ECLI:NL:GHAMS:2026:543

ECLI:NL:GHAMS:2026:543

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 200.363.087
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank heeft het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat schuldenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald van zijn schulden. In hoger beroep is uit het alsnog overgelegde verslag van de curator met betrekking tot de bevindingen uit het rechtmatigheidsonderzoek gebleken dat de exploitatie van de horecaonderneming – in de vorm van een vof - van schuldenaar en zijn medevennoot vanaf het begin tot aan het faillissement verlieslatend geweest, dat de door de curator gestelde vragen zijn beantwoord en de door schuldenaar en zijn medevennoot afgelegde verklaringen aannemelijk worden geacht. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden van de vof, tezamen een bedrag van € 317.805,56, te goeder trouw is geweest. Dat geldt ook met betrekking tot de overige (privé) schulden die een totaalbedrag van € 1.515,19 behelzen, aangezien die deze schulden zijn ontstaan door een terugval in inkomsten. Volgt vernietiging bestreden vonnis en alsnog toewijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling. Geen aanleiding voor ambtshalve bepaling van eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.363.087/01

rekestnummer rechtbank : C/13/776377 FT-RK 25/931

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 februari 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaats] ,

appellant,

advocaat: mr. S.D.M. op 't Hoog-Piet te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij per e-mail op 29 december 2025 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2025, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 27 januari 2026. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door een tolk in de Italiaanse taal en mr. Op 't Hoog-Piet voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht.

Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift en het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg. [appellant] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

Mr. Op ’t Hoog-Piet heeft - nadat zij het beroepschrift had toegelicht en vragen van het hof had beantwoord - verzocht de behandeling van de zaak aan te houden opdat zij in de gelegenheid wordt gesteld een verklaring te overleggen van de curator in het faillissement van [appellant] en [bedrijf] , [naam 1] (hierna: curator), met betrekking tot het door de curator verrichte rechtmatigheidsonderzoek. Tevens zal dan overgelegd worden een berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) ten behoeve van de verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f Faillissementswet (Fw) dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij [appellant] het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, en een verklaring waaruit blijkt dat de kinderopvangtoeslag is stopgezet, aldus mr. Op ’t Hoog-Piet.

Het hof heeft hierop de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot dinsdag 10 februari 2026 teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen de genoemde stukken over te leggen en bepaald dat in beginsel op 17 februari 2026 arrest zal worden gewezen.

Bij brief van 10 februari 2026 heeft mr. Op ’t Hoog-Piet nadere stukken ingediend, te weten:

- een e-mail van de curator van 9 februari 2026, met bijlage, inhoudende de bevindingen uit het verrichte rechtmatigheidsonderzoek;

- een berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb);

- de voorschotbeschikking Toeslagen 2026 en bankafschriften;

- de loonstroken van [appellant] over de periode september tot en met december 2025.

Ten slotte is arrest bepaald.

2. Beoordeling

[appellant] heeft - onder aanvoering van zes grieven - in het beroepschrift verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe heeft [appellant] - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. [appellant] heeft vanaf 15 juni 2023 samen met [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een vennootschap onder firma gehad, genaamd [appellant] en [bedrijf] (hierna: de [bedrijf] ), waarmee zij als franchisenemer van [bedrijf 2] een restaurant hebben geëxploiteerd in Hilversum. Na de start bleek dat de door de franchisegever voorgespiegelde cijfers niet werden gerealiseerd. Hierdoor liepen zowel de schuld aan de franchisegever als die aan ABN AMRO - als geldverstrekker - op. De [bedrijf] is uiteindelijk opgehouden met het betalen van haar opeisbare schulden en heeft haar activiteiten gestaakt. Vervolgens is de [bedrijf] op 23 september 2025, op eigen aangifte van [appellant] en [naam 2] , in staat van faillissement verklaard. Volgens [appellant] heeft de rechtbank bij het bestreden vonnis ten onrechte zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen (grief 1) en daartoe overwogen dat [appellant] er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest (grief 2). De rechtbank heeft eveneens ten onrechte overwogen dat zij niet vooruit wil lopen op de uitkomst van het rechtmatigheidsonderzoek van de curator in het faillissement van de [bedrijf] (grief 3) en dat hetgeen [appellant] ter zitting heeft gesteld over het ontstaan van de schulden van de [bedrijf] , onvoldoende is om aannemelijk te achten dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schulden te goeder trouw is geweest (grief 4). Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat de hoogte van de schulden van de [bedrijf] , gegeven de overige schulden en het recente tijdstip van ontstaan daarvan, van dien aard zijn dat het verzoek op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw moet worden afgewezen (grief 5). Met grief 6, ten slotte, die van algemene strekking is, wenst [appellant] het verzoek in volle omvang aan het hof voor te leggen waaraan [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft toegevoegd zich, voor zover nodig, te beroepen op de hardheidsclausule van artikel 288, derde lid, Fw.

Het hof zal allereerst moeten beoordelen of [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Fw dient de schuldenaar voorafgaand aan een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling een poging te doen om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien deze poging strandt, is vereist dat een met redenen omklede verklaring wordt overgelegd dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Aan deze bepaling is met ingang van 1 juli 2023 toegevoegd dat als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging hoeft te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.

Blijkens de op 29 september 2025 door mr. Op ’t Hoog-Piet afgegeven verklaring ex artikel 285, eerste lid, Fw is aan de schuldeisers geen aanbod gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen omdat [appellant] niet over voldoende aflossingsmogelijkheden beschikt. Verder vermeldt de verklaring dat [appellant] geen vermogen of bezittingen heeft die te gelde gemaakt kunnen worden. Mede gelet op de overgelegde vtlb-berekening, is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat [appellant] thans over onvoldoende aflossingsmogelijkheden beschikt om te komen tot een buitengerechtelijke schuldregeling. Dat betekent dat [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

Nu [appellant] ontvankelijk is in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, komt het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling van dat verzoek. Daartoe overweegt het hof als volgt. Ingevolge artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw wordt een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

Het hof is van oordeel dat [appellant] daarin is geslaagd. Daartoe is het volgende redengevend. De curator heeft in haar verslag van 9 februari 2026 geconcludeerd dat de administratie van de door [appellant] en zijn medevennoot gedreven onderneming ordentelijk en correct lijkt te zijn alsmede dat uit het rechtmatigheidsonderzoek geen onregelmatigheden naar voren zijn gekomen. Volgens de bevindingen van de curator is de exploitatie van de onderneming vanaf het begin tot aan het faillissement verlieslatend geweest. Voorts heeft de curator in het verslag geschreven dat de door haar gestelde vragen zijn beantwoord en dat de door [appellant] en zijn medevennoot afgelegde verklaringen aannemelijk worden geacht, althans niet is gebleken dat dat anders is. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden van de [bedrijf] , tezamen een bedrag van € 317.805,56, te goeder trouw is geweest. Ook met betrekking tot de overige (privé) schulden die een totaalbedrag van € 1.515,19 behelzen, heeft [appellant] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten daarvan aangezien deze schulden zijn ontstaan door een terugval in inkomsten.

Nu verder niet is gebleken van feiten en omstandigheden die aan toewijzing van het verzoek van [appellant] in de weg staan, zal het hof het vonnis van de rechtbank vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing verklaren.

De slotsom is dat de grieven slagen en dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Op [appellant] zal alsnog de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing worden verklaard. De ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal bepaald worden op de datum van dit arrest. Voor een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a, eerste lid, Fw ziet het hof ambtshalve geen aanleiding aangezien geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die daartoe nopen.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:

- verklaart op [appellant] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing;

- verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam om te worden voortgezet met inachtneming van hetgeen in dit arrest is beslist.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, D.J. Oranje en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?