GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.863/01
zaaknummer rechtbank: C/13/764694 / JE RK 25-121
beschikking van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C. Guzel te Heerhugowaard,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats B] ,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] , en
- [de vader] , hierna: de vader.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de zorgregeling voor [minderjarige] (14 jaar). De kinderrechter heeft een zorgregeling bepaald waarbij [minderjarige] – kort gezegd – op de doordeweekse dagen bij de vader verblijft en in de weekenden, met uitzondering van het eerste weekend van de maand, bij de moeder verblijft. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat toegewerkt wordt naar een 50/50-zorgregeling.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 19 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 8 juli 2025 met bijlagen.
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
De zitting heeft op 9 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, en
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
De GI is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van (onder meer):
- [minderjarige] , geboren [in] 2011 te [plaats B] .
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 23 maart 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 23 maart 2024 en is (voor diezelfde periode) een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, welke maatregelen nadien telkens zijn verlengd tot 23 maart 2025. Omdat de GI van mening was dat de betrokkenheid van een organisatie strijdverhogend werkt bij de ouders, heeft zij besloten om geen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen. De raad heeft dit besluit getoetst en was daarmee akkoord.
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 21 november 2024 is bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] worden belast en dat de vader de moeder (kort samengevat) eenmaal per maand per e-mail dient te informeren over relevante zaken aangaande [minderjarige] . Ook is aan de vader vervangende toestemming verleend voor het aanvragen van een ID-kaart en paspoort voor [minderjarige] en is bepaald dat de vader de ID-kaart en het paspoort van [minderjarige] in beheer heeft. Daarnaast is met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van 28 november 2018, bepaald dat de moeder aan de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te voldoen € 102,00 per maand, met ingang van 19 november 2024.
Tot begin 2025 woonde [minderjarige] bij de vader. Vanaf (in ieder geval) februari 2025 verblijft hij volledig bij de moeder.
4. De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna: zorgregeling) bepaald:
- [minderjarige] verblijft op doordeweekse dagen bij de vader;
- in de weekenden is [minderjarige] bij de moeder van vrijdagmiddag na school (en als er geen school is vanaf 15.00 uur) tot zondagavond 19.00 uur, met uitzondering van het eerste weekend van de maand, dan verblijft [minderjarige] bij de vader;
- [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week van de meivakantie bij de moeder en in de oneven jaren de laatste week van de meivakantie;
- [minderjarige] verblijft in de even jaren eerste kerstdag bij de moeder om 11.00 uur tot tweede kerstdag 11.00 uur en in de oneven jaren op tweede kerstdag 11.00 uur tot de volgende dag 11.00 uur;
- [minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste twee weken van de zomervakantie bij de moeder en in de oneven jaren de laatste twee weken.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld waarbij middels een gefaseerde opbouwregeling toegewerkt wordt naar een 50/50-zorgregeling.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling over de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt ingevolge het derde lid van voornoemd artikel de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling bedoeld in artikel 1:253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 1:377a, tweede lid BW.
De standpunten
De moeder stelt kort samengevat dat bij de vaststelling van de zorgregeling onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat er contactherstel tussen haar en [minderjarige] heeft plaatsgevonden en zij op dit moment beter contact met hem heeft. Hun band is verbeterd en [minderjarige] toont meer genegenheid richting haar. Daarnaast gaat [minderjarige] sinds hij bij de moeder verblijft vaker naar school. De moeder meent dat de vastgestelde zorgregeling niet aansluit bij zijn wens (om meer bij haar te zijn), belangen en behoeftes en in die zin zijn recht op privé-, familie- en gezinsleven niet eerbiedigt. Bij de zorgregeling dient niet alleen acht geslagen te worden op de stukken die destijds zijn opgesteld, maar ook op de ontwikkeling die de moeder heeft doorgemaakt en de ontwikkelingen in het contact met [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat hij frequenter contact heeft met de moeder en vaker bij haar verblijft, zodat voorkomen wordt dat hij gemis ervaart en hun contact verwatert. Co-ouderschap is in dit geval het meest passend en in het belang van [minderjarige] , omdat daarmee de band tussen [minderjarige] en de moeder wordt gewaarborgd en hij twee weken in de maand bij de vader kan verblijven en makkelijker naar school kan reizen. Onvoldoende staat vast en niet is onderbouwd dat een 50/50-regeling eraan in de weg staat dat [minderjarige] zich kan blijven ontwikkelen op het gebied van school. Onduidelijk is op basis waarvan is geoordeeld dat er een significante verbetering was in de schoolgang van [minderjarige] sinds hij bij de vader verbleef. Uit een incidentenoverzicht van de school van [minderjarige] blijkt juist dat het destijds niet goed met hem ging op school. Ook is ten onrechte geoordeeld dat de afstand tussen de woonplaats van de moeder en de school van [minderjarige] een struikelblok kan vormen voor een prettige schoolgang van [minderjarige] . Het reistijdverschil maakt niet dat een 50/50-zorgregeling onmogelijk is. [minderjarige] is inmiddels van school veranderd en hij gaat naar een kleinschaliger school in [plaats C] . Verder heeft de moeder meermaals via WhatsApp geprobeerd te communiceren met de vader over [minderjarige] , maar op haar berichten wordt niet gereageerd, aldus de moeder.
De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij het beste wil voor [minderjarige] . De rechtbank, Altra en jeugdzorg hebben bepaald wat het beste voor hem is, maar de moeder heeft zich niet aan de zorgregeling gehouden. De vader ontvangt geen informatie van de moeder sinds [minderjarige] naar haar is vertrokken. Gedurende de twee jaar dat [minderjarige] bij de vader verbleef en geen contact met de moeder wilde, hebben de vader en [minderjarige] hard gewerkt en ervoor gezorgd dat hij naar een havo-klas kon. Bij het [X] is er direct aangegeven dat er hulp ingezet moest worden voor [minderjarige] , waarna op school twee keer hulp is opgestart. Omdat de moeder geen medewerking verleende aan de hulp, is deze echter weer stopgezet. De vader is niet door de moeder geïnformeerd dat [minderjarige] van school is gewisseld. Ook heeft zij [minderjarige] zonder medeweten van de vader uitgeschreven bij hem. De vader acht een zorgregeling waarbij [minderjarige] doordeweeks bij hem verblijft en in het weekend bij de moeder, zoals de rechtbank heeft bepaald, in het belang van [minderjarige] . Een dergelijke regeling zal hem stabiliteit opleveren en [minderjarige] heeft uitgesproken terug te willen naar de vader. Bij een week-op-week-af-regeling kan de vader er niet meer bovenop zitten als er iets met [minderjarige] op school gebeurt. De vader heeft een nieuwe woning in [plaats C] en kan deze binnenkort betrekken. Sinds twee maanden heeft hij weer contact met [minderjarige] , aldus de vader. Afgesproken is dat de ouders via de e-mail communiceren en de vader reageert op e-mails als dat nodig is, aldus de vader.
Het advies van de raad
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd een week-om-week-regeling vast te stellen, met de voorwaarde dat [minderjarige] naar de ene ouder gebracht wordt door de andere ouder. Op die manier voelt [minderjarige] dat de ene ouder toestemming geeft voor en staat achter zijn verblijf bij de andere ouder. Ook adviseert de raad de ouders om [minderjarige] bij het co-ouderschap te helpen met het over een weer brengen van zijn spullen en om die anders dubbel aan te schaffen. Daarnaast is de raad van mening dat [minderjarige] een coach (bijvoorbeeld vanuit school) moet krijgen die hem kan ondersteunen. Wat de raad betreft gaat het dan om een vertrouwenspersoon waar [minderjarige] mee kan praten en bij wie hij zijn verhaal kan doen. De raad ziet een jongen die het al langere tijd ingewikkeld vindt en dat laat zien met moeilijk gedrag. Het is onduidelijk of dat gedrag bij hem hoort of door de situatie wordt veroorzaakt. [minderjarige] moet de verschillen die hij van zijn ouders heeft meegekregen verenigd zien te krijgen. Pubers toetsen de waarden die zij van hun ouders hebben meegekregen onder extreme omstandigheden. Beide ouders hebben gezag en de school hoort daarom contact met beiden te hebben. De ouders moeten afspreken hoe zij met elkaar communiceren. Als zij rust voor [minderjarige] willen creëren dan moeten zij met elkaar overleggen. Beslissingen moeten niet genomen worden zonder de andere ouder daarbij te betrekken.
De beoordeling
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. [minderjarige] stond van 23 maart 2023 tot 23 maart 2025 onder toezicht van de GI. De GI heeft vervolgens besloten om geen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen, omdat de strijd tussen de ouders (in die periode) niet gestopt is, Altra en de GI niet de verwachting hadden dat deze strijd zou stoppen en de GI zag dat de betrokkenheid van een organisatie strijdverhogend werkt bij de ouders. Zoals onder 3.3 vermeld, heeft de raad dit besluit getoetst en akkoord bevonden. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er nog steeds sprake is van een strijd en een verstoorde communicatie tussen de ouders en dat zij daardoor weinig contact hebben.
Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, is [minderjarige] bij de moeder blijven wonen. Begin 2023 is [minderjarige] , nadat er bij de moeder thuis escalaties hadden plaatsgevonden, bij de vader gaan wonen. Deze plaatsing is middels een machtiging uithuisplaatsing geformaliseerd. [minderjarige] heeft vervolgens lange tijd geen contact met de moeder gehad, omdat hij dat niet wilde. In april 2024 is Altra betrokken geraakt om hulp te verlenen gericht op contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Voordat het moment van contactherstel zou plaatsvinden op 13 december 2024, is een incident ontstaan bij de vader, waardoor [minderjarige] bij hem is weggelopen en naar de moeder is gegaan. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder is op deze manier (versneld) hersteld. Omdat de GI van mening was dat [minderjarige] niet duurzaam bij de moeder kon blijven, is hij rond 20 december 2024 weer naar de vader teruggekeerd. Vast is komen te staan dat [minderjarige] daarna weer naar de moeder is gegaan en daar al geruime tijd, maar in ieder geval vanaf februari 2025 (volledig) verblijft. In de periode daarna heeft [minderjarige] de vader enige tijd ontweken, maar ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader inmiddels weer contact heeft met [minderjarige] en dat zij elkaar sinds november 2025 ook weer regelmatig zien.
Met de moeder en de raad is het hof van oordeel dat een week-om-week-regeling in het belang van [minderjarige] is. Aannemelijk is dat [minderjarige] vanwege de strijd en de verstoorde communicatie tussen de ouders op momenten dat hij in conflict met een van de ouders is ervoor kiest om naar de andere ouder te gaan. Het hof acht dit een zorgelijke ontwikkeling. Voor [minderjarige] is het op dit moment van belang dat hij structuur en regelmatig contact met beide ouders heeft en dat hij voorlopig niet zelf kan beslissen wanneer en hoe lang hij bij een ouder is. De ouders hebben die verantwoordelijkheid. Het hof is met de raad van oordeel dat het afwisselend door de ene ouder brengen van [minderjarige] naar de andere ouder waar hij de komende week zal verblijven, eraan bijdraagt dat hij de toestemming van (en de samenwerking tussen) de ouders voelt. Het hof benadrukt daarbij dat voor [minderjarige] van belang is dat de ouders contact met elkaar hebben, via WhatsApp of e-mail, en elkaar op de hoogte houden van alles wat van belang kan zijn voor [minderjarige] . Het hof zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zodat daaraan direct uitvoering gegeven kan worden. Een gefaseerde opbouwregeling, zoals de moeder heeft verzocht, acht het hof in dit geval niet mogelijk, omdat de ouders nog niet de juiste vorm van communiceren hebben gevonden om de verschillende stappen van een fasering daadwerkelijk van de grond te laten komen.
Verder heeft de moeder ter zitting in hoger beroep verklaard dat [minderjarige] onlangs gesproken heeft met een jongerenwerker die hij vertrouwt. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat een medewerker van de gemeente ervoor zou zorgen dat [minderjarige] met deze jongerenwerker kan (blijven) praten. Aangezien het hof het (net als de raad) van groot belang acht dat [minderjarige] een coach of vertrouwenspersoon krijgt die hem kan ondersteunen en bij wie hij zijn verhaal kan doen, spreekt het hof de hoop uit dat deze positieve ontwikkeling wordt voortgezet.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast waarbij [minderjarige] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader, met dien verstande dat [minderjarige] telkens naar de andere ouder wordt gebracht door de ouder bij wie hij de dag ervoor heeft overnacht;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.M. van Baardewijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 24 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.