GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.357.376/01
zaaknummer rechtbank : 11568818 \ AO VERZ 25-26
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 maart 2026
inzake
[appellant] ,
gevestigd te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. D.M. van Daalen te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats] ,
geïntimeerde,in persoon verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
In deze zaak is de vraag aan de orde of het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het hof oordeelt, in navolging van de kantonrechter, dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Aan de werknemer is een transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding toegekend.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 25 juli 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de kantonrechter) op 1 mei 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep geen verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 14 januari 2026 laten toelichten door mr. Van Daalen voornoemd, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [geïntimeerde] is in persoon verschenen en heeft samen met [geïntimeerde] , zijn dochter, het woord gevoerd.
Uitspraak is bepaald op heden.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per 31 december 2024 en [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van € 21.462,76 netto, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
[appellant] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in de overwegingen 2.1. tot en met 2.5. van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.
[appellant] exploiteert de ‘Beverwijkse Bazaar’, een deels overdekte markt. Marktlui huren marktkramen van [appellant] en verkopen vanuit die kramen hun waar.
[geïntimeerde] , geboren op 8 november 1975, is sinds 5 juni 2010 in dienst bij [appellant] . De functie van [geïntimeerde] is Bazaar-weekendmedewerker met een loon van € 3.184,74 bruto per maand, inclusief 8% vakantiegeld.
[geïntimeerde] verrichte zijn werkzaamheden met name op de ‘Oosterse Markt’ van de Bazaar. Als Bazaar-weekendmedewerker was [geïntimeerde] verantwoordelijk voor het schoonhouden van zijn deel van de bazaar en sprak hij huurders van kramen aan op gedrag dat niet is toegestaan, zoals roken op de marktvloer of het gebruiken van lege kramen die niet worden gehuurd.
[geïntimeerde] heeft van verschillende huurders van de Oosterse Markt geld geleend, in totaal een bedrag van ongeveer € 12.000,-.
Op 31 december 2024 is [geïntimeerde] op staande voet ontslagen.
4. Eerste aanleg
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (i) te verklaren voor recht dat het op 31 december 2024 aan hem gegeven ontslag op staande voet onrechtmatig is alsmede om [appellant] te veroordelen tot betaling van (ii) de te weinig uitbetaalde verlofuren zijnde het netto-equivalent van het brutobedrag van € 408,28, (iii) de gefixeerde schadevergoeding zijnde het netto-equivalent van het brutobedrag van € 9.554,22, (iv) de wettelijke transitievergoeding zijnde het netto-equivalent van het brutobedrag van € 15.467,84, (v) een billijke vergoeding van € 96.033,60, (vi) met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
[appellant] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [geïntimeerde] .
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [geïntimeerde] heeft van verschillende huurders van kramen op de Oosterse markt geld geleend. Daarmee is het risico ontstaan dat de privébelangen van [geïntimeerde] verstrengeld raken en in conflict komen met zakelijke belangen van [appellant] . Hij had moeten begrijpen dat het sluiten van leningen met klanten van zijn werkgever waarmee hij dagelijks werkt, hem zou kunnen belemmeren in de uitvoering van zijn werk. Desondanks is geen sprake van een dringende reden voor ontslag, omdat expliciete instructies van [appellant] op dit vlak ontbreken en [geïntimeerde] al vijftien jaar een bijna vlekkeloos dienstverband heeft gehad bij [appellant] . De kantonrechter is ook van oordeel dat [appellant] de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde] onvoldoende gewicht heeft gegeven. Het ontslag kan geen stand houden omdat de dringende reden ontbreekt. Omdat [geïntimeerde] berust in het ontslag en [appellant] door hem ten onrechte op staande voet te ontslaan ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan hij aanspraak maken op een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft een billijke vergoeding van afgerond € 10.000,- bruto toegewezen. Ook is de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 9.554,22 bruto toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Het verzoek om [appellant] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 15.467,84 bruto wordt ook toegewezen. Het verzoek tot uitbetaling van vakantiedagen wordt afgewezen. Tot slot komen de proceskosten voor rekening van [appellant] .
5. Beoordeling
Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met haar grieven op.
Dringende reden?
Met de grieven 1 tot en met 6 bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is omdat een dringende reden ontbreekt. [geïntimeerde] heeft de klanten van zijn werkgever onder werktijd, op de werkvloer en in werkkleding van zijn werkgever gevraagd om de leningen. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] het vertrouwen van de huurders - dat op zijn functie was gebaseerd - heeft gebruikt of misbruikt om leningen in privé af te sluiten. Volgens [appellant] is het altijd de taak van [geïntimeerde] geweest om huurders te waarschuwen en om boetes uit te schrijven aan huurders, en niet alleen om misdragingen van huurders te melden aan de coördinatoren. Dit blijkt ook uit de overgelegde verklaringen van de coördinatoren. Bij zijn beoordeling van 12 november 2021 was [geïntimeerde] gewaarschuwd dat hij voor [appellant] werkte en niet voor de huurders. [appellant] betwist dat [geïntimeerde] er nooit op is gewezen dat hij geen leningen mocht aangaan. Er is een specifieke waarschuwing in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst en in het personeelsreglement opgenomen waaruit volgt dat [geïntimeerde] op geen enkele wijze voor eigen rekening mocht handelen. Voorts wijst [appellant] erop dat er sprake was van herhaald gedrag gedurende een langere periode waarbij veel huurders zijn betrokken en dat het geleende bedrag aanzienlijk is. [geïntimeerde] heeft in het geheim van minimaal zeventien huurders, een uitzendkracht en een oud-huurder een bedrag van ten minste € 12.586,- geleend, waardoor hij zijn functioneren als controleur van de huurders onmogelijk maakte. [geïntimeerde] had moeten begrijpen dat het sluiten van leningen met de huurders, die de klanten van [appellant] zijn, hem zou kunnen belemmeren in de uitvoering van zijn werk. Tot slot betwist [appellant] dat zij de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde] onvoldoende gewicht heeft gegeven. [appellant] wist eind 2024 niet van financiële of persoonlijke problemen van [geïntimeerde] .
Uit de ontslagbrief van 31 december 2024 blijkt dat [appellant] de volgende gedragingen van [geïntimeerde] aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd: (1) het niet nakomen van verschillende afspraken die [geïntimeerde] als representant van de Bazaar in zijn persoonlijke belang met huurders van de Bazaar heeft gemaakt, waardoor het vertrouwen van huurders in de Bazaar is beschadigd en het vertrouwen van de Bazaar in [geïntimeerde] dusdanig is beschadigd dat voortzetting van zijn dienstverband onmogelijk is geworden; (2) het niet meer naar behoren kunnen verrichten van zijn werkzaamheden omdat [geïntimeerde] daarin alle grenzen te buiten is gegaan, waardoor [geïntimeerde] zich in een positie heeft gebracht dat hij chantabel is en gevoelig voor omkoping; (3) het door zijn gedragingen geven van een slechte naam aan de Bazaar.
Het hof stelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet het volgende voorop. Het ontslag op staande voet is een ultimum remedium, dat, gelet op de verstrekkende gevolgen ervan, slechts bij uitzondering mag worden gegeven. Op grond van artikel 7:678 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Verder geldt als uitgangspunt dat op [appellant] als werkgever de stelplicht en bewijslast rust van het bestaan en de dringendheid van de ontslagreden.
Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] verschillende afspraken niet is nagekomen die hij als representant van [appellant] heeft gemaakt in zijn persoonlijke belang met huurders van de Bazaar (ontslaggrond 1) en dat [geïntimeerde] door zijn gedragingen de Bazaar een slechte naam heeft gegeven (ontslaggrond 3). In de ontslagbrief van 31 december 2024 noch later heeft [appellant] toegelicht welke concrete afspraken [geïntimeerde] met de huurders heeft gemaakt en welke daarvan hij niet is nagekomen. Integendeel: [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat hij alle geleende bedragen heeft terugbetaald. Dat hij door het maken van deze afspraken het vertrouwen van de huurders in de Bazaar heeft beschadigd, is niet nader onderbouwd of gebleken [appellant] heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat door het maken en niet nakomen van deze afspraken sprake is geweest van gedragingen die een dringende reden voor ontslag op staande voet zouden kunnen opleveren. Datzelfde geldt voor ontslaggrond 3. In de ontslagbrief heeft [appellant] volstaan met de constatering dat de gedragingen van [geïntimeerde] de Bazaar een slechte naam geven. Een nadere toelichting of onderbouwing ontbreekt. Ook in het verweerschrift in eerste aanleg en het beroepschrift is [appellant] niet met een feitelijke onderbouwing van deze beide ontslaggronden gekomen. Dit betekent dat [appellant] het bestaan, de inhoud en de omvang van deze ontslaggronden (gelet op de betwisting daarvan door [geïntimeerde] ) onvoldoende concreet heeft onderbouwd en dat deze het gegeven ontslag derhalve niet kunnen dragen.
Nu de ontslaggronden 1 en 3 (het niet nakomen van afspraken en het geven van een slechte naam aan de Bazaar) het ontslag op staande voet niet kunnen dragen, rijst de vraag of ontslaggrond 2 (het niet meer naar behoren kunnen verrichten van zijn werkzaamheden omdat [geïntimeerde] daarin alle grenzen te buiten is gegaan) ook los van de andere gronden wel een dringende reden voor ontslag op staande voet kan vormen. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien door een werkgever meerdere gedragingen aan een ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd en daarvan slechts een gedeelte komt vast te staan, alleen dan sprake kan zijn van een geldig ontslag op staande voet indien is voldaan aan een aantal vereisten, waaronder dat de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is dat hij de werknemer ook uitsluitend om die reden op staande voet zou hebben ontslagen. Nu [appellant] in de ontslagbrief noch in de onderhavige procedure heeft gesteld en evenmin aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] ook uitsluitend vanwege ontslaggrond 2 (het niet meer naar behoren kunnen verrichten van zijn werkzaamheden omdat [geïntimeerde] daarin alle grenzen te buiten is gegaan) op staande voet zou zijn ontslagen, kan het ontslag op staande voet geen stand houden.
Ten overvloede overweegt het hof nog het navolgende ten aanzien van ontslaggrond 2. Niet is in geschil dat [geïntimeerde] de huurders van [appellant] heeft gevraagd om aan hem geld te lenen en deze leningen ook heeft gekregen. Voor [geïntimeerde] had voldoende duidelijk kunnen en moeten zijn dat het sluiten van leningen met huurders van de Bazaar door [appellant] niet zou worden toegestaan omdat hij daardoor, gelet op het feit dat het zijn taak was om te controleren of de huurders zich aan de regels hielden en hun zo nodig te waarschuwen en/of beboeten, gevoelig zou kunnen worden voor chantage en omkoping. Zowel in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst als in het personeelsreglement is opgenomen dat [geïntimeerde] zich op de Bazaar zal onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. Ook in zijn beoordeling van 12 november 2021 is hij gewaarschuwd dat hij voor [appellant] werkt en niet voor de huurders. Door desondanks leningen met huurders af te sluiten, heeft hij het risico genomen dat hij in een afhankelijke relatie ten opzichte van deze huurders zou komen te staan, waardoor hij zijn werkzaamheden niet naar behoren zou kunnen verrichten. [appellant] heeft in hoger beroep toegelicht dat [geïntimeerde] in 2024 aanzienlijk minder waarschuwingen heeft gegeven en boetes aan huurders heeft uitgeschreven dan in voorgaande jaren. Hoewel het uitschrijven van boetes volgens [geïntimeerde] in 2024 niet meer tot zijn taken behoorde, heeft [appellant] dit gemotiveerd betwist aan de hand van de verklaringen van de twee coördinatoren, P. van Meurs en J. van Rhijn. Deze handelwijze van [geïntimeerde] rechtvaardigt weliswaar de conclusie dat hij verwijtbaar heeft gehandeld, maar van een dringende reden voor ontslag op staande voet is geen sprake. Niet kan worden gezegd dat deze gedragingen zó ernstig zijn dat van [appellant] redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Van belang is daarbij het lange dienstverband van [geïntimeerde] bij [appellant] , zijn nagenoeg altijd goede functioneren in het verleden en de omstandigheden dat hij (zoals [appellant] wist) eerder met financiële problemen kampte. Bij de beoordeling van de ernst van de gedragingen moet bovendien worden meegewogen dat er geen aanwijzingen zijn dat [geïntimeerde] opzettelijk schade aan [appellant] heeft willen toebrengen, en dat niet gesteld of gebleken is dat sprake was van chantage of omkoping van [geïntimeerde] . Van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW is derhalve geen sprake.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De grieven 1 tot en met 6 falen.
Billijke vergoeding
Met grief 7 betwist [appellant] dat [geïntimeerde] recht heeft op een billijke vergoeding. Door het ontslag op staande voet heeft [appellant] niet ernstig verwijtbaar gehandeld, zo stelt [appellant] . Voor zover wel sprake is van een recht op een billijke vergoeding, dan is de billijke vergoeding van € 10.000,- onjuist. Indien [appellant] meteen een ontbindingsverzoek had ingediend, dan had er op korte termijn een ontbinding kunnen volgen. Bovendien had de duur van de ontbindingsprocedure van de opzegtermijn mogen worden afgetrokken (artikel 7:671b lid 9 onder a BW), zodat waarschijnlijk slechts één maand opzegtermijn zou resteren. Door de betaling van de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging verkeert [geïntimeerde] zelfs in een betere positie dan in geval van een ontbindingsprocedure wegens ernstig verwijtbaar handelen door [geïntimeerde] . Tot slot is de kantonrechter bij de berekening van deze vergoeding volgens [appellant] van een onjuist en te hoog salaris van [geïntimeerde] uitgegaan.
Het hof volgt [appellant] niet in haar betoog dat, omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, de verzochte billijke vergoeding afgewezen had moeten worden. Hiervoor is immers geoordeeld dat geen dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig is. In geval van een onterecht gegeven ontslag op staande voet heeft de werknemer op grond van artikel 7:681 BW de keuze tussen ofwel vernietiging van het ontslag op staande voet, ofwel een billijke vergoeding. [geïntimeerde] heeft voor de billijke vergoeding gekozen. Voor de vaststelling van de hoogte van de aan [geïntimeerde] toe te kennen billijke vergoeding zijn onder andere de door de Hoge Raad in de beschikking van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187, New Hairstyle) genoemde gezichtspunten van belang.
Daarbij is van belang de te verwachten resterende duur van het dienstverband indien het ontslag op staande voet niet had plaatsgevonden. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] indien hem geen ontslag op staande voet was verleend, na 31 december 2024 nog maar enkele maanden voor [appellant] zou hebben gewerkt. Gelet op de ernst en frequentie van de hem verweten gedraging (ontslaggrond 2), acht het hof het aannemelijk, indien het ontslag op staande voet wordt weggedacht, dat [appellant] een ontbindingsprocedure zou zijn gestart wegens verwijtbaar handelen en/of een verstoorde arbeidsverhouding en dat het desbetreffende ontbindingsverzoek zou zijn toegewezen. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met een geschatte inkomensschade van drie maanden. Het hof gaat daarom bij het bepalen van de billijke vergoeding uit van een inkomensschade ongeveer gelijk aan het loon dat [geïntimeerde] zou hebben genoten over de periode van 31 december 2024 tot en met 31 maart 2025. De kantonrechter heeft dit loon afgerond op een bedrag van € 10.000,- bruto. Tussen partijen is de exacte hoogte van het salaris van [geïntimeerde] in geschil maar omdat de billijke vergoeding een bedrag betreft dat mede wordt gebaseerd op de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst en het tijdens die duur te verdienen loon, maar ook op andere elementen, ziet het hof geen aanleiding om van de door de kantonrechter vastgestelde billijke vergoeding af te wijken. Ook het hof acht het bedrag van € 10.000,- bruto een passende billijke vergoeding. Het hof ziet evenmin aanleiding de billijke vergoeding te verminderen met de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, noch om de duur van de eventuele ontbindingsprocedure van de billijke vergoeding af te trekken, zoals door [appellant] verzocht. De billijke vergoeding strekt tot compensatie van het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Grief 7 faalt derhalve.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding
Met grief 8 betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] geen recht heeft op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging omdat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2024 rechtsgeldig is geëindigd. Verder stelt [appellant] dat de kantonrechter bij de berekening van deze vergoeding van een onjuist en te hoog salaris van [geïntimeerde] is uitgegaan.
Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is de partij ( [appellant] ) die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij ( [geïntimeerde] ) een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had moeten voortduren. In dit geval bedraagt de opzegtermijn voor de werkgever op grond van artikel 7:672 lid 2 sub c BW drie maanden. In dit geval is geen sprake van een rechtsgeldig ontslag per 31 december 2024, zodat [geïntimeerde] recht heeft op de vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Dit betekent dat [appellant] een bedrag gelijk aan het loon aan [geïntimeerde] moet doorbetalen over de maanden januari tot en met maart 2025.
In geschil is de hoogte van het salaris van [geïntimeerde] over deze periode. Vaststaat dat het overeengekomen salaris van [geïntimeerde] op basis van zijn arbeidsovereenkomst voor 34 uur per week € 2.313,36 bruto per vier weken (exclusief vakantietoeslag) bedraagt. Dit komt neer op een bedrag van € 2.706,63 inclusief vakantietoeslag per maand. [appellant] heeft evenwel toegelicht dat [geïntimeerde] in overleg met [appellant] tijdelijk (van juli tot en met december 2024) 40 uur per week heeft gewerkt en dat zijn salaris gedurende die periode € 2.722,- bruto per vier weken (exclusief vakantietoeslag) bedroeg. Dit is niet weersproken door [geïntimeerde] , zodat ook het hof voor de berekening van de gefixeerde schadevergoeding van een bedrag van € 2.706,63 per maand zal uitgaan. [geïntimeerde] heeft derhalve recht op een gefixeerde schadevergoeding van in totaal € 8.119,89. Grief 8 slaagt derhalve.
Transitievergoeding
Met grief 9 betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door van zoveel huurders in totaal een grote som geld te lenen en vervolgens zijn afspraken niet na te komen zodat de huurders zich hebben gewend tot [appellant] . Volgens [appellant] is de kantonrechter ook bij de berekening van deze vergoeding van een onjuist en te hoog salaris van [geïntimeerde] uitgegaan.
Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW kan [geïntimeerde] geen aanspraak maken op een transitievergoeding, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [geïntimeerde] . Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in dit geval verwijtbaar heeft gehandeld door aanzienlijke sommen geld van huurders van de Bazaar te lenen, maar van ernstig verwijtbaar handelen in de zin van dit artikel is geen sprake. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat duidelijke, concrete regels op dit gebied vanuit [appellant] ontbreken. Niet is gebleken dat [geïntimeerde] [appellant] opzettelijk schade heeft willen toebrengen door zijn handelwijze.
Ten aanzien van de hoogte van de transitievergoeding overweegt het hof als volgt. Zoals hierboven is overwogen, bedraagt het salaris van [geïntimeerde] op basis van 34 uur per week € 2.706,63 inclusief vakantietoeslag per maand en op basis van 40 uur per week (in de periode van juli tot en met december 2024) € 2.722,- bruto per vier weken (exclusief vakantietoeslag), derhalve € 3.184,75 inclusief vakantietoeslag per maand. De transitievergoeding is voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd gelijk aan 1/3 van het maandsalaris (artikel 7:673 lid 2 BW). Indien de arbeidsovereenkomst langer dan een jaar heeft geduurd, wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen over de laatste twaalf maanden. Het gemiddelde maandsalaris van [geïntimeerde] over de laatste twaalf maanden van zijn dienstverband van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 bedraagt € 2.945,69 inclusief vakantietoeslag ((zes maanden x € 2.706,63) + (zes maanden x € 3.184,75) / twaalf maanden). Uitgaand van dit gemiddelde maandinkomen heeft [geïntimeerde] derhalve recht op een transitievergoeding ter hoogte van € 14.267,12 bruto. Dit betekent dat grief 9 slaagt.
Slotsom en kosten
[appellant] heeft geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod daarom wordt gepasseerd.
De conclusie is dat de grieven 8 en 9 slagen. Dit betekent dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover daarbij aan [geïntimeerde] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 9.554,22 bruto en een transitievergoeding van € 15.467,84 bruto is toegekend.
Gelet op het feit dat [appellant] grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal [appellant] in hoger beroep in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden op nihil gesteld nu [geïntimeerde] in persoon is verschenen. In de bestreden beschikking is [appellant] reeds in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. Uit het voorgaande volgt dat de tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg gerichte grief 10 van [appellant] faalt.
6. Beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover daarbij aan [geïntimeerde] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 9.554,22 bruto en een transitievergoeding van € 15.467,84 bruto is toegekend;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 8.119,89 bruto;
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] een transitievergoeding te betalen van € 14.267,12 bruto;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op nihil;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. van der Burg, R.L. de Graaff en E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.