Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 02 februari 2017 te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal, opzettelijk [benadeelde partij ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door (nadat die [benadeelde partij ] met openlaten van het portier en met één been buiten de door verdachte bestuurde (personen)auto op de passagiersstoel van die door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto had plaatsgenomen) - (plotseling) met die door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto is opgetrokken en/of weggereden en/of met (een behoorlijke) snelheid is blijven rijden en/of - niet te voldaan aan één of meerdere verzoek(en) van die [benadeelde partij ] om hem, die [benadeelde partij ] , terug te brengen naar diens fiets en/of - die [benadeelde partij ] mede te delen dat hij, verdachte, een pistool had en hem, die [benadeelde partij ] , lek zou schieten en/of in elkaar zou slaan, althans (een) mededeling(en) van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 02 februari 2017 te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal, opzettelijk [slachtoffer ] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door (op het moment dat die [slachtoffer ] uit de door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto wilde stappen en (daartoe) het portier aan de passagierszijde van die door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto geopend had) - die [slachtoffer ] mede te delen dat hij, verdachte, een pistool had en dat hij, die [slachtoffer ] , het portier (weer) dicht moest doen en in de auto moest gaan zitten, althans (een) mededeling(en) van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of; - voor die [slachtoffer ] langs te reiken en/of het portier aan de passagierszijde van de door hem, verdachte, bestuurde (personen)auto (weer) dicht te trekken;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Vordering van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.
Vrijspraak
Uit het dossier blijkt het volgende. [slachtoffer ] en [benadeelde partij ] hebben op 3 februari 2017 aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Aangever [slachtoffer ] heeft verklaard dat hij op 2 februari 2017 om 21:48 uur te Aerdenhout – terwijl hij bij de bushalte op de bus aan het wachten was – werd aangesproken door een man in een auto, die aanbood hem met zijn auto naar de plaats van bestemming te brengen. Toen bleek dat de man de verkeerde kant opreed, wilde [slachtoffer ] uitstappen. De man bedreigde hem en zei dat hij een pistool had. Ook liet hij [slachtoffer ] een pornofilmpje zien en deed hij hem seksuele voorstellen. [slachtoffer ] heeft uiteindelijk kunnen ontsnappen door het portier te openen en weg te rennen.
Aangever [benadeelde partij ] heeft verklaard dat hij op diezelfde dag en plaats rond 22:15 uur op zijn fiets reed. Hij dacht dat de bestuurder van een auto de weg wilde vragen. Hij is toen aan de passagierskant van de auto ingestapt met één been buiten de auto en het portier nog open, omdat hij het niet helemaal vertrouwde. De man reed plotseling weg waardoor het portier dichtviel. Aangever heeft meerdere malen gevraagd hem terug te brengen naar zijn fiets maar dat deed de man niet. De man deed seksuele voorstellen en bedreigde hem. De man vertelde aangever een pistool te hebben en hem lek te kunnen schieten. Ook zei hij dat hij aangever in elkaar kon slaan. Aangever is uit angst bij een bocht uit de rijdende auto gesprongen en heeft hierdoor onder andere een gebroken pols opgelopen.
De politie is na onderzoek aan de hand van een door een getuige genoemd kenteken uitgekomen bij de verdachte. Het kenteken van de verdachte kwam gedeeltelijk overeen met het door de getuige genoemde kenteken, in die zin dat het kenteken van de verdachte dezelfde letters – zij het in een andere volgorde – bevatte.
Bij een (meervoudige) fotobewijsconfrontatie op 18 april 2017 herkenden beide aangevers de verdachte als de persoon die hen in de auto heeft gelokt, seksuele voorstellen heeft gedaan en heeft bedreigd. Deze herkenningen vormen het kernbewijs in deze zaak.
De raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat de fotobewijsconfrontaties met de getuigen in strijd met artikel 8 lid 2 van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (Besluit) (Stb. 2002, 46) hebben plaatsgevonden. In die bepaling staat dat het feitelijk tonen van de te observeren fotoselectie geschiedt door een opsporingsambtenaar die niet weet wie van de getoonde personen de verdachte is. Uit het dossier is echter gebleken dat deze opsporingsambtenaar de verdachte kende voordat hij de foto’s toonde. Hij heeft de verdachte op 15 februari 2017 namelijk gehoord als verdachte over de verdenking. In dit verband is ook de in artikel 152 Sv neergelegde verbaliseringsplicht geschonden, aldus de raadsman, omdat de bewuste opsporingsambtenaar in de processen-verbaal van de confrontaties – in strijd met de waarheid - heeft opgenomen dat in de selecties geen foto’s waren opgenomen van personen die hij kende. De verdediging is van mening dat daarmee sprake is van twee vormverzuimen ex artikel 359a Sv. De verdachte is in zijn belangen geschaad, terwijl het verzuim ernstig is, omdat het heeft kunnen leiden tot bewuste of onbewuste beïnvloeding van de aangevers. Er is sprake van een verdedigingsnadeel omdat de vormverzuimen rechtstreeks de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal raken en het voor de verdediging onmogelijk is dit nader te toetsen, omdat de opsporingsambtenaar bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard geen herinneringen meer te hebben aan deze confrontaties. De consequentie daarvan moet zijn dat de herkenningen niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. Subsidiair dient bewijsuitsluiting te volgen omdat de verdachte bij gebruik van de herkenningen geen eerlijk proces meer heeft.
Het hof overweegt als volgt.
Voor zover namens verdachte een beroep is gedaan op een schending van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek stelt het hof, onder verwijzing naar HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:BO4056, vast dat dit Besluit betrekking heeft op confrontaties in persoon. Niet uit het Besluit en ook niet uit de toelichting daarop volgt dat de bepalingen ook van toepassing zijn op enkelvoudige of meervoudige fotobewijsconfrontaties met getuigen waarbij in het geheel geen medewerking is vereist van de verdachte. Een fotobewijsconfrontatie is geen dwangmaatregel waaraan de verdachte wordt onderworpen, zodat daarvoor geen aparte wettelijke grondslag bestaat. In zoverre wordt het verweer dus verworpen.
Het hof ziet zich evenwel voor de vraag gesteld wat de consequentie zou moeten zijn van het optreden van de hierboven bedoelde opsporingsambtenaar als getuigenbegeleider, in het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid en daarmee de bruikbaarheid van de processen-verbaal van de meervoudige fotobewijsconfrontatie.
In dit kader stelt het hof – mede onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal Knigge, met nummer ECLI:NL:PHR:2016:353 - het volgende voorop. Uit de Nota van toelichting bij het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek – welk Besluit hier niet van toepassing is zoals hiervoor uiteengezet is – blijkt dat in het Besluit een aantal basisnormen zijn neergelegd. Deze basisnormen beogen onmiskenbaar de betrouwbaarheid van de bewijsgaring te waarborgen. Het hof ziet aanleiding om de daarin neergelegde basisnormen analoog toe te passen op fotobewijsconfrontaties, voor zover het bij die toepassing alleen gaat om een toetsing van de betrouwbaarheid van het resultaat. Op dit punt valt namelijk niet goed in te zien waarom onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen een confrontatie waarvan de verdachte in persoon onderdeel is en een fotobewijsconfrontatie.
Ditzelfde geldt voor toepassing van de Handleiding confrontatie – waarnaar in een voetnoot bij de toelichting op het Besluit wordt verwezen - en de in de bijlagen van die Handleiding opgenomen Richtlijnen meervoudige fotobewijsconfrontatie. Alhoewel zij geen recht vormen in de zin van artikel 79 RO, meent het hof dat de Handleiding en de Richtlijnen – net als het Besluit - als referentiekader kunnen dienen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen die door middel van een fotobewijsconfrontatie tot stand zijn gekomen.
Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal heeft het hof vervolgens gekeken naar de gang van zaken tijdens de confrontaties, zoals die blijkt uit de processen-verbaal behorende bij de herkenningen. Deze heeft het hof vervolgens afgezet tegen de basisnormen van het Besluit en hetgeen daarover is opgenomen is in de Handleiding en de Richtlijnen meervoudige fotobewijsconfrontaties, welke als bijlage 14 is opgenomen bij de Handleiding. Hierin staat onder andere dat uit oogpunt van objectiviteit iedere getuige wordt begeleid en verhoord door een getuigenbegeleider die het confrontatiesubject, de verdachte, en de figuranten niet kent en die niet betrokken is geweest bij eerdere confrontaties in dezelfde zaak. Zoals de verdediging met juistheid heeft gesteld, was de getuigenbegeleider bekend met de verdachte voorafgaand aan de confrontaties. Daarnaast is het hof gebleken dat dezelfde getuigenbegeleider betrokken is geweest bij beide confrontaties, die achtereenvolgend hebben plaatsgevonden. Tevens stelt het hof in verband hiermee vast dat in afwijking van de Richtlijn aan de tweede getuige, aangever [benadeelde partij ] , kennelijk niet is gevraagd of er contact is geweest met de eerste getuige, aangever [slachtoffer ] , die op diezelfde dag, twee uur eerder aan de confrontatie heeft meegewerkt en zo ja, welke gegevens er zijn uitgewisseld. Die vragen en antwoorden moeten volgens de richtlijn worden vermeld in het proces-verbaal van de confrontatie en ontbreken daarin.
Het hof komt hiermee tot de conclusie dat de Richtlijn op meerdere punten niet is nageleefd. De confrontaties voldeden niet aan alle daaraan te stellen eisen van zorgvuldigheid. De geconstateerde gebreken brengen mee dat het hof de herkenningen onvoldoende betrouwbaar acht en niet zal gebruiken voor het bewijs.
De herkenningen vormen het dragende bewijs tegen de verdachte. De zendmastgegevens en daarop gebaseerde tijdlijn, die door de rechtbank ook voor het bewijs tegen de verdachte zijn gebruikt, kunnen worden gezien als ondersteunend bewijs aan de herkenningen, maar zijn zonder die herkenningen onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Hetzelfde geldt voor de (overigens niet door de rechtbank als bewijsmiddel gebezigde) gelijkenis in het kenteken dat door de politie in de opsporingsfase tegen de verdachte is gebruikt. Dit betekent al met al dat overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde ontbreekt, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij ]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.809,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in het hoger beroep opnieuw gevoegd.
Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat verdachte van het ten laste gelegde integraal zal worden vrijgesproken.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij ]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij ] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
Personenauto [kenteken] VOLKSWAGEN golf KI: zwart.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. C.J. van der Wilt en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van
mr. R. Ras, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 februari 2026.
mr. A.W.T. Klappe en mr. D. Greven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]