Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
3 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank van feit 2 vrijgesproken. Zijn hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld, en dat kan niet volgens de wet (artikel 404 Sv). Het hof zal het beroep tegen die vrijspraak daarom niet behandelen (op dat punt is verdachtes hoger beroep niet-ontvankelijk).
Ook het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het gehele vonnis van de rechtbank. De appelschriftuur van de officier van justitie is echter niet gericht tegen de vrijspraak van de verdachte voor feit 2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal dat bevestigd. Daarom zal het hof ook de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep tegen de vrijspraak voor feit 2.
Geldigheid van de dagvaarding (tenlastelegging)
Uit het dossier kan worden afgeleid dat in deze zaak in eerste aanleg op 21 mei 2019,
19 november 2019 en 19 november 2020 zittingen hebben plaatsgevonden. Ter terechtzitting van
21 mei 2019 is de tenlastelegging gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging - de oorspronkelijke tekst met daarin de wijzigingen zoals gevorderd door de officier van justitie en toegelaten door de rechtbank - is gevoegd achter het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 mei 2019.
In de tenlastelegging zoals opgenomen in het vonnis zijn deze wijzigingen doorgevoerd, maar daarin zijn twee delen tekst opgenomen, die noch in de oorspronkelijke tenlastelegging, noch in de op 21 mei 2019 toegelaten wijziging staan. Het gaat daarbij bij feit 1 primair om de tekst ‘…daarbij verzwegen dat [bedrijf 1] een grote zeepbel was…althans voor het doel waarvoor afgegeven’ en bij feit 1 subsidiair om de tekst ‘…telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking…tegen geldelijke vergoeding’. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat na de wijziging van de tenlastelegging op 21 mei 2019 een nieuwe vordering wijziging tenlastelegging is gedaan en toegelaten.
Het hof zal daarom alleen acht slaan op de tenlastelegging zoals gewijzigd op 21 mei 2019, die zich achter het proces-verbaal van die terechtzitting bevindt en waarin deze twee tekstdelen niet zijn opgenomen.
Voor zover de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep de nietigheid van de dagvaarding heeft bepleit met betrekking tot de tenlastegelegde zinsdelen ‘zeepbel’ en ‘althans voor het doel waarvoor het was afgegeven’ behoeft zijn standpunt, gelet op het voorgaande, geen bespreking.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. primairHij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1maart 2009 tot en met 1december 2014 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland en/of Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,
door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
één of meer personen, één of meermalen heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedragen, in totaal (ongeveer) 749.565,14 EURO (AMB-021 (a) en AMB-031 en DOC-106 en DOC-106 a en b), althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten van
[persoon 1] (G-001-01) 375,- EURD (DOC-115), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of
[persoon 2] (G-002-01) 675,- EURO (DOC-118), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of
[persoon 3] (G-008) 1.725,- EURO (DOC-134), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of
[persoon 4] (G-010-01) 5.775,- EURO (DOC-137), althans enig(e) geldbedrag(en),
immers heeft/hebben hij en/of een (of meer) mededader(s) (telkens), met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen)
via (onder andere) de website van [bedrijf 1] en/of de website van [bedrijf 2] ) en/of de/een nieuwsbrie(f)(ven) van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of tussenperso(o)n(en) en/of op een andere wijze, benaderd en/of geïnteresseerd inde deelname aan (het project) [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en daarbij voorgewend dat
er, na betaling van (een bijdrage van) 75,- EURO per polis, voor deelnemers/participanten in [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of leden van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , één of meer polissen zouden worden gereserveerd en/of aangekocht (die 32.500,- EURO per polis zouden opleveren), en/of
de opbrengst per polis 32.500,- EURO zou zijn, en/of
de opdrachtgever(s)/partner(s) van [bedrijf 1] en/ [bedrijf 2] een (internationale) bank en/of verzekeringsmaatschappij zou(den) zijn, en/of
het project [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] (vanaf 5 polissen) geen risico zou kennen, en/of deelnemers/participanten in [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of leden van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] (bij 5 of meer polissen) (de garantie kregen dat zij) het betaalde geld terugkregen wanneer het concept niet zou slagen en/of het programma niet zou worden uitgevoerd, en/of
de tekst, gepubliceerd op de website van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , juist is, en/of
de inhoud van de nieuwsbrie(f)(ven) van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , gepubliceerd op de website en/of verzonden via e-mail, juist is,
waardoor bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans enig(e) geldbedrag(en);
1. subsidiairHij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1maart 2009 tot en met 1december 2014 te Bovenkarspel en/of Andijk en/of elders in Nederland en/of Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk, (een) geldbedrag(en), althans een geldbedrag van (ongeveer) 749.565,14 EURO (AMB-021 (a) en AMB-031 en DOC-106 en DOC-106 a en b), althans enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan een of meer belegger(s) en/of investeerder(s) en/of deelnemers/participanten in [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of leden van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als houder van (een) ingelegd(e) en/of betaald(e) geldbedrag(en) en/of intermediair en/of administrateur onder zich had(den), zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Standpunt van partijen
De advocaat-generaal heeft de bewezenverklaring gevorderd van hetgeen onder 1 primair is tenlastegelegd.
Namens de verdachte heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de deelnemers door enige oplichtingshandeling van de verdachte zijn bewogen tot de afgifte van geldbedragen. Dat de deelnemers aan het project na het betalen van administratiekosten van € 75,00, een bedrag van € 32.500,00 zouden verdienen, is een zo duidelijk onjuiste voorstelling van zaken dat de vereiste omzichtigheid die deelnemers aanleiding had moeten geven zich daardoor niet te laten bedriegen. Verder heeft de raadsman gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad de deelnemers op te lichten; hij heeft immers steeds gezocht naar werkende programma’s of investeringen waarmee geld kon worden verdiend voor de deelnemers. De raadsman heeft ten slotte verzocht de belastende verklaring van verdachtes broer [de medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) niet als bewijs te gebruiken, omdat zijn verklaringen in strijd zijn met een uitlating die de medeverdachte heeft gedaan in een e-mailbericht aan de verdachte.
Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van verduistering, omdat de door de deelnemers als administratiekosten betaalde bedragen na die betaling niet langer aan hen toebehoorden.
Tot slot heeft de raadsman bepleit dat bij een bewezenverklaring de periode moet worden ingekort omdat de verdachte de medeverdachte vanaf 1 maart 2012 heeft laten weten ‘niet meer mee te doen.’
Bewijsoverwegingen
Oplichting
De tenlastelegging is toegesneden op het bepaalde in artikel 326 eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor een veroordeling wegens oplichting is vereist is dat:
-gebruik is gemaakt van één of meer in de wet genoemde oplichtingsmiddelen waarbij de verdachte, door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, om daarvan misbruik te kunnen maken; en
- iemand door zo’n oplichtingsmiddel wordt bewogen tot een handeling zoals de afgifte van geld, waarvan sprake is als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer tot die handeling is overgegaan mede onder invloed van de door het oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een door de verdachte aangewend oplichtingsmiddel is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij het oplichtingsmiddel ‘samenweefsel van verdichtsels’ behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (deels) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
Oplichting is niet aan de orde wanneer de benadeelde gelet op alle omstandigheden, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken, de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voostelling van zaken, had moeten doorzien.
Redengevende feiten en omstandigheden
Aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, stelt het hof (grotendeels gelijk aan de rechtbank) de volgende feiten en omstandigheden vast.
In 2009 zijn de verdachte en de medeverdachte begonnen met het project [bedrijf 1] dat later [bedrijf 2] is gaan heten. Onder die namen zijn via een website ‘polissen’ aangeboden, die na minimaal
15 maanden een geldbedrag van € 32.500,00 per polis zouden opleveren. Op de website werd melding gemaakt van een reeds tot stand gekomen samenwerking tussen [bedrijf 1] / [bedrijf 2] en een (internationale) verzekeringsmaatschappij en/of bank, waarvan de identiteit vanwege vertrouwelijkheid niet bekend kon worden gemaakt. Onder meer die samenwerking zou er toe leiden dat na minimaal 15 maanden, of (als dit eerder was) bij het bereiken van de stand van 21.000 gereserveerde polissen, de deelnemers per polis (zeker) € 32.500 uitgekeerd kregen. Met die bank of verzekeraar als partner zou geen sprake zijn van enig risico. Daarnaast werd aan deelnemers die 5 of meer polissen reserveerden, de garantie gegeven dat zij het overgemaakte bedrag volledig terug zouden krijgen indien het project om welke reden dan ook niet zou slagen, of niet zou worden uitgevoerd. Op de website van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] was voor potentiële deelnemers informatie te vinden over het project, maar het werven van nieuwe deelnemers ging vooral via mond-op-mondreclame. De verdachte heeft verklaard te zijn gestart in beperkte kring en dat hij aan potentiële deelnemers in een presentatie heeft toegelicht waarom deze personen zouden moeten deelnemen aan het project. Deze presentatie is ook te vinden op de website van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] . In de periode daarna heeft het verhaal zich van mond tot mond als een lopend vuurtje verspreid, aldus de medeverdachte. Hieraan heeft kennelijk bijgedragen dat aan reeds ingestapte deelnemers een geldelijke bonus in het vooruitzicht werd gesteld voor het aanbrengen van nieuwe deelnemers. Door middel van nieuwsbrieven, opgesteld door de verdachte en medeverdachte, werden de deelnemers op de hoogte gehouden over de voortgang van het project.
In totaal is op de Nederlandse en Duitse bankrekeningen van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] , die de verdachte beheerde, een geldbedrag van € 745.215,14 van de deelnemers ontvangen.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de financiën van het project.
De deelnemers hebben bedragen overgemaakt naar bankrekeningen die de verdachte onder zijn beheer had. Het ingelegde geld ging naar de ontwikkeling van de website en naar andere onkosten zoals de huur van een kantoorpand en een auto. De verdachte keerde zichzelf een (verplicht) DGA salaris uit en gaf ook geld aan de medeverdachte. Hij heeft (een deel van) het ingelegde geld gebruikt voor privé uitgaven. Hij heeft verklaard dat hij geen specifieke kennis had van financiële zaken en dat hij van het project/programma [bedrijf 1] / [bedrijf 2] niets meer wist dan wat hem is uitgelegd; hij heeft aangenomen dat het was gebaseerd op de werkelijkheid. Ter terechtzitting in hoger beroep gevraagd naar de precieze werking van het programma, heeft de verdachte verklaard over ‘kunstmatig gebruik van buitenlandse verzekeringspolissen door banken of verzekeringsmaatschappijen, die zodoende zonder risico meerwaarde kunnen genereren’. De verdachte heeft verklaard dat hij geld wilde verdienen. Toen dit programma niet bleek te renderen, is hij op zoek gegaan naar ‘andere, vergelijkbare, werkende programma’s’. Van een samenwerkingsverband met een bank of een verzekeringsmaatschappij als partner, is nooit sprake geweest. Gevraagd naar het rendement zoals voorgespiegeld op de website, heeft de verdachte verklaard dat er op het moment van deelname geen enkele vorm van zekerheid bestond dat het beloofde geld daadwerkelijk zou worden uitgekeerd.
De verklaring van de medeverdachte
De medeverdachte heeft vanaf zijn tweede verhoor bij de FIOD aangegeven dat hij de waarheid zal vertellen en heeft verklaard - kort gezegd - dat hijzelf en de verdachte samen betrokken zijn geweest bij [bedrijf 1] / [bedrijf 2] . Hij en de verdachte hadden geld nodig om in vastgoed te investeren en met die bedoeling zijn polissen aangeboden in het kader van het project [bedrijf 1] / [bedrijf 2] , waarbij een voorstelling van zaken is gegeven die nooit haalbaar was. De verdachten hadden nooit de intentie als partner een bank of verzekeraar te benaderen en zij wisten van aanvang af dat de deelnemers aan het project nooit het voorgespiegelde rendement zouden krijgen. In hoger beroep, gehoord als getuige bij de raadsheer-commissaris op 30 oktober 2024, is de medeverdachte bij deze verklaring gebleven.
Daarmee heeft hij een consistente en met andere onderzoeksbevindingen corresponderende lezing gegeven van hetgeen door hem en de verdachte is ondernomen in het kader van het project [bedrijf 1] / [bedrijf 2] . De enkele omstandigheid dat de medeverdachte in zijn aanvankelijke verklaring zijn verantwoordelijkheid grotendeels heeft willen ontlopen en dat blijkens zijn e-mailbericht in 2012 aan de verdachte zijn eigen rol groter was dan hij bij de FIOD (en bij de raadsheer-commissaris) heeft doen voorkomen, maakt het voorgaande niet anders. Het hof is dan ook van oordeel dat de verklaring van de medeverdachte betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt.
Samenweefsel van verdichtsels
Uit het dossier blijkt dat de deelnemers een onjuiste voorstelling van zaken is voorgespiegeld.
Zo is – anders dan de deelnemers aan het project [bedrijf 1] / [bedrijf 2] onder meer via de website werd voorgehouden – nooit sprake geweest van een samenwerking tussen [bedrijf 1] / [bedrijf 2] en een (internationale) verzekeringsmaatschappij en/of bank die tot de voorgehouden (gegarandeerde) uitkering aan de deelnemers had kunnen leiden. Tot op heden heeft dan ook geen van de in de tenlastelegging genoemde deelnemers een uitkering zoals voorgehouden ontvangen. Ook de garantie dat bij betaling voor 5 of meer polissen de deelnemers het overgemaakte geldbedrag terug zouden krijgen indien het project niet zou slagen, bleek onjuist. Uit de verklaringen van de in de tenlastelegging genoemde personen volgt dat zij door de onjuiste voorstelling van zaken zijn bewogen tot afgifte van geldbedragen voor deelname aan [bedrijf 1] / [bedrijf 2] . Het hof acht dan ook bewezen dat sprake was van een samenweefsel van verdichtsels waardoor bij de deelnemers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen.
In het bijzonder heeft het hof daarbij in aanmerking genomen, dat potentiële deelnemers werd voorgehouden dat zij geen enkel risico zouden lopen bij aankoop vanaf 5 polissen. Uit het dossier blijkt dat vrijwel alle deelnemers (op verschillende data) voor 5 of meer polissen hebben betaald. Gezien de verklaringen van de personen die zijn genoemd in de tenlastelegging, was de garantie dat de inleg hoe dan ook zou worden terugbetaald als het project niet zou slagen, een belangrijke reden om eventuele aarzeling weg te nemen en in te stappen. Het hof benoemt verder de omstandigheid dat bij het werven van nieuwe deelnemers, na het eerste begin in beperkte kring, vooral gebruik is gemaakt van mond-op- mondreclame, die door de (mede)verdachten aangemoedigd werd door bonussen in het vooruitzicht te stellen. Het project werd de beoogde deelnemers daardoor niet voorgehouden door volstrekte onbekenden, die wellicht met minder vertrouwen zouden zijn aangehoord, maar door personen uit de (naaste) omgeving. Hierdoor heeft een grote hoeveelheid slachtoffers zich laten overhalen.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel is bewogen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hof volgt de raadsman niet in zijn stelling dat het onmogelijk was het voorgestelde rendement te behalen en dat het middel daarom niet geëigend was een ander te bedriegen. Daarbij is van belang dat de door de verdachte en de medeverdachte gepresenteerde financiële constructie, zo blijkt ook uit de eigen verklaring van de verdachte in hoger beroep, niet gemakkelijk te doorgronden was. Verder achtten de deelnemers hun risico beperkt, door het relatief lage inlegbedrag. Mogelijk gingen zij ervan uit dat zij niet het hele voorgespiegelde rendement zouden krijgen, maar zij meenden ten aanzien van hun inleg geen risico te lopen omdat zij deze (bij deelname aan 5 of meer polissen) terug zouden krijgen. Deze omstandigheden, in samenhang met de wijze van werving van nieuwe deelnemers, maken dat het hof van oordeel is dat de slachtoffers niet kan worden tegengeworpen dat zij de onjuiste voorstelling van zaken niet hebben doorzien. Met betrekking tot de-mond-op-mondreclame merkt het hof nog op, dat niet is vereist dat het oplichtingsmiddel door verdachte rechtstreeks wordt aangewend tegenover het slachtoffer. Ook wanneer sprake is van een (niet strafbare) tussenpersoon, kan oplichting geschieden. In dit verband wijst het hof ook op de door de verdachten toezegde bonus voor het werven van nieuwe deelnemers.
Gelet op de verklaringen van de deelnemers is onvoldoende duidelijk naar voren gekomen dat zij mede tot deelname zijn bewogen tot afgifte van geld door de inhoud van de door de verdachte en de medeverdachte verstuurde nieuwsbrieven. Het hof acht dit daarom niet bewezen.
Het opzet
Voor het vereiste opzet op de oplichting heeft de verdediging aangevoerd dat door de verdachten weliswaar onjuiste mededelingen zijn gedaan, maar dat de verdachte daarbij niet het oogmerk had op wederrechtelijke bevoordeling. Hij heeft steeds de intentie gehad een werkend programma op te zetten.
Het hof volgt dit niet. Uit de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de analyse van de aan verdachte en medeverdachte gelieerde zakelijke- en privé-bankrekeningen blijkt dat het door de deelnemers van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] ingelegde geld voor een groot deel is besteed aan privé uitgaven van de verdachte. Voor zover al investeringen zijn gedaan ten behoeve van de [bedrijf 1] / [bedrijf 2] -deelnemers, zijn deze slechts minimaal geweest. De verdachte heeft daarmee feitelijk anders gehandeld dan de deelnemers, op grond van wat hen was voorgehouden, mochten verwachten. De verdachte heeft immers het geld opgehaald onder het valse voorwendsel dat de inleg zou leiden tot de verkrijging van polissen waarmee de deelnemers vervolgens geld zouden verdienen en dat in ieder geval – bij deelname met 5 polissen of meer – de inleg zou worden terugbetaald. Het gevolg van dit handelen is dat de verdachte zichzelf ten nadele van de deelnemers heeft bevoordeeld; in dat handelen ligt het oogmerk op de wederrechtelijkheid van die bevoordeling besloten. Het bestaan van dit oogmerk bij de verdachte wordt daarnaast bevestigd door zijn eigen verklaring ter terechtzitting en de bekennende verklaringen van de medeverdachte. De omstandigheid dat de verdachte de inleg van de deelnemers ter terechtzitting in hoger beroep steeds heeft benoemd als een ‘participatie in de (administratie)kosten’, maakt het voorgaande niet anders.
Slotsom
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte telkens door een samenweefsel van verdichtsels bij de slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven hebben geroepen waardoor die slachtoffers zijn bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, zoals hierna zal worden bewezenverklaard.
Periode
De omstandigheid dat volgens de raadsman de verdachte de medeverdachte op 1 maart 2012 heeft laten weten ‘niet meer mee te doen’, wat daarvan ook zij, maakt niet dat de periode zoals tenlastegelegd moet worden ingekort tot die datum. Uit het dossier blijkt dat tot 7 juli 2014 deelnemers door de gebruikte oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot de inleg van gelden op de door de verdachte tot die datum beheerde bankrekening(en), zodat de periode zich uitstrekt tot die datum.
Het verweer van de raadsman wordt in alle onderdelen verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primairHij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 7 juli 2014 in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen,
door een samenweefsel van verdichtsels, personen heeft bewogen tot de (girale) afgifte van geldbedragen, te weten
[persoon 1] van € 375,- en
[persoon 2] van € 675,- en
[persoon 3] van € 1.725,- en
[persoon 4] van € 5.775,-,
immers hebben hij en een mededader, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk in strijd met de waarheid bedoelde personen via (onder andere) de website van [bedrijf 1] en/of de website van [bedrijf 2] en/of tussenperso(o)n(en) benaderd voor deelname aan het project [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en daarbij voorgewend dat er, na betaling van een bijdrage van € 75,- per polis, voor deelnemers in [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of leden van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , één of meer polissen zouden worden gereserveerd en/of aangekocht die € 32.500,- per polis zouden opleveren, en
de partner(s) van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] een (internationale) bank en/of verzekeringsmaatschappij zou(den) zijn, en
het project [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] geen risico zou kennen en
deelnemers in [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of leden van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] bij 5 of meer polissen de garantie kregen dat zij het betaalde geld terugkregen wanneer het concept niet zou slagen en/of het programma niet zou worden uitgevoerd, en
de tekst, gepubliceerd op de website van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , juist is,
waardoor bovengenoemde personen werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen.
Hetgeen onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.
De raadsman heeft het hof verzocht, in het kader van de strafoplegging, ermee rekening te houden dat de zaak oud is, dat de verdachte gebukt gaat onder de gevolgen ervan, zoals het beslag op zijn loon en het verlies van zijn baan, en dat de redelijke termijn in ruimte mate is overschreden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte samen met de medeverdachte vier deelnemers heeft opgelicht. Uit het dossier blijkt en ter terechtzitting is aan de orde is geweest dat de verdachte zich veel vaker schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Hij heeft met zijn medeverdachte vele slachtoffers gemaakt en daarmee € 745.215,14 aan ingelegde gelden verkregen. Op een professioneel en betrouwbaar ogende website en door middel van presentaties van de verdachte is de deelnemers voorgehouden dat zij, door de enkele inleg van € 75,00, een zeer hoog rendement zouden behalen en dat zij bij inleg van 5 x €75,00 of meer hun geld hoe dan ook zouden terugkrijgen. De verdachte wist dat er geen enkele vorm van zekerheid bestond dat de deelnemers hun inleg terug zouden krijgen, laat staan dat zij het beloofde rendement zouden ontvangen. Hij heeft met een bedrieglijke voorstelling van zaken op geraffineerde wijze vertrouwen gewekt en heeft daarvan ten eigen bate misbruik gemaakt, door de ingelegde gelden onder meer te gebruiken voor privédoeleinden. De verdachte heeft gehandeld zonder zich rekenschap te geven van de financiële schade die hij anderen heeft bezorgd. Hij heeft bovendien het vertrouwen geschaad dat men doorgaans moet kunnen stellen in de markt van beleggings- of andere financiële producten.
Het hof rekent de verdachte dit aan en is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van de LOVS inzake fraude en op het benadelingsbedrag en is van oordeel dat, mede gelet op het samenwerkingsverband en de duur van de gedraging, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden in dit geval in beginsel gerechtvaardigd is.
Het hof heeft ook acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden. De verdachte is op 25 juli 2014 voor het eerst als verdachte gehoord en het hof merkt die datum aan als de start van de redelijke termijn. Het vonnis is van 3 december 2020. Op 17 december 2020 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op
17 februari 2026. Het voorgaande betekent dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met 4 jaren en vijf maanden en in hoger beroep met drie jaren en 2 maanden. Het hof ziet in deze forse overschrijding aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, uit te gaan van een gevangenisstraf van 10 maanden.
Alles afwegende en in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden en de ouderdom van de feiten zoals bewezenverklaard, acht het hof evenwel, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden en een taakstraf van 240 uren, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. R.D. van Heffen en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
17 februari 2026.