ECLI:NL:GHAMS:2026:512

ECLI:NL:GHAMS:2026:512

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer 23-000538-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

wettig en overtuigend bewijs opzettelijk aanwezig hebben 6 gram cocaine, bewijsoverweging, 60 uur TS en twee tullen toewijzen

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 november 2023 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,63 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt met betrekking tot de bewezenverklaring en het beslag, voor zover dit ziet op de inbeslaggenomen telefoon, dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht de verdachte vrij te spreken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd. De verdachte ontkent dat hij het zakje met bolletjes cocaïne aanwezig heeft gehad. Als al zou kunnen worden bewezen dat het op de stoep aangetroffen zakje met drugs hetzelfde zakje is als het zakje dat even daarvoor door het autoraam naar buiten is gegooid en dat verdachte degene is geweest die dit zakje door het autoraam naar buiten heeft gegooid, dan is dat nog onvoldoende om te bewijzen dat hij ook wetenschap van en beschikkingsmacht over de drugs had.

Uit het procesdossier blijken de volgende feiten en omstandigheden.

Verbalisanten zien dat op 20 november 2023 om 03.50 uur op het Mr. Visserplein te Amsterdam een voertuig stopt bij een persoon die op de stoep staat, waarna deze persoon rechts achter in het voertuig stapt en ongeveer 30 seconden later weer uitstapt. Deze persoon heeft op dat moment iets kleins, wit van kleur, in zijn hand, stopt dit in zijn zak en loopt snel weg. Verbalisanten herkennen deze gang van zaken als een hen bekende modus operandi voor de handel in drugs, waarop zij besluiten het voertuig volgen. Even later maakt het voertuig een bocht van 180 graden. De verbalisanten geven vervolgens een stopteken, dat wordt genegeerd. Even later zien de verbalisanten dat het raam van het rechterportier aan de voorzijde van het voertuig opengaat, dat de bijrijder zijn hand uit het raam steekt en een plastic zakje met witte inhoud vast heeft en vervolgens weggooit. Dit zakje valt op de stoep ter hoogte van de Plantage Kerklaan perceel [perceel] . De verbalisanten zien dat er drie personen in het voertuig zitten; een bestuurder, een bijrijder en een persoon links achterin. Kort hierop stopt het voertuig op de kruising van de Henri Polaklaan en de Plantage Kerklaan. De verbalisanten hebben gezien dat de drie personen in de auto ondertussen niet van plek zijn gewisseld en constateren dat de persoon links achterin niet iets uit het rechterraam heeft kunnen gooien. Geüniformeerde collega’s komen ter plaatse en de bijrijder, de verdachte, wordt aangehouden. Verbalisant [verbalisant 1] gaat terug naar de Plantage Kerklaan ter hoogte van nummer [perceel] alwaar hij een zakje ziet liggen. Na onderzoek blijkt dat er 27 bolletjes cocaïne in het zakje zitten.

Bij de raadsheer-commissaris heeft verbalisant [verbalisant 1] verklaard dat hij snel na de aanhouding van de verdachte kon teruglopen naar de plaats waar het weggeworpen zakje terecht was gekomen en waaraan hij het zakje herkende. Verbalisant [verbalisant 2] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij vanaf het moment dat de auto de bocht van 180 graden maakte, constant zicht had op de personen in de auto en kon zien dat er niet van plaats is gewisseld. Hij reed namelijk met beperkte snelheid dicht achter het voertuig. Alles speelde zich binnen een kort tijdsbestek af: tussen het moment dat het zakje uit het autoraam werd gegooid en de auto stopte, zaten hoogstens 10 tot 20 seconden en tussen het moment dat het zakje uit het autoraam werd gegooid en zijn collega dit in beslag nam, hoogstens twee minuten. Beide verbalisanten verklaren dat op dat moment (bijna) niemand op straat was.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het door de verbalisant op straat aangetroffen zakje, het zakje moet zijn wat kort daarvoor, toen het voertuig waarin de verdachte zich als bijrijder bevond door de politie werd achtervolgd, door de verdachte uit het raam is gegooid. Het op dat moment weggooien van dit zakje duidt er naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op dat de verdachte niet alleen wetenschap van maar ook beschikkingsmacht over de drugs had en dus cocaïne aanwezig had, zoals bedoeld in artikel 2 onder c van de Opiumwet. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 november 2023 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 6,63 gram cocaïne.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft het hof verzocht in geval van een bewezenverklaring de op te leggen straf te matigen, onder meer gelet op het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) van toepassing is en nu de verdachte het afgelopen jaar niet met politie of justitie in aanraking is geweest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 6,63 gram cocaïne. Cocaïne is schadelijk voor de personen die dit gebruiken. Behalve voor de gezondheid van de gebruikers zijn deze middelen ook bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

De LOVS-oriëntatiepunten gaan bij het aanwezig hebben van harddrugs tot 10 gram uit van een geldboete van € 750,-. Als strafverzwarende omstandigheid weegt het hof mee dat er gelet op de waarnemingen van de verbalisanten en de wijze waarop de drugs waren verpakt – in 27 bolletjes - sprake is van een dealerindicatie.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof verder mee dat uit het op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 januari 2026 blijkt dat de verdachte ten tijde van het strafbare feit in een tweetal proeftijden liep.

Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, zoals door de politierechter is opgelegd en zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden. Hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd maakt niet dat het bezit van deze zaken minder strafwaardig wordt en biedt dus geen grond de op te leggen straf te matigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing ten aanzien van het beslag

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de navolgende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan de verdachte toebehoren en aan hem dienen te worden teruggegeven.

Goednummer 6425414: 185 euro

Goednummer 6425415: 1 stuk telefoontoestel.

Vordering tenuitvoerlegging 13-221645-23

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering toe te wijzen, maar om te zetten in een taakstraf voor de duur van 60 uren.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof oordeelt als volgt.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van hierna te melden duur gelasten.

Vordering tenuitvoerlegging 13-001147-23

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 november 2023 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting verzocht de vordering toe te wijzen.

De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht de proeftijd te verlengen.

Het hof oordeelt als volgt.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Reeds gelet op het feit dat bedoelde proeftijd inmiddels is verstreken zal het hof het verzoek van de raadsman om de proeftijd te verlengen niet volgen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen; te weten:

Goednummer 6425414; 185 euro

Goednummer 6425415; 1 stk telefoontoestel.

Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2023 met parketnummer 13-221645-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 november 2023, parketnummer 13-001147-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M. van Tilburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?