GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer : 200.356.963/02
zaaknummer hoofdzaak : 200.356.963/01
Beslissing van de wrakingskamer van 25 februari 2026
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker] ,
hierna: verzoeker.
1. De procedure
De hoofdzaak betreft het hoger beroep van verzoeker tegen de beslissing van de Kamer voor het Notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2025 (met kenmerk C/05/437774 / KL RK 24-84), waarbij de beslissing van de voorzitter van de Kamer voor het Notariaat van 18 juni 2024 is bekrachtigd en het verzet tegen die beslissing ongegrond is verklaard.
Voor 14 januari 2026 stond een zitting gepland waarop het hoger beroep zou worden behandeld. Verzoeker heeft op 13 januari 2026 telefonisch contact gehad met de griffie, waarbij de namen van de leden van de notariskamer aan hem zijn meegedeeld: mrs. J.H. Lieber, J.C.W. Rang en A.M.J.M. Ploumen (hierna: de raadsheren of de notariskamer). In een e-mailbericht van diezelfde dag aan de griffie van de notariskamer heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij het niet wenselijk acht dat mr. Lieber zijn zaak behandelt, omdat hij mr. Lieber in een eerder bij de notariskamer aanhangige zaak succesvol heeft gewraakt.
Op 14 januari 2026 heeft verzoeker voorafgaand aan de zitting per e-mailbericht een wrakingsverzoek ingediend ten aanzien van de notariskamer en de behandelend griffier.
De wrakingskamer heeft op diezelfde dag de zitting bepaald op 20 januari 2026. Omdat verzoeker meedeelde dat hij tot half februari 2026 verhinderd was, heeft de wrakingskamer de zitting vervolgens bepaald op 19 februari 2026 om 10.00 uur.
De raadsheren hebben de wrakingskamer laten weten dat zij niet berusten in het wrakingsverzoek en zij hebben, ieder afzonderlijk, een schriftelijke reactie gegeven op het verzoek tot wraking.
Voorafgaand aan de behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoeker verscheidene e-mailberichten aan de griffie van de wrakingskamer gezonden met procedurele verzoeken, waaronder het verzoek om de behandeling van het wrakingsverzoek te verwijzen naar een ander gerechtshof, het verzoek om de interne communicatie tussen de gewraakte raadsheren onderling, de interne communicatie tussen de gewraakte raadsheren en de wrakingskamer en de interne communicatie van de wrakingskamer zelf te verstrekken en een verzoek tot verdaging van de wrakingszitting. Aan verzoeker is medegedeeld dat de zitting op 19 februari 2026 door zal gaan en dat hij ter zitting zijn punten ter bespreking naar voren kan brengen.
Het wrakingsverzoek is op 19 februari 2026 door de wrakingskamer behandeld. Op de zitting waren verzoeker en mr. Rang aanwezig. Beiden hebben het woord gevoerd.
Tijdens de zitting heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend van de wrakingskamer, nadat de voorzitter hem had meegedeeld dat hij tien minuten spreektijd kreeg om zijn wrakingsverzoek van mrs. Lieber, Rang en Ploumen toe te lichten. De gronden voor dat wrakingsverzoek zijn dat de voorzitter van de wrakingskamer verzoeker had onderbroken en dat de wrakingskamer zich diep moet schamen voor de met verzoeker gevoerde correspondentie in de aan de zitting voorafgaande week.
De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking van de wrakingskamer ter zitting buiten behandeling gelaten op de grond dat verzoeker evident misbruik maakt van het middel van wraking (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, r.o. 4.7). Hij zet dit middel kennelijk in om hem onwelgevallige (proces)beslissingen over de wijze van behandeling van zijn verzoek aan te vechten.
De wrakingskamer heeft de behandeling van het (oorspronkelijke) wrakingsverzoek vervolgens voortgezet.
2. Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover
Verzoeker heeft de gronden voor het wrakingsverzoek uiteengezet in een schriftelijk stuk van 14 januari 2026. Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker het verzoek verder toegelicht. Samengevat stelt verzoeker dat de eerder op zijn verzoek toegewezen wraking van mr. Lieber in een andere notariële tuchtzaak (ECLI:NL:GHAMS:2024:2584, gewezen op 27 augustus 2024) de (objectieve) schijn van partijdigheid doet ontstaan in deze zaak. Het feit dat de zaak voor een meervoudige kamer dient, brengt volgens verzoeker mee dat de zaak door de raadsheren onder meer al voor de zitting is voorbesproken, waardoor de schijn van partijdigheid zich ook uitstrekt tot de overige leden van de notariskamer (door verzoeker aangeduid als een ‘dominoeffect’ van de gestelde partijdigheid van mr. Lieber). Om deze reden is het wrakingsverzoek tevens gericht tegen de twee andere raadsheren en de griffier.
De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek
tot wraking berusten. Mr. Rang heeft haar standpunt ter zitting nog nader toegelicht.
3. De beoordeling
De diverse procedurele verzoeken van verzoeker in het wrakingsincident wijst de wrakingskamer (nogmaals) af. In het bijzonder ziet de wrakingskamer geen reden om de behandeling van het wrakingsverzoek te verwijzen naar een ander gerechtshof, zijn alle stukken over het wrakingsverzoek die de wrakingskamer van de raadsheren heeft ontvangen aan verzoeker verstrekt en verdraagt een zo spoedig mogelijke behandeling van het wrakingsverzoek (artikel 39, lid 1, Rv) geen nadere verdaging van de zitting, mede in aanmerking genomen dat eerder verdaging heeft plaatsgevonden naar een datum buiten de periode waarin verzoeker eerder had aangegeven verhinderd te zijn.
Juridisch kader
Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Uit artikel 36 Rv volgt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen een individuele rechter die de hoofdzaak behandelt.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Beoordeling in deze zaak
Wraking van mr. Lieber
Naar het oordeel van de wrakingskamer leidt het enkele feit dat in de andere procedure een wrakingsverzoek van verzoeker ten aanzien van mr. Lieber is toegewezen wegens een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, niet ertoe dat ook in deze procedure de schijn van vooringenomenheid bestaat. De wrakingskamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat het thans in de hoofdzaak om een andere tuchtzaak en een andere notaris gaat en dat er sprake is van een aanzienlijk tijdverloop sinds de vorige, toegewezen, wraking. Het betoog van verzoeker dat uit de schriftelijke reactie van mr. Lieber kan worden afgeleid dat hij de eerder toegewezen wraking persoonlijk heeft opgevat, volgt de wrakingskamer bovendien niet. Het verzoek tot wraking van mr. Lieber is daarom ongegrond.
Wraking van mrs. Rang en Ploumen
Het verzoek tot wraking van deze raadsheren heeft verzoeker gestoeld op, kort gezegd, beïnvloeding door mr. Lieber in het kader van de behandeling door een meervoudige kamer. Omdat het verzoek tot wraking van mr. Lieber niet succesvol is, wordt ook het wrakingsverzoek gericht tegen mrs. Rang en Ploumen afgewezen.
Overige wrakingsgronden
Hetgeen verzoeker overigens nog heeft aangevoerd, kan evenmin leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. De door verzoeker aangedragen bezwaren zijn onvoldoende concreet tegen een of meer van de gewraakte raadsheren gericht of gaan het bereik van deze wrakingsprocedure te buiten.
Wraking van de griffier
Verzoeker heeft in zijn verzoek tot wraking van 14 januari 2026 ook de griffier betrokken. Het verzoek tot wraking voor zover gericht tegen de griffier is eerder, namelijk op 21 januari 2026, buiten behandeling gesteld, omdat een griffier ingevolge artikel 36 Rv niet kan worden gewraakt. Voor zover verzoeker zijn verzoek tot wraking jegens de griffier heeft bedoeld te herhalen, onderschrijft de wrakingskamer dat ten aanzien van de griffier geen sprake kan zijn van een wrakingsverzoek zoals bedoeld in de wet. Verzoeker kan in dat geval niet worden ontvangen in het wrakingsverzoek voor zover gericht tegen de griffier.
Misbruik van het middel tot wraking
Verzoeker heeft tijdens de behandeling van zijn verzoek een wrakingsverzoek gedaan dat kennelijk was ingegeven door onvrede met de wijze van behandeling van zijn verzoek ter zitting van de wrakingskamer (zoals hiervoor onder het procesverloop uiteengezet). Verzoeker gebruikt het middel van wraking zodoende voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven, namelijk om door hem gewenste procesbeslissingen af te dwingen, de procedure te vertragen en de procedure te frustreren. Dat is misbruik van het middel van wraking. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking voor zover dat is gericht tegen de griffier;
verklaart het verzoek tot wraking van de raadsheren ongegrond;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Alwin, W.J. Blokland en N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. L.H.J. Peters als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.