Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 april 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer pakketten, althans de inhoud van die pakketten, althans enig goed, dat/die geheel of ten dele aan onbekend gebleven personen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse sleutel, te weten een key tag tot welk gebruik hij, verdachte en/of zijn mededaders niet gerechtigd waren en/of door middel van braak en/of verbreking
- een wooncomplex is binnengelopen en/of de toegangsdeur heeft geopend door middel van een key tag tot welk gebruik hij en/of zijn mededaders niet gerechtigd waren, en/of
- vervolgens aan een of meerdere deuren heeft getrokken en/of tegen die deuren heeft getrapt, en/of
- vervolgens de postkamer is binnengelopen en een of meer pakketjes heeft geopend, en/of
- vervolgens aan een of meerdere gesloten lockers/lockerdeuren heeft getrokken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging komt dan de politierechter.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 28 april 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om pakketten, althans de inhoud van die pakketten, althans enig goed, die geheel of ten dele aan onbekend gebleven personen, toebehoorden, weg te nemen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van verbreking
- een wooncomplex is binnengelopen en
- vervolgens aan deuren heeft getrokken en tegen die deuren heeft getrapt en
- vervolgens de postkamer is binnengelopen en pakketjes heeft geopend, en
- vervolgens aan gesloten lockers/lockerdeuren heeft getrokken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht in geval van een bewezenverklaring de op te leggen staf te matigen, onder meer gelet op het feit dat de verdachte twee dagen lang ten onrechte in een isoleercel heeft gezeten en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een brutale poging tot diefstal in een appartementencomplex. Zij hebben het appartementencomplex binnen weten te dringen en hebben in de postkamer van het appartementencomplex verschillende postpakketten gepakt en geopend. Ook hebben zij geprobeerd lockers te forceren. Door aldus te handelen hebben zij een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de gedupeerden. Dergelijk optreden veroorzaakt niet alleen schade en overlast maar ook gevoelens van angst bij de bewoners van het appartementencomplex. Juist in een appartementencomplex dienen de bewoners zich veilig te voelen en gevrijwaard te zijn van indringers.
In het nadeel van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 januari 2026 eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten en dat hij ten tijde van het strafbare feit in een proeftijd liep.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur, zoals door de politierechter is opgelegd en zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden. In hetgeen de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding de straf te matigen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging 13-221645-23
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr en een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Betreffende vordering is heden bij arrest van het hof in de zaak met parketnummer 23-000538-24 toegewezen. Gelet hierop acht het hof termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging in deze zaak af te wijzen.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 29 april 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 september 2023, parketnummer 13-221645-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]