol kan hebben gespeeld.
Dat betekent dat het aankomt op de gang van zaken rond de zusjes Leertouwer, in het bijzonder [naam 2] , die als patiënten eerst door [appellant] behandeld zijn en later door [geïntimeerde 1] . Hun moeder heeft een klacht over [appellant] ingediend (zie 3.14).
Uit de getuigenverklaringen volgt dat [naam 15] de klacht zelf heeft opgesteld en dat heeft gedaan op basis van mededelingen van [geïntimeerde 1] , die tegen haar zou hebben gezegd dat [appellant] zich aan kindermishandeling heeft schuldig gemaakt. [geïntimeerde 1] herinnert zich dat niet. Wel geeft hij aan dat hij een behandeling die tot zoveel pijn leidt als de behandeling die [appellant] heeft toegepast, in zijn visie als kindermishandelend moet worden gezien.
Veronderstellenderwijs aannemend dat [geïntimeerde 1] inderdaad heeft gezegd tegen de moeder van [naam 2] dat hij de aanpak van [appellant] als kindermishandeling beschouwt, is dat op zichzelf niet onrechtmatig. Een orthodontist die vaststelt dat de door een collega ingestelde behandeling niet strikt nodig was, terwijl de jonge patiënt veel pijn heeft gehad en aan de behandeling littekens heeft overgehouden, mag dat aan de moeder van die patiënt meedelen. Dat is geen openbare mededeling en het kiezen van een grievende term als mishandeling wordt gerechtvaardigd door de basis in de feiten. Weliswaar heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep ontkend dat [naam 2] pijn had, maar tegen het oordeel van de rechtbank, die als vaststaand heeft aangenomen dat zij pijn heeft ondervonden als gevolg van de behandeling, is geen grief gericht. Het hof acht bovendien op basis van de getuigenverklaringen van de [ouders] en van [geïntimeerde 1] afdoende bewezen dat [naam 2] veel pijn heeft gehad.
De beschrijving van de behandeling als ouderwets of prehistorisch is weliswaar niet vleiend, maar niet onnodig grievend en duidelijk kenbaar als eigen vakmatige opvatting van [geïntimeerde 1] . Het uiten van een dergelijke vakmatige opvatting is op zichzelf genomen niet onrechtmatig.
De omstandigheid dat [naam 15] de mededeling van [geïntimeerde 1] , zoals die haar bijstond, heeft gebruikt voor het opstellen van een klacht is onvoldoende voor het oordeel dat [geïntimeerde 1] verantwoordelijk is voor die klacht. [naam 15] verklaart dat zij de klacht zelf heeft opgesteld en [geïntimeerde 1] verklaart dat hij daarbij niet heeft geholpen. Aanwijzingen voor de juistheid van de stelling dat deze verklaringen onjuist zijn hebben [appellanten] niet kunnen concretiseren, behalve dat in de klacht technische termen zijn gebruikt. Dat laatste is onvoldoende, zeker in het licht van de verklaring van [naam 15] dat zij zich heeft gebaseerd op wat zij van [geïntimeerde 1] had vernomen.
De onder 3.16 geciteerde brief is een neutraal technisch relaas. Of dat, vanuit specialistisch oogpunt, in alle opzichten juist is doet niet ter zake. Het enkel innemen van een standpunt dat niet geheel juist is of waarover verschillend kan worden gedacht is als zodanig niet onrechtmatig. Dat zou anders kunnen zijn als het grievend was verwoord. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Verder blijkt uit de verklaringen niet dat [geïntimeerde 1] over de behandelingen van de zusjes Leertouwer door [appellant] met anderen heeft gesproken dan met hun ouders. Ook blijkt niet dat de [familie] buiten de klachtbehandeling met iemand over hun bezwaren tegen de behandeling van [appellant] heeft gesproken.
Uit de zinsnede in het klaagschrift “Inmiddels hoor je nu van andere mensen dat de werkwijze van dhr. [appellant] inderdaad niet goed is maar er gebeurd niets. Hier willen wij graag verandering in brengen.” blijkt dat evenmin.
De stelling van [appellanten] dat [geïntimeerde 1] in zijn brief van 5 oktober 2017 [naam 19] zou hebben gewaarschuwd voor de behandelingen van [appellant] wordt eveneens verworpen. De brief luidt als volgt:
Eén van mijn assistentes attendeerde mij erop dat op jouw site bij orthodontie nog wel jou samenwerking van [naam 20] Hemel staat. De link naar orthodontiepraktijk Zuiderzee werkt niet meer.
Ik wil mij nergens mee bemoeien hoor, maar gezien de recente ontwikkelingen van [naam 20] is het wellicht raadzaam dit niet meer zo te vermelden.
[geïntimeerden] hebben toegelicht dat met de recente ontwikkelingen wordt gedoeld op het feit dat [appellant] was ingetrokken bij TCV. Die overstap leidde ertoe dat de mededeling op de website van [naam 1] meebracht dat zij haar patiënten doorverwees naar haar directe concurrent TCV. [appellanten] hebben dit op zichzelf niet weersproken, maar stellen dat dit bericht in samenhang met de andere uitingen wijst op een patroon van negatieve framing. Het hof is van oordeel dat die negatieve framing niet kan worden afgeleid uit bovenstaand citaat. Bovendien blijkt uit de getuigenverklaring van [naam 1] dat ook zij dit bericht niet op die manier heeft begrepen. Zij verklaart immers: Ik heb niet direct iets gemerkt van negatieve publiciteit of uitingen door [geïntimeerde 1] over [appellant] , behalve dan de zojuist genoemde informatie van het familielid van de [familie] .
[appellanten] wijzen tot slot op het opdrogen van de patiëntenstroom. Dat zou wijzen op het beschadigd zijn van de goede reputatie van [appellant] en, in combinatie met de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] als zijn concurrent in Volendam belang had bij het zwart maken van [appellant] , dus op onrechtmatig gedrag van [geïntimeerde 1] , aldus [appellanten]
Zelfs als juist is, zoals [appellant] aanneemt, dat zijn reputatie als orthodontist beschadigd is geraakt kan dat allerlei oorzaken hebben gehad. Voldoende concrete aanwijzingen dat dit te wijten is aan (uitlatingen van) [geïntimeerde 1] ontbreken; elke medische professional kan nu eenmaal last hebben van ontevreden patiënten.
Per saldo is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat [geïntimeerde 1] zich onrechtmatig heeft uitgelaten over dan wel zich onrechtmatig heeft gedragen jegens [appellant] (c.s.). Aan de vraag of sprake is van schade wordt daarom niet toegekomen.
[appellanten] hebben getuigenbewijs aangeboden, maar zij worden niet tot dat bewijs toegelaten. De eerste twee getuigen zijn die zij noemen zijn al gehoord en niet toegelicht is waarom en waarover zij opnieuw gehoord zouden moeten worden. De laatste twee kunnen louter over de schade verklaren en daaraan wordt niet toegekomen. Over welke voor de beslissing relevante stellingen tandarts Bertens zou kunnen verklaren is onduidelijk en onvoldoende concreet gemaakt.
De grieven behoeven bij gebrek aan belang geen nadere afzonderlijke bespreking.
Slotsom en kosten
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] als volgt vast:
- griffierecht € 6.561
- salaris advocaat € 9.414 (2 punten)
Totaal € 15.975
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 15.975 te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellanten] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.F. Aalders en M. Spanjaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.