Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 23 november 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelh(e)i(den) van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten onder meer:
- 100 blokken, in elk geval een of meer blok(ken) met een totaal (bruto) gewicht van ongeveer 119,79 kilogram cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte tezamen met een of meerdere anderen opzettelijk ruim 119 kilo cocaïne heeft vervoerd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof ter terechtzitting verzocht de verdachte vrij te spreken van het opzettelijk overtreden van de Opiumwet en zich gerefereerd ten aanzien van de culpoze variant.
Oordeel van het hof
Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting staan de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 23 november 2023 wordt de verdachte door de politie op straat gezien met twee telefoons in zijn hand. Hij is met deze telefoons in de weer en kijkt opvallend veel om zich heen. Enige ogenblikken later stopt er een wit bestelbusje bij de verdachte. De bestuurder van het busje stapt uit en na een kort contact met de verdachte loopt hij weg en stapt de verdachte in het busje en rijdt weg. De verdachte is op dat moment de bestuurder en de enig inzittende van het busje. Even verderop krijgt hij een stopteken van de politie. Terwijl de verbalisanten achter het busje rijden, zien zij achterin het busje een aantal dozen staan. Nadat verdachte aan de kant is gezet wordt hem gevraagd naar de dozen achterin het busje. De verdachte geeft aan dat het verhuisdozen betreffen, die hij van iemand anders moest wegbrengen. Gevraagd naar de bestemming is hij onduidelijk. Hem werd gevraagd naar het adres, waarop de verdachte antwoordde: “Eh ja, nee ehm, gewoon daar bij zo’n pand.” De verdachte wordt gevraagd of de dozen - in verband met vuurwerkcontrole - mogen worden doorzocht. Met toestemming van de verdachte heeft de politie één van de in totaal vijf dozen opengemaakt. In die doos worden pakketten aangetroffen met daarin in keukenfolie verpakte blokken. De politie herkent dit ambtshalve als verdovende middelen. Terwijl de politie de lading bekijkt, gedraagt de verdachte zich onrustig. Als een van de politiebeambten kort even wegkijkt, rent de verdachte weg waarna een achtervolging wordt ingezet. Tijdens het vluchten gooit de verdachte een voorwerp, naar later blijkt een telefoon, in het water. De verdachte wordt vervolgens door de politie aangehouden. Terwijl de verdachte wordt afgevoerd naar een politieauto, hoort de politie hem roepen naar een onbekend gebleven man die naderbij komt en die vraagt of hij iets voor hem moest doen: “Zeg [verdachte] is gone, zeg het tegen iemand.”.
Na onderzoek is gebleken dat in de dozen in totaal honderd blokken zaten met een brutogewicht van 119,79 kilo en met een geschat nettogewicht van 100 kilo. Op ieder blok was een logo aangebracht; in totaal vijf verschillende logo’s. Van ieder logo uit de genummerde dozen 1, 2, 3, 4 en 5 zijn monsters van de blokken genomen en indicatief getest. Het resultaat van al deze indicatieve testen was: cocaïne. Ten behoeve van het definitieve drugsonderzoek is een deel hiervan, namelijk twaalf monsters van blokken (van ieder logo) uit de dozen 3, 4 en 5 veiliggesteld. Uit het definitieve laboratoriumrapport van de forensische opsporing volgt dat al deze twaalf monsters cocaïne bevatten. Met de rechtbank acht het hof hiermee voldoende aangetoond dat alle blokken in de vijf dozen cocaïne betreffen.
Voor een veroordeling voor het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen is vereist dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen en dat deze zich binnen zijn machtssfeer bevonden. Dit laatste staat niet ter discussie. Volgens de verdediging ontbreekt echter het opzet tot het vervoer van verdovende middelen, omdat de verdachte niet wist dat er cocaïne zat in de dozen die hij vervoerde.
Het hof gaat niet mee in de verklaring van de verdachte dat hij dit niet wist gelet op het navolgende.
De verdachte neemt op straat het busje over van de oorspronkelijke bestuurder en verklaart wisselend over de lading. Hij zegt eerst dat het verhuisdozen zijn, en pas nadat de politie over vuurwerk sprak, verklaart hij dat hij dacht vuurwerk te vervoeren. Hij is onduidelijk over het adres waar hij naartoe moet rijden. Hij rent weg op het moment dat de politie één van de dozen opent, gooit tijdens zijn vlucht één van zijn telefoons in het water en roept op het moment dat hij door de politie wordt aangehouden naar een nabij gekomen persoon, die vraagt of hij iets voor hem moet doen: “ [verdachte] is gone, zeg het tegen iemand.” Deze gedragingen liggen niet voor de hand als het (slechts) om vuurwerk ging. Vooral het weggooien van de telefoon en de opmerking “ [verdachte] is gone, zeg het tegen iemand” springen daarbij in het oog. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte deze opmerking gemaakt heeft; er is geen reden om te twijfelen aan het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de verbalisant die dit uit de mond van de verdachte optekende.
Dat de verdachte niet wist dat hij ruim honderd kilogram cocaïne vervoerde, is ook onwaarschijnlijk gelet op de straatwaarde die een dergelijke partij vertegenwoordigt. Het is moeilijk voor te stellen dat een organisatie die een partij harddrugs bezit met een straatwaarde van enkele miljoenen euro’s, deze laat vervoeren door iemand die daarmee in het geheel onbekend is, en dus het risico neemt dat de verdovende middelen onbeheerd door deze persoon worden achtergelaten, of door deze persoon zelf worden verkocht of naar de politie gebracht.
De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat er cocaïne in de dozen zat wordt dan ook als ongeloofwaardig ter zijde geschoven.Gelet op het feit dat de verdachte zich alleen met de kilo’s cocaïne in het busje bevond, de aard en de straatwaarde van die hoeveelheid cocaïne, de hiervoor genoemde gedragingen en uitlatingen van de verdachte en het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte heeft geweten dat er cocaïne in het busje zat. Daarmee acht het hof bewezen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de dozen in het busje. De verdachte bestuurde het busje terwijl deze drugs daarin aanwezig waren, zodat de verdachte ook de feitelijke beschikkingsmacht had over de drugs.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 november 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk heeft vervoerd,
- 100 blokken, met een totaal (bruto) gewicht van ongeveer 119,79 kilogram, cocaïne.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde niet opzettelijk aanwezig hebben van 100 blokken cocaïne met een totaal brutogewicht van ongeveer 119 kilo, veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, waarvan 120 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk vervoeren van voornoemde hoeveelheid cocaïne zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft ter terechtzitting het hof verzocht, indien het hof komt tot een bewezenverklaring van het opzettelijk vervoeren, een aanmerkelijk lagere straf op te leggen onder verwijzing naar verschillende uitspraken in andere strafzaken en gelet op het feit dat de verdachte een first offender is. Ten aanzien van strafoplegging voor het niet-opzettelijk overtreden van de Opiumwet heeft de raadsman zich gerefereerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte zich samen met een ander/anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ongeveer 119 kilogram cocaïne. Deze hoeveelheid vertegenwoordigde een zeer hoge straatwaarde. Cocaïne brengt schade toe aan de gezondheid van gebruikers en heeft een sterk verslavende werking. Gebruikers plegen regelmatig strafbare feiten om hun gebruik te kunnen bekostigen, met alle gevolgen voor de slachtoffers en de samenleving van dien. De aangetroffen hoeveelheid cocaïne kan gelet op de omvang ervan enkel bestemd zijn geweest voor de handel daarin. De verdachte heeft door het vervoer van de cocaïne als een onmisbare schakel binnen het systeem van deze grootschalige drugshandel gefungeerd, die in zijn algemeenheid vaak gepaard gaat met andere vormen van ernstige en ondermijnende criminaliteit. De verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van dit systeem. Het hof rekent dit de verdacht zwaar aan.
De oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen als uitgangspunt bij overtreding van het bepaalde in artikel 2 onder B van de Opiumwet bij de hoogste trede, te weten meer dan 20 kilogram, meer dan 50 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk. In dit geval is sprake van het bijna zesvoudige aantal kilo’s; te weten ongeveer 119 kilogram.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor beschreven, niet met een andere of lichtere straf worden volstaan dan een straf die onvoorwaardelijke en langdurige vrijheidsbeneming met zich brengt. Voor de hoogte van de straf heeft het hof gekeken naar de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Voorts heeft het hof het tijdsverloop betrokken en een op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 februari 2026 waaruit volgt dat de verdachte niet eerder voor Opiumwetdelicten in contact met politie of justitie is geweest.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
5 stk verdovende middelen (goednummer 6427169).
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
550,00 euro (goednummer 6053060).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. stk pas (goednummer 6428109) 1 stk fles (goednummer 6428110) 1 stk fles (goednummer 6428111) 1 stk fles (goednummer 6428112).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]